+ Meer informatie

DE NAAM CHRISTUS (3)

5 minuten leestijd

81.

Het priesterlijk ambt.

Om het verlossingswerk te volbrengen moest Christus ook HOGEPRIESTER zijn. Ook daartoe is Hij van eeuwigheid verordineerd en in de tijd bekwaamd wat Zijn menselijke natuur betreft. En Zijn Goddelijke natuur heeft Hem ondersteund tot het wegdragen van de last van de eeuwige toorn Gods, ja, opdat een eeuwige waardij aan Zijn verdienste kon worden toegebracht.

Zo is Christus ook toegerust met de volheid van gaven van de Heilige Geest. „Die door de eeuwige Geest Zichzelf Gode onstraffelijk opgeofferd heeft”, zo lezen we in Hebr. 9:14. In die toerusting met de volheid van de gaven van de Heilige Geest is er verschil met de oudtestamentische ambtsdragers. De profeten, priesters en koningen in de oude bedeling hadden die volheid van de gaven niet. Zij spraken het Woord Gods niet uit zichzelf. Zij konden het volk niet tot bekering brengen. Christus leerde als MACHTHEBBENDE. Daarom is Hij de hoogste Profeet!

De priesters zelf konden het volk niet met God verzoenen, want zij waren zelf zondige mensen, die de verzoening eerst voor zichzelf nodig hadden. Maar Christus is de enige en volkomen Hogepriester, Die „met één offerande in eeuwigheid heeft volmaakt degenen, die geheiligd worden”, Hebr. 10: 14. En de koningen konden Israël zelf niet verlossen, niet bevrijden van de macht van zonde en satan. Dit kan alleen Christus! „Uw pijlen zijn scherp, volken zullen onder U vallen; zij treffen in het hart van des Konings vijanden”, Ps. 45 : 6.

Ver boven de bediening van de oud-testamentische priesters rijst Christus uit in Zijn hogepriesterlijke bediening.

De priesters van de oude bedeling waren slechts afschaduwing van Christus. Zij waren zélf zondige mensen. Zij werden steeds opgevolgd door anderen, want zij vielen door de dood weg. De Aaronitische priesters offerden dieren en zij moesten dikwijls offeren. Christus daarentegen was zonder zonde en dit moest om te kunnen betalen voor anderen.

Want een mens, zélf zondaar zijnde, kan niet voor anderen betalen. God zoekt de schuld thuis, waar zij gemaakt is. Vandaar dat op Christus de zonde en schuld van Zijn volk werd gelegd, Hij is tot zonde gemaakt. (Let er wel op, dat Hij geen zondaar is geworden.)

Christus kon niet opgevolgd worden door anderen. Daarom was Hij geen Hogepriester naar de ordening van Aaron. Hij was trouwens ook niet uit Aaron, uit de stam van Levi, maar uit de stam van Juda!

Christus is Hogepriester naar de ordening van Melchizedek als de enige en eeuwige Koning. (We komen hierop nog nader terug.)

Waarom was dan het Aaronitische priesterschap nodig?

Wel, omdat Christus toen nog niet Zélf gekomen was. Daarom moest er tussen Melchizedek en Christus’ komst in het vlees een tijdelijk priesterschap zijn, afschaduwende en heenwijzende naar Hem, Die alleen de ware en volkomen Hogepriester is! Welke brief verklaart dit zo schoon?

Toen Christus dan ook gekomen was, is het Aaronitische priesterschap beëindigd. Het is opmerkelijk, dat Zacharias, de laatste priester uit Levi, ging profeteren bij de komst van Christus. „En Zacharias, zijn vader, werd vervuld met de Heilige Geest en profeteerde, zeggende….” Lukas 1 : 67.

Zo was het ook ten opzichte van de profetische en koninklijke bediening.

Anna, de profetes, ging…. belijden. „En deze te dier ure daarbij komende, heeft insgelijks (evenals Simeon, een mens te Jeruzalem) de Heere beleden”, Luk. 2 : 38.

Jozef, de vader van Jezus naar de wet, de kroonpretendent van David, oefende zijn koningschap niet uit, maar hij heeft zijn koningschap overgedragen aan C’hristus. Dit was de betekenis van Jozefs handelend optreden bij de geboorte van Jezus.

Het priesterschap van Aaron was dus een tijdelijk priesterschap, onvolkomen. We merkten reeds op, dat zij zélf zondige mensen waren, die de verzoening, afgebeeld in het offeren van dieren, eerst zelf nodig hadden. Christus is zonder zonde, Hij moest om de ware en volkomen Hogepriester te zijn, waarachtig en rechtvaardig mens zijn en tevens waarachtig God.

Ook het bloed van stieren en bokken kon de zonde van het volk niet verzoenen en wegnemen. Psalm 40, Hebr. 10. Dit kon alleen door het bloed van Christus! Hebr. 9 : 11–14. Hoe hebben dan de oud-testamentische vromen de verzoening kunnen ontvangen en ervaren?

Door het geloof! Door het zaligmakend geloof hebben zij als schuldigen en doemwaardigen bij altaar en priesterdienst door de offers mogen zien op Hem, Die komen zou. Zij hebben zo rijk mogen inblikken in het werk en in de Persoon van Christus en in Zijn werk en vrucht mogen delen.

In de volgende les hopen we terug te komen op de betekenis van Melchizedek in verband met Christus’ eeuwig priesterschap.

Hebben we die grote Hogepriester nodig gekregen en hebben we leren verstaan, dat er buiten Hem geen verzoening en zaligheid te zoeken noch te vinden is?

Dan hebben we ook iets verstaan van wat de dichter van Ps. 65 zong:


Een stroom van ongerechtigheden
had d’ overhand op mij,
Maar ons weerspannig overtreden
verzoent en zuivert Gij.


Want Christus treedt ook als Hogepriester op in het ontdekkend werk. De ambten zijn wel te onderscheiden, maar niet te scheiden. En dit is tot rijke vertroosting, dat Christus als Hogepriester in het ontdekkend werk zorgt, dat de zondaar niet tot wanhoop komt. Want Hij bidt voor het aangezicht des Vaders.

Urk

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.