+ Meer informatie

De Pinksterbeweging II

9 minuten leestijd

Wat zijn de opvattingen van de Pinkstergroepen?

Er zijn allerlei variaties, maar het is toch wel mogelijk om enkele gemeenschappelijke kenmerken te noemen.

Bekend is de typering van Barratt: Wat betreft het heil door de rechtvaardiging door het geloof zijn wij Lutheranen. Door de waterdoop zijn wij Baptisten. Wat de heiligmaking betreft zijn wij Methodisten. Door onze agressieve evangelisatie staan wij gelijk met het Leger des Heils. Maar wat de doop met de Heilige Geest betreft zijn wij Pinkstermensen.

Dat wil dus zeggen, dat er niet weinig is, dat de Pinksterbeweging met andere richtingen verbindt. Maar zij heeft ook iets eigens. Dat moeten wij vooral zoeken in de leer van de Heilige Geest.

L. Steiner, een gezaghebbend auteur uit deze kringen, schreef: Wat de Pinksterbeweging van de andere delen van de christelijke kerk onderscheidt, is de leer van de doop in de Heilige Geest en de leer van de geestelijke gaven. Dit zijn dus de hoofdthema’s.

De doop met de Heilige Geest

Hiermee wordt een bepaalde geestelijke ervaring bedoeld, waartoe de gelovigen behoren te komen.

Men onderscheidt twee soorten christenen: wedergeborenen en met de Geest gedoopten.

De doop met de Geest is aan tekenen kenbaar, vooral aan het spreken in tongen.

Het is een ervaring, zo reëel dat men plaats en tijd kan noemen. „De Pinkstergelovigen zouden op de vraag van Paulus: Hebt gij de Heilige Geest ontvangen, toen gij tot het geloof kwaamt? een ondubbelzinnig antwoord geven: Ja, wij hebben Hem ontvangen en wij weten het. Het is bijna zeker, dat ze eraan zouden toevoegen: Halleluja.”

Men moet naar de doop met de Geest staan. Er zal aan verschillende voorwaarden voldaan moeten worden: er zal overgave, gebed en geloof moeten zijn. Maar hoe te oordelen over wedergeboren mensen, die deze vervulling met de Heilige Geest missen?

Er wordt ongelijk over gedacht. In een geschrift met de titel „Onze doelstellingen en richtlijnen”, dat indertijd in Duitsland verscheen, wordt gezegd, dat niemand als werkelijk lid van de gemeente van het nieuwe verbond te erkennen is, die niet door het geloof in de Here Jezus Christus gekomen is tot een werkelijk ontvangen van de Heilige Geest.

Anderen gaan niet zover, maar stellen wel de eis, dat degenen die in de gemeenten leiding geven, met de Geest gedoopt moeten zijn.

Wat is het onderscheid tussen het werk van de Heilige Geest in de vernieuwing en in de vervulling van de mens?


Zoals gebruikelijk zal „Ambtelijk Contact” in augustus, de vakantiemaand, niet verschijnen. Het eerstvolgende nummer zal dus in de maand september uitkomen.


Men zou kunnen zeggen, dat de mens volgens de voorstelling van de Pinkstergroepen bij de wedergeboorte object is van de Heilige Geest maar bij de doop met de Geest instrument van de Heilige Geest wordt.

De geestelijke gaven

Bedoeld worden de gaven, waarover de apostel Paulus spreekt in 1 Cor. 12: 8-10.

Soms wordt er nog een rubricering van gegeven. Men onderscheidt dan de inspiratie-, aanbiddings of uitingsgaven (de gave der tongen, de gave van vertolking van tongen en de gaven van profetie), de openbarings- of instructiegaven (het woord van kennis, het woord van wijsheid en de onderscheiding der geesten) en de kracht- en mededelingsgaven (de gaven van het geloof, de gave van gezondmaking en de gave van wonderwerken).

Door deze gaven openbaart de Geest Zich in de gemeente. Zij heeft ze nodig voor het volbrengen van haar taak in de wereld en voor haar strijd tegen het rijk der duisternis.

Volgens Hoekendijk en anderen staan al deze gaven iedere gelovige ter beschikking. Het komt alleen maar op het gebruiken ervan aan!

Maar met een beroep op 1 Cor. 12: 30 wordt daartegenover gesteld, dat de gaven, die aan de leden van het lichaam van Christus geschonken zijn, verschillend zijn van karakter.

Op de voorgrond staan de tongentaal, de profetie en de gave van de genezing.

De tongentaal

Dit is wel een zeer opvallend verschijnsel.

In de meeste groepen acht men de tongentaal in de eerste plaats bestemd voor de gelovige in zijn persoonlijke omgang met God. „Dit spreken, dat door de Geest geschonken wordt en voor het natuurlijk verstand niet is te bereiken, is een geestelijk middel om de heiligste gevoelens van de ziel tot uitdrukking te brengen, die haar Heer, die zij liefheeft, aanbidt en innige gemeenschap met Hem geniet.”

Verder speelt de tongentaal een rol in de persoonlijke voorbede en in de gebeds-strijd tegen demonische machten in de onzichtbare wereld.

Maar ook in de samenkomsten wordt in tongen gesproken. Dan moet er echter iemand zijn, die het vertolkt.

Een enkele keer schijnen woorden te worden gehoord in een bestaande taal. In de regel is de tongentaal echter volkomen onbegrijpelijk. Een voorbeeld: „Schua ea, schua ea, o tschi biro ti ra pea akki lungo ta ri fungo u li bara ti ra tungo latschi ti tu ta.” Niemand zou dit kunnen vertalen. Maar in de Pinkstergroepen wordt iets dergelijks wel vertolkt. Dat zou een weergave zijn van de inhoud van de tongentaal, die geopenbaard wordt door de verlichtende werking van de Geest.

Het is overigens hoogst merkwaardig, dat het spreken in tongen een spreken tot God wordt genoemd (vgl. I Cor. 14:2), maar dat het door de vertolking geregeld verandert in een boodschap van Christus voor de gemeente. Meestal blijken het dan voorzeggingen te zijn met betrekking tot de wederkomst van Christus, beloften voor de bruidsgemeente en waarschuwingen en vermaningen met het oog op het geestelijke leven.

De profetie

Ook deze gave staat hoog aangeschreven.

Wanneer er geen wettige plaats in de gemeente aan de profetie wordt gegeven, zal naar de overtuiging van een leidende figuur als Donald Gee een zeer groot deel van Gods doel in de uitstorting van de „spade regen” van de Geest verijdeld worden.

Het is altijd een geïnspireerde uiting, maar er zijn ingevingen van verschillende orde. De tegenwoordige profetie is daarom niet op één lijn te stellen met de bijbelse profetie, die onfeilbaar is.

Degenen die met de Geest begiftigd zijn, kunnen onderscheiden of er sprake is van echte inspiratie. Bovendien is er de gave van de onderscheiding der geesten.

De profetie moet in overeenstemming zijn met de leer van de Bijbel. Zij zal zich voornamelijk richten op het gevoel, zoals de prediking gericht is op het verstand, en dienen tot stichting, vermaning en bemoediging.

Zo luidt de verklaring, die ervan gegeven wordt.

In de literatuur treffen wij allerlei voorbeelden van profetieën aan, die ons toch wel vreemd aandoen.

Soms gaan ze gepaard met visioenen.

Zo staat in „Kracht van Omhoog” van 22 maart 1963, dat een broeder in een samenkomst te Gorinchem een gezicht kreeg. De Here toonde hem een moeras, waarin vele gedaanten waren weggezonken. Ze riepen om hulp. Toen zag hij naar deze poel een groot leger soldaten opmarcheren, allen in het wit gekleed. Een ogenblik stonden zij stil aan de oever en toen liepen zij over het slijk naar de drenkelingen toe. Met grote kracht rukten zij deze mensen eruit en brachten hen veilig aan de kant.

De uitlegging was dat de Here in onze dagen nog een machtig werk van verlossing en bevrijding gaat verrichten en dat over de gehele aarde nog grote scharen gered zullen worden.

Een soortgelijke openbaring zou de evangelist A. C. Valdez ontvangen hebben. Hij zou de Here Jezus in een verschijning gezien hebben. De boodschap, die hij door moest geven, luidde:

„Mijn zoon, zeg Mijn volk dat het niet vrezen zal voor wat mensen zeggen. Het moet doof zijn voor hun meningen en alleen het oog gericht houden op de Zoon van de levende God. Van Hem is hun sterkte en zij zullen de erfenis der heiligen met de kroon der heerlijkheid ontvangen. Toen Ik op aarde kwam, was dit als een schaap voor de slachtbank. Nog steeds is Mijn genade genoeg voor allen, en mannen en vrouwen kunnen vergiffenis van hun zonden verwerven, en Ik wil hun lichamen genezen. Maar Ik kom spoedig terug en de engelen in de hemel bereiden zich op dit ogenblik toe voor deze grote plechtigheid. Tweeduizend jaar is Mijn genade er voor allen geweest. Nu zal deze tijd spoedig ten einde zijn en zullen de deuren voor goed gesloten worden.”

Aan al deze profetieën wordt in de kringen van de Pinksterbeweging grote waarde gehecht.

De gave der genezing

Men noemt de „goddelijke genezing” een van de meest essentiële gaven.

Vooral sinds 1946 is er een machtige beweging, die haar kracht zoekt in de verkondiging van de onmiddellijke genezing door het geloof in het evangelie. De oorsprong ligt ook weer in Noord-Amerika. De hoofdpersoon was de evangelist William Branham, die de genezing op het gebed predikte, nadat hem naar zijn zeggen een engel verschenen was, die hem in opdracht van God toerusten moest met de gave der genezing, en die hem verzekerde, dat geen ziekte, zelfs geen kanker hem zou kunnen weerstaan, als hij God maar eenvoudig gehoorzaam was.

Branham en zijn medewerkers getuigen van tal van genezingen, die er door hun dienst hebben plaatsgevonden.

Wij herinneren ons het optreden van T. L. Osborn, die weer beïnvloed is door Branham. Bij hem is de genezing een kenmerk van het geloof geworden. Osborn zegt in een van zijn geschriften (Zeven stappen om genezing van Christus te ontvangen), dat hij onvoorstelbare wonderen van genezing heeft gezien, met inbegrip van opwekkingen uit de dood en reiniging van melaatsen (Dat er in deze tijd doden zijn opgewekt, vind ik nergens bevestigd. Moet men dat op gezag van Osborn geloven??).

De eerste stap is: te weten, dat de dagen der wonderen nog niet voorbij zijn, en dat lichamelijke genezing ook heden nog een deel is van Christus’ bediening. De tweede stap is: Gods beloften tot genezing in de Schriften te kennen en er volkomen van overtuigd te zijn, dat ze voor u persoonlijk gelden.

De derde: te begrijpen, dat God wil, dat u gezond bent en dat alleen de duivel u wil laten lijden.

De vierde: te begrijpen dat goddelijke genezing een deel is van de redding, De vijfde: Christus vragen u te genezen, overeenkomstig Zijn beloften; en te geloven dat Hij uw gebed hoort.

De zesde: te geloven dat u, wanneer u bidt, ontvangen hebt wat u vroeg.

De zevende: Christus te prijzen voor het antwoord op uw gebed en te handelen naar Zijn belofte.

Als iemand niet geneest, ligt dat aan onkunde of ongeloof!

Van Branham heeft Osborn geleerd, dat de duivel in elke ziekte aandeel heeft, en dat wij in de naam van Jezus absolute autoriteit hebben om de „geest van een ziekte” te gebieden het lichaam te verlaten.

Bij Osborn krijgt men de indruk, dat het vanzelf gaat, als men maar gelooft!

Donald Gee drukt zich wel wat voorzichtiger uit. De „gave der genezing” is geen onbeperkte en absolute macht over alle ziekten. En L. Steiner ziet ook in een „natuurlijke” genezing Gods werk. Maar ook hij stelt, dat aan alle gelovigen lichamelijke genezing beloofd is.

Wat moeten wij van dit alles denken?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.