+ Meer informatie

De staat Israël

6 minuten leestijd

DE FELLAHS

Dit zijn de, meestal arme, boeren. Woonden de Bedoeienen in tenten, zoals we in het vorige artikel zagen, de fellahs wonen in huizen van steen, in dorpsgroepen bijeen gezet.

Waar geen natuursteen in de buurt te vinden is, gebruikt men leemklompen, gebrand in de zonne warmte, als bouwmateriaal. In bergstreken daarentegen houwt men de stenen uit de rotsen en krijgt men meer solide huizen. Het dak is altijd plat, bij de armsten bestaande uit stammen en takken, waarover leem wordt gewalst. Een dergelijk dak lekt nogal eens.

Bij voorkeur worden de dorpen gebouwd op een hoogte om de volgende redenen:

1. Op de hoogte is meer mogelijkheid voor uitbreiding dan in de vallei.

2. Een huis, dat op een steenrots gebouwd is, is beter bestand tegen de regenstromen dan een huis, dat op de losse aarde in het dal staat.

3. Men kan vanaf de hoogte beter een wakend oog houden op de akkers en de oogst in het dal.

4. In een warm land als Palestina is het op de hoogte aangenamer wonen door de koele westenwinden, die er overheenstrijken.

5. Een hoogte is een natuurlijke sterkte.

liet bestaansmiddel van de fellah is de landbouw.

De meeste akkergrond is geen privaat bezit, maar eigendom van de regering of van instellingen. Bij elk dorp zijn van deze gronden, die door de dorpsgemeenschap zijn gepacht met een gebruiksrecht voor allen. De fellah krijgt zijn deel door het lot. De Mohammedaanse voorganger, dikwijls de enige in het dorp, die lezen en schrijven kan, heeft de namen der percelen op steentjes geschreven en die in een beker gedaan. De fellahs zitten in een halve cirkel om hem heen geschaard. Een klein jongetje laat men dan een steentje uit de beker krijgen, terwijl er geroepen word: „Allah sta in voor mijn lot! Allah handhave mijn deel!" Op deze wijze krijgt ieder een akker toegewezen. Maar omdat men er allerminst zeker van is, dat men een volgend jaar dezelfde akker weer zal krijgen, wordt de grond slecht bewerkt en bemest. Waarom zou men zich druk maken voor een ander! Daarom zijn de oogsten dan ook klein.

De landbouwwerktuigen van de fellah zijn nog dezelfde als in Bijbelse tijden. Met de eenvoudige ploeg wordt de grond wat losgemaakt, niet omgewoeld, terwijl het een hele kunst is de wrakke ploeg veilig langs boomwortels en stenen te sturen. Wie telkens achterom ziet, is dan ook niet bekwaam.

Op de gemeenschappelijke dorsvloer wordt gedorst door ossen over het koren te laten lopen of met behulp van een dorsslede: een zwaar houten bord. aan de onderkant voorzien van scherpe stenen of metalen punten. Deze slede wordt over het koren heen en weer getrokken. Het overblijvende haksel dient als veevoer. Daarna volgt met de hulp

van de wind het wannen. (Zie voor deze bewerkingen de artikelenserie „Zijner handen werk", waar dit uitvoerig werd behandeld).

Wanneer blinden en gebrckkigen bij de dorsvloer hun deel hebben gekregen, volgt de verkoop. Van het ontvangen geld moet eerst de pacht betaald worden en daar de fellah altijd diep in de schuld zit, moeten vervolgens oude schulden worden betaald. Dit gelukt maar zeer ten dele. De niet afbetaalde schuld blijft tegen een hoge rente weer wachten tot een volgend jaar. Zo raakt hij steeds dieper in de schuld en voor een volgend seizoen moet hij weer beginnen met geld te lenen om het zaaizaad te kunnen betalen. Komt er clan nog een jaar van misgewas, clan wordt het voor de fellah wel heel erg benauwd.

De fellah heeft ook nog één of meer koeien. Maar door de slechte omstandigheden leveren deze dieren nauwelijks 800 1 melk per jaar. In bergstreken worden nog schapen en geiten gehouden, terwijl tegenwoordig ook de hoenderteelt toeneemt, maar de eierproductie is gering.

Het volkskarakter van de fellah heeft in hoge mate te lijden gehad van corruptie en onderdrukking. De energie is daardoor erg verslapt, wat nog verergerd wordt door een fatalistische wereldbeschouwing: zoals het voorbeschikt is, komt het toch onafwendbaar. Daardoor kan de fellah urenlang onder een boom in de schaduw zitten en luisteren naar de verhalen van zijn dorpsgenoten. Het zijn goedmoedige mensen, maar wanneer ze opgehitst worden, schrikken ze voor de ergste daden niet terug — wat andere volkeren trouwens ook niet doen.

Naar de godsdienst zijn de meeste fellahs Mohammedanen, een kleiner deel zijn Christenen.

Zij, die de Mohammedaanse godsdienst aangenomen hebben, zijn echter geen zuivere Moslims. Men komt in hun religie elementen tegen, die vreemd zijn aan de Islam, zoals de verering van heilige plaatsen. Dat komt men onder de Mohammedaanse fellahs in Palestina veel tegen, b.v. de moskee boven de spelonk van Machpela. Ook zijn er veel plaatselijke heiligdommen bij bronnen, beken, oude bomen, holen, grafstenen van plaatselijke heiligen enz. Men houdt op bepaalde dagen pelgrimstochten maar dergelijke plaatsen en dan slacht men hier offerdieren, waarvan de stukken vlees bij vrolijke maaltijden gegeten worden.

Wat betreft de Christelijke Arabische fellahs: de meesten onder hen behoren tot de Grieks Katholieke kerk, maar daarnaast zijn er ook andere kerkformaties.

Bij de pogingen tot kerstening heeft men de overgang tot het Christendom vaak aanlokkelijk gemaakt door stoffelijke zegeningen van de kerk; maar daardoor zochten verschillende bekeerlingen niet het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid, maar wel rijst, brood, woning, school, dokter en apotheker. (L. Bauer: Volksleben in Lande der Bibel.) Bij de Mohammedanen en Christenen beide leeft sterk het geloof aan goede en kwade geesten, terwijl ook de heiligen een grote plaats innemen. Zij zullen gerust een meineed zweren onder aanroeping van de naam Gods, maar een meineed zweren onder aanroeping van een heilige of bij diens graf, is hoogst gevaarlijk, want de heilige zal dat zeker straffen.

De fellah zal geen arbeid beginnen zonder uit te roepen: „in de Naam van God", enerzijds om de zegen van de Allerhoogste af te bidden, anderzijds om het boze oog te bezweren en de demonen verre te doen zijn. Maar tevens worden ook de heiligen aangeroepen om bijstand te verlenen, ja elk van deze heeft zijn bepaalde arbeidsduur en zijn vaste tijd van goede gaven.

In de laatste jaren werd het agrarisch karakter van de dorpsgemeenschap sterk beïnvloed, wanneer deze dorpen liggen in de buurt van een stad of een Joodse kolonie.

De producten worden voor goede en vaak stijgende prijzen in de stad verkocht. De dorpsgrond stijgt enorm in waarde als gevolg van het stedelijk uitbreidingsplan. Veel fellahs gaan in de stad werken als fabrieksarbeiders met als gevolg vermeerdering van welvaart. Door de beter geworden economische toestanden worden clan de huizen soiieder gebouwd en er verrijst ook een school. De gebruiken van de stad beginnen langzamerhand ook in de dorpen door te dringen en daaronder zijn helaas ook de minder goede.

De fellahdorpen in de nabijheid van de moderne Joodse kolonies ondergaan daar de invloeden van. De fellahs zien daar een andere levenswijze, andere gewoonten, andere werktuigen, andere kleren en bewust of onbewust wordt een en ander overgenomen, met name de werkwijze en de gereedschappen. Zelfs ziet men tegenwoordig wel een tractor op het conservatieve bedrijf van een fellah. Bovendien ontstaan er contacten met de Joodse kolonisten. Het is niet ongewoon. Joodse bussen te zien rijden, die voor driekwart gevuld zijn met fellahs. Waar dat voortdurende contact bestaat, zal de verhouding tussen Joden en Arabieren een vreedzaam karakter dragen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.