+ Meer informatie

Ambt - Ambtsdrager

6 minuten leestijd

Wanneer wij, tot een nadere bepaling van de plaats en de betekenis van het ambt en de ambtsdrager, van deze woorden zelf willen uitgaan, komen wij niet veel verder.

Deze woorden toch komen als zodanig in het N. Testament niet voor. Wij vinden ze alleen in de St. vertaling in Hand. 1 : 20 en 1 Tim. 3 : 1. En daar is het ook nog geen werkelijke vertaling van wat er in de Griekse tekst staat. In de eerste tekst liet de N. vert. het woord ambt dan ook vallen en las „opzicht” en in de laatste werd het behouden, maar zou letterlijk vertaald eigenlijk gelezen moeten worden „episcopaat”.

De speciaal kerkelijke betekenis van het woord ambt en ambtsdrager is van latere tijd. En dan reserveren we het daar ook nog niet alleen voor wat wij nu onder ambtsdragers verstaan, immers wij spreken ook van het „ambt aller gelovigen”.

Nimmer kunnen we dan ook het ambt of het ambtsdrager zijn zien als iets dat onze personen een zekere glorie verleent.

Er is iets anders, waarop in het N. Testament heel sterk de nadruk valt n.l. op de functionele betekenis van de positie. Niet het zijn maar het doen krijgt hierbij alle klem.

In betrekking tot alle ambtelijke functies spreekt het N.T. hierbij van diakonia, een woord dat wij terug vinden in ons woord diaken. Het betekent: dienst en komt van een werkwoord dat de zin van dienen heeft. Het is vooral in de N.T. kerk dat dit woord een bijzonder rijke zin gekregen heeft, in onderscheiding van verschillende andere woorden die ook door „dienen” vertaald kunnen worden. Het gaat hierbij om de dienst aan de ander. Dit laatste in de tweevoudige zin van: de Ander en de ander(en) n.l. Christus en de gemeente. Tegelijk wordt hier, als leidend motief, de liefde in verdisconteert. Diakonia beoefenen is dus voor alle ambtelijke functies: het er willen zijn om de ander (en).

Door dit accent droeg de N.T. kerk iets uit in de Griekse wereld, waarin zij tot openbaring kwam, wat deze niet kende. Daar was de eer van de man het heersen en het dienen werd een vernederende zaak geacht, de vrije man onwaardig. Zich te laten dienen was dan ook een ideaal evenals het anderen kunnen bevelen dit te doen.

Op treffende wijze valt hierover licht in het gesprek dat wij in Luk. 22 : 24—28 vinden en dat plaats vondt tussen Jezus en zijn discipelen, waarbij het ging om de vraag wie de meeste was, die gediend werd of die diende. Christus zegt dan van zichzelf dat Hij onder hen is als een die dient. En volgens Joh. 13 gaf Hij daarbij het voorbeeld m de voetwassing. Hier ligt de rijke achtergrond van elke ambtelijke functie.

Wie dus het ambt op een of andere wijze wil gebruiken om er zelf groot mee te worden en te kunnen heersen is fout. Wie durft in het licht hiervan zichzelf te verheffen op het: ik ben ambtsdrager? Het ambt is geen gelegenheid voor „strebers” om wat te worden in de ogen van zichzelf en anderen.

In deze gedachtenganq verstaan we dat elke ambtelijke arbeid op Christus zal moeten terug vallen om van Hem het dienen te leren. Heeft de Kerkorde dit verstaan toen zij boven het gedeelte, waarin de ambten aan de orde komen schreef: Van de diensten? Ik meen van ja

Altijd zullen we bij de beschouwing van het ambtelijke werk moeten terug vallen op Christus, die deze dienst volkomen beoefend heeft. Hij is gekomen om te dienen.

Het ambt wil dan ook altijd christologisch d.i. van Christus uit gezien en beleefd worden. De overtuiging door Hem daartoe geroepen te zijn; de bereidheid om Hem en zijn gemeente te dienen, de afhankelijkheid van Hem, de toewijding aan Hem en de bekwaming door Hem zullen telkens weer en telkens meer beseft dienen te worden.

De ambtelijke positie is daarom nooit de spits van ons pogen om het te worden en er naar te streven. Komen wij op deze wijze toch in het ambt dan staan we er ook met onszelf alleen en moeten we het met eigen kracht doen en niet uit kracht die God verleent. Het gevaar van de verwereldlijking van het ambt dreigt in deze tijd heel sterk wanneer wij de ambtsdragers als de leiders van het kerkelijk bedrijf gaan zien of als het bestuur van een organisatie. Dit is een verwereldlijking, die daarom zo gevaarlijk is omdat zij niet allereerst de uiterlijke openbaring raakt maar het denken besmet en op deze wijze de levende relatie tot Christus afsnoeren kan en de ambtelijke dienst met onvruchtbaarheid slaan. Ambtsdragers zijn geen kerkelijke managers.

Wie tot deze dienst afgezonderd is, in welke ambtelijke functie ook, staat niet ver boven de gemeente, nog minder tegenover haar, maar m het midden van haar als een die dient.

Het is een onderscheiding daartoe geroepen te worden en dit te mogen doen. De bevestiging in het ambt accentueert deze onderscheiding. Zij maakt ons met automatisch of op magische wijze tot ambtsdrager, verre van dat.

Allereerst is deze ordening tot het ambt legitimatie. Wij komen in de wettige positie van deze dienst. Wij zijn bevoegd om wat tot onze dienst behoort te doen binnen de daar voor geldende grenzen. Wij mogen onszelf dan in veel opzichten onbekwaam achten, onbevoegd zijn wij niet. Wij zijn gelegitimeerd.

Maar de bevestiging is ook toewijding. Toewijding aan de Here en aan de gemeente. Wij dienen onszelf en de gemeente dient ons zo te zien.

Niet minder is de bevestiging ook gebed. Gebed om de H. Geest, die alleen bekwaamt. Een gemeente, die voor ons bidt en ons erkent als tot deze dienst geroepen, is een rijke steun.

Het is alles wel om er zeer klein onder te worden!

Het moeilijke is dat wij door deze dienstpositie geen andere mensen worden in onszelf. Wij ondergaan bij de bevestiging niet een trans-substantiatie, waardoor wij bijzondere bovenaardse kwaliteiten ontvangen. Dat wij ook maar arme zondaren zijn en blijven, zullen wijzelf en anderen telkens ondervinden. Het tot-dienst-geroepenzijn brengt dan ook een nieuwe strijd in ons leven. Een strijd, waarin wij lang met altijd glorieuze overwinnaars zijn.

Wat de moeilijkheid van deze dienst nog vergroot is dat zij — gelijk Prof. H. Jonker het gezegd heeft — een polarisch karakter heeft.

Wij gaan heen en weer tussen God en de gemeente. En dat brengt een bijzondere spanning. Wij moeten m de naam Gods iemand vermanen, terecht wijzen, bestraffen, leiden, censureren misschien. Wij komen dan m de naam des Heren.

Maar wij moeten ook inleven in de behoeften, de noden, de zorgen, de zonden, de hardheid van de gemeente en haar leden. En met hen en voor hen moeten wij bidden, voorbidden, smeken om vergeving. Wij komen dan in naam van de gemeente tot God de Here. Zo staan wij tot deze ⃡polen” in relatie.

En toch kan dit te weten een heilige vreugde zijn in het werk. Wij zijn dan in onszelf mogelijk wel onnutte dienstknechten, maar overbodig zijn wij met. Wij zijn tot dienst geroepen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.