+ Meer informatie

Bocht in de weg

5 minuten leestijd

Vergis ik me als ik zeg dat het stil geworden is na zaterdag 21 september? Ik vlei me niet met de hoop dat alle lezers meteen begrijpen wat ik bedoel. Daarom grijp ik eerst terug op een bericht uit het Noordhollands Dagblad van dinsdag 24 september 1996, in de vaste rubriek Hemel en Aarde.

Amersfoort
Hoe luidde dat bericht, dat in mijn plakboek belandde? Alleen al de kop maakt alles duidelijk: Bonders gaan mee met kerkfusie. De redacteur van de rubriek, Gerard van Doorn geheten, mocht nauwelijks meer dan honderd woorden aan het bericht spenderen.
Bepaald geen wereldschokkend nieuws dus wat er op die 21e september van het jaar 1996 in de Joriskerk in Amersfoort gebeurde. Nee, de kerk is wel degelijk weggedrukt naar de rand van de samenleving, zoals we dat tegenwoordig zeggen. Maar de tweeduizend broeders die daar bijeen waren, zullen die dag nooit vergeten, denk ik. En wat was op die dag zelf weer het allerbelangrijkste? De bocht die de weg van de kerk nam? Of het staande getuigen van „Gods geheiligd volk, dat van Zijn trouw mag zingen?" O, in hoeveel harten zal het geechood hebben: Ik, mijn God, ik? Ik ook? Zingen? Van Uw trouw? Ik?

Aalders
Wat gaat het ons, gescheidenen, aan wat daar in Amersfoort gebeurd is? Kunnen wij volstaan met schouderophalend te zeggen: „Gij, gereformeerde bonders, moogt toezien? Zoek het nu zelf maar uit met je Samen op Weg?" Ik denk het niet. Dat de vaderlandse kerk ophoudt te bestaan is een gebeurtenis waarvan wij op dit ogenblik het gewicht geen van allen nog kunnen doorgronden, denk ik. Alles wat wij van Ledeboer, Groen van Prinsterer, Haitjema, Kersten, Zandt en Aalders geleerd hebben, blijft weliswaar staan, maar moet worden opgenomen in onze geschiedenisboeken. Aan het bestaan van de nationale kerk, die in een tachtigjarige worsteling haar vrijheid kreeg en de Nederlandse staat in aanzijn riep, is na vier eeuwen een eind gekomen.
„De Heere zal haar ons op Zijn tijd teruggeven", geloofde en beloofde ons Ledeboer. Ach, Gods wegen waren hoger dan Ledeboers wegen en Zijn gedachten hoger dan zijn gedachten. Net als van die vrouw in het begin van deze eeuw die van 's Heeren wege kreeg te zien dat „in het Oranjehuis geen mannelijke nakomelingen meer zouden komen." Wij, alle gescheidenen, verbleven in noodwoningen, wachtend en soms uitziend en verlangend naar het ogenblik dat we zouden mogen terugkeren naar de erve der vaderen. We dachten daaraan bij het zingen van onze psalmen. Onze pelgrimsliederen uit 85, 107, 126. Met alle kracht die in ons was probeerden we dat heimwee -met steeds minder succes overigens- over te dragen op de volgende geslachten, op onze kinderen en kleinkinderen.
Dat hoeft nu niet meer. Er is geen erve meer, waarnaar wij terugverlangen kunnen. Niet langer kunnen ons de broeders in de bond wenken: Kom, we hebben jullie zo nodig. We wachten al zo lang op jullie. Neen, nu zijn we allemaal op drift. Geen thuis meer.

Gouda
Wij zijn gewend in situaties als deze elkaar aan te kijken en te vragen naar de oorzaken van dit alles. Hoe komt het toch dat de geschiedenis van de kerk in Nederland deze wending neemt? Wat heeft de Heere hiermee voor? Wat wil Hij ons leren? Hebben wij misschien generaties lang een te nostalgisch-nationalistische uitleg gegeven aan ons belijden omtrent de kerk? Hebben wij misschien wel te krampachtig gedaan over dat „bijeenbrengen wat bijeen hoort?" Waarom toch hebben wij daarin elkaar onophoudelijk nagepraat? Wij zijn toch één?
Dat belijden, dat geloven wij toch? En soms gevoelen we het toch ook? Bij voorbeeld als wij samen in de Goudse Sint Jan Hervormingsdag vieren, op de partijdag in Utrecht gezamenlijk onze psalmen aanheffen, of ook wel in trouwdiensten of op begrafenissen. Soms is er toch, in een "vreemde" kerk, plotseling die blijde schok: ook hier zijn Gods kinderen bijeen, wordt Zijn Woord verkondigd?

Philpot
Hebben wij niet veel te veel aandacht besteed, veel te veel gewicht toegekend aan dat verdrietige woord "verband"? Waarom toch altijd ons het hoofd gebroken over de absurde vraag welk verband in ons piepkleine landje de zogenaamde oudste rechten had, waar nu eigenlijk de "Kerke Christi" werd gevonden? Wij lopen weg met Philpot, Spurgeon en de stricte baptisten. Maar zij begrijpen ons niet in ons angstvallig gekreun over "ons verband." Heus niet. Zullen wij eindelijk gaan verstaan dat het "una sancta" groter en wijder is dan wij ooit kunnen bevroeden? Dat wij daar eigenlijk alleen maar over zingen kunnen, zoals onze broeders in de bond deden in Amersfoort op 21 september 1996? Als dat de winst is van de bocht die de kerkgeschiedenis nam op die datum mogen we dat als een ruime compensatie voor geleden verlies zien.

Callenbach
Alle begrip voor broeders die de stap van 21 september '96 niet kunnen meemaken. Alle verschillen van inzicht worden hier op aarde niet opgelost. Zelfs in Schotland waren, in de bange jaren 1660-1688, niet al Gods knechten covenanters. Hier in Holland in 1834: Gezelle Meerburg ging, Callenbach bleef In Engeland deelde op Black Bartholomew's Day de grote John Owen niet het lot van zijn tweeduizend uit de staatskerk gestoten ambtsbroeders.
Juist dezer dagen las ik in het Reformatorisch Dagblad het opmerkelijke artikel "Nicodemussen redden de Reformatie in Engeland". Wie had dat ooit kunnen denken: een waarderend woord door hen die tijdens de regering van Maria de Bloedige voor het verschrikkelijke dilemma stonden: we kunnen niet mee en we kunnen niet weg, en die toen, in arren moede, bleven?

God gaat Zijn weg met Zijn kerk. Wij nemen aarzelend, biddend, onze besluiten. Wie van de Zijnen zich vergist? Hij alleen weet het. En Hij weet wat van Zijn maaksel is te wachten. En volvoert Zijn raad.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.