+ Meer informatie

EEN KERSTLIED

4 minuten leestijd

Is hier de zon, gelijk een bruidegom gerezen, Zo schoon en blinkende op het hoogste van de dag, Wat moet uw aangezicht dan klaar en helder wezen! O God, mijn schoonste Lief, dat ik u eenmaal zag! Jan Luyken

(Revius)

Zo vaak gaat het in Kerstliederen om een sfeer te scheppen: het kan zo echt romantisch worden rondom cle kribbe te Bethlehem. Er zijn faktoren genoeg om tot clie sfeer te geraken: donkere nacht in een donker stadje, de stad Davids; herders buiten in 't veld; het gezang van engelen; een opvallende ster aan het hemelgewelf; geheimzinnige mannen, die naar een Koning vragen in Jeruzalem, zodat de stad ontroerd wordt!

Dat zijn allemaal dingen, die goed te verwerken zijn, om op het gemoed van welk mens ook een zekere „heilige-nachtstemming" te brengen. En waar het nu eigenlijk om gaat, wordt zo op de achtergrond geschoven: het grote wonder van cle menswording van Gods Zoon.

Meestal verzeilen we van de koers, in de wateren van „stemmigheid-rondom-de kerstboom"; van het „lieve" zingen van kinderen met hun ontroerende stemmetjes over een stalletje met stro, waarop een spelend kindje ligt. Ja, daar zijn mensen, die niets van het Kind moeten hebben, ook nog wel voor te trekken en daardoor is het voor iederéén Kerstdag, vanwege cle sfeer. Als er nu ook nog eens sneeuw kwam, dan hadden we een witte Kerst, en clat zou je ware zijn!

Zo is het Christusfeest een heidens feest geworden: een overwinning van het licht op de duisternis, zoals onze heidense voorvaders ook „beleefden".

Laten we even luisteren naar een stem uit de Gouden Eeuw. Het is de stem van Jacobus Revius, de godgeleerde, de hoogleraar aan de hog^Xïhool te Leiden, de felle bestrijder van het Remonstrantisme en de medewerker aan de Staten-vertaling.

Boven het sonnet, dat we willen beluisteren, staat: Maria.

Gezegend is de maagd, de kroon van alle maagden, de tempel van Gods Zoon en wezenlijke kracht, de schone dageraad, waardoor ons nu toelacht de Zonne daar zo dik de vaderen naar vraagden.

De spelling van Revius is zo veel mogelijk aangepast aan de hedendaagse. Voor velen zou het anders moeilijk te lezen zijn. Ook nu zullen we goed moeten nadenken wat de dichter wil zeggen. Maria wordt de dageraad genoemd: uit de dageraad verschijnt de zon in de natuur; zo zal uit Maria, de maagd, de Zonne der gerechtigheid voortkomen. Naar die Zon hebben de vaderen van de oude Bedeling zo dikwijls (dik) uitgezien, en naar gevraagd.

Nu volgt het tweede kwatrijn:

Gelukkig, meer als die ooit den Heer behaagden, de zuster van haar kind, de dochter van haar dracht, de bruid van die ze zelf ter wereld heeft gebracht, in wiens ontvangenis beid' aard' en hemel waagden.

Dit gedeelte eist bredere uitlegging. In het eerste gedeelte staat: Gezegend is de maagd; nu gaat Revius verder en zegt: Gelukkig is de maagd, maar hier zet hij achter „gelukkig" een komma: Maria is gelukkiger dan alle anderen. Jezus noemt Zijn jongeren broederen, zodat Maria genoemd mag worden: de zuster van haar kind. Door wederbarende genade worden Gods kinderen aangenomen tot zonen en dochteren, zodat Maria, die op dezelfde wijze zalig moest worden als al de anderen van Gods volk, ook een dochter is, namelijk een dochter van haar dracht, van Degene die zij onder het hart heeft gedragen. En omdat Christus de Bruidegom van Zijn gemeente is, zo is Maria de Bruid van Hem, die ze op de wereld bracht. Aarde en hemel gewaagden van deze ontvangenis: de engelen zongen en de herders loofden en prezen God om hetgeen ze gezien en gehoord hadden.

Als we nu het tweede kwatrijn nog eens rustig lezen, zullen we bemerken hoeveel Revius in enkele regels zegt.

Nu volgen de twee terzinen van het sonnet: twee drieregelige strofen.

Welzalig zijn voorwaar haar ongeraakte borsten, waarnaar de Bronne zelf des levens placht te dorsten: welzalig is de schoot waarin Hij heeft gerust.

Na het „gezegend" en „gelukkig" komt nu twee keren: welzalig. In de tweede regel moest eigenlijk staan: de Bronne des levens zelf. Dat kon niet, want dan zou de maat van 't gedicht teloor gaan; het zou stoten en niet vloeiend verlopen. In proza zou het wel moeten, maar hier vinden we een dichterlijke zinswending, waar veel voor te zeggen is. We moeten dat even „door" hebben.

De laatste terzine luidt:

Maar zalig boven al zijn zulke die haar leven (gelijk Maria deed) tot Zijne dienst begeven en hebben in Zijn Woord haar hartelijke lust.

Revius eindigt niet bij Maria. Zij kan ons niets schenken; dat heeft hij al gezegd. De dichter wijst van Maria af en noemt hen welgelukzalig, die zich begeven tot de dienst des Heeren, om door die Verlosser gezaligd te worden; voor de Heere te leven en Hem in alles te benodigen. Deze zullen hun vermaak vinden in Zijn Woord, Dat zoeter is dan honing.

INDEX.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.