+ Meer informatie

DE ENE GEMEENTE EN DE VELE DOELGROEPEN

8 minuten leestijd

Als bij ons in de gemeente het heilig avondmaal bediend wordt, geven wij elkaar na afloop, bij het wisselen van de tafels, een hand. Dat heeft in het dagelijks leven terrein verloren aan veelvuldig gekus op wangen. Het voelt nog steeds onwennig, daar bij die tafel, voorin de kerk. Het is dat het een zinnig ritueel is. Wij blijven het dus doen, zij het wat stijfjes. In Frankrijk, zo ontdekten we op vakantie, gaat dat spontaner. Maar of het nu stijfjes gebeurt of natuurlijk en opgewekt, wij doen het. Wij aanvaarden elkaar voorafgaand dan wel aansluitend op het sacrament dat bij uitstek wijst op de verzoening tussen God en mensen. Het sacrament dat gemeenschap sticht en daartoe aanzet. Het klassieke avondmaalsformulier schrijft hier hymnisch over: één brood, één wijn, één lichaam.

INLIJVEN

Het christelijk geloof doorbreekt de grenzen van de individualiteit. Dat blijkt niet alleen bij het avondmaal, maar juist ook bij de doop. God wacht niet af of wij willen, maar lijft in en plaatst je daarmee in de gemeente. Kinderen van de gemeente worden ongewild opgenomen in het verbond. Zelfs zij die later toetreden, geven veelal aan dat het slechts in beperkte mate een wilsact van een individu was. Meestal zegt men dat God hen te sterk is geworden. Het christelijk geloof is in de kern zelfverlies. Een graankorrel die sterft, een begraven worden in zijn dood, een afsterven van de oude mens. Bekering is niet weggelegd voor zelfbewuste mensen. Daar is nederigheid voor nodig.

NETWERKEN

De godsdienstsocioloog Gerard Dekker stelt in zijn recente boek Heeft de kerk zichzelf overleefd? dat individualisering en differentiatie afbreuk hebben gedaan aan de kerk. Met differentiatie duidt hij op het gegeven dat moderne mensen al sinds het einde van de 19e euw deel uit maken van tal van gemeenschappen die allemaal hun eigen stempel drukken op de identiteit van de deelnemers. De gemeente is niet langer identiteitbepalend. Andere gemeenschappen (werk, sportclub, chatbox) beïnvloeden het individu evenzeer. Niet alleen in het gedrag, maar ook in zijn zelfverstaan. De impact van andere gemeenschappen dan de kerk is veelal groter. De gemiddelde sportschoolbezoeker lijkt zich gezien zijn tijdsbesteding en de wijze waarop hij op zichzelf reflecteert, drukker te maken om zijn lichaam dan om zijn ziel.

De Poolse socioloog Zygmunt Bauman laat net als Dekker zijn licht schijnen op het deel hebben aan een veelheid van gemeenschappen van de moderne mens. Maar hij benadrukt hierbij dat die gemeenschappen zelf ook geen karakter meer hebben. Ze zijn vloeibaar, grillig, dun. Het zijn allemaal losse, veelal tijdelijke en toevallige verbanden, waar het individu als een passant voor even deel van uit maakt. Verbanden of gemeenschappen zijn netwerken geworden. Zij krijgen de tijd haast niet om wortel te schieten, tradities te ontwikkelen, want netwerken wisselen steeds van samenstelling. De deelnemers settelen zich niet. Moderne mensen verhuizen veel, wisselen van werkgever, van partner, van ouder, van kerk, van politieke partij. Het ondermijnt de stabiliteit en kracht van de netwerken. Zij krijgen de kans niet om tot een gemeenschap uit te groeien.

Maar wat doet dat met die moderne mens zelf? Wat zijn de gevolgen voor mijn identiteit, mijn persoonlijkheid, mijn ziel? En wat betekent dat voor de gemeente? Want de gemeente wil ook iets met mijn persoonlijkheid. In ieder geval God. De sacramenten doen het mij lijfelijk ervaren. Het is deze vraag die mij deze zomer, door het lezen van Bauman en anderen bezig houdt.

JE DING DOEN

Op het eerste oog lijken wij te genieten van dunne gemeenschappen. Netwerken stellen weinig eisen. Ze versterken de mogelijkheid tot autonomie. Bauman formuleert het scherp. Vroeger ontving je je identiteit in de gemeenschap waartoe je behoorde. Nu gebruik je netwerken om jezelf uit te vinden, je persoonlijkheid te ontwikkelen, je te ontplooien. De moderne mens zoekt plekken waar hij gewoon en prettig ‘zijn ding kan doen’.

De sociologen Giddens, Beck en Bauman stellen dat het moderne individu het leven opvat als zijn eigen project, zijn meest persoonlijke en authentieke verhaal dat hij zelf schrijft. En voor dat verhaal maakt hij gebruik van de mogelijkheden die het leven biedt. Bij alles wat zich voordoet vraagt hij zich af of hij dat kan gebruiken in zijn project. Wij zijn consumenten van het leven geworden. Proevend, keurend, vergelijkend lopen wij door het leven. Wil ik een kind? Een partner? Wil ik iets met mijn geloof gaan doen? En na consumptie gaan we op zoek naar een nieuwe sensatie. Een andere partner, een andere god, een ander zorgobject.

KERKEN ZIJN MARKTEN

In een wereld vol consumenten van het leven verwordt diezelfde wereld tot een markt. Dat lot treft de gemeente ook. Kerken zijn markten van het geloof en de geloofsgemeenschap geworden. Met doelgroepen, marktsegmenten, marketing, modes en faillissementen. In onze gemeente loopt het kinderwerk als een lier. Als vanzelf zijn wij daardoor ook een aantrekkelijke gemeente voor jonge gezinnen, maar de ongehuwden vinden het teveel een kinderkerk of gezinskerk geworden. Voor hen lijkt een andere wijkgemeente aantrekkelijker.

In het beleid van de kerkenraad proberen wij een aanbod te ontwikkelen dat voor elk wat wils bevat. Want mensen moeten er wel wat aan hebben. Daarbij bestaat zelfs de neiging om dat door te trekken naar de kerkdiensten. Wij hebben diensten voor jongeren, kinderen, gezinnen en zelfs een keer voor alleenstaanden. Ouderen organiseren tegenwoordig soms zelf een eigen dienst als ze vijftig jaar getrouwd zijn dan wel een ander jubileum vieren. Richtte de predikant zich vroeger in separerende preken apart tot onbekeerden, nabijkomend gelovigen, bekommerde zielen en diep doorgeleiden, tegenwoordig spreekt men doelgroepen aan: ouderen, jongeren, vrouwen, mannen, hetero’s, homo’s enz. Daarbij is de boodschap veelal identitiek: ook jij mag er zijn; je bent een parel in Gods hand. Eigentijdse prediking is niet ontdekkend, maar bevestigend. Consumenten bedien je, die schrik je niet af.

ALLES WAT WE WILDEN

Onlangs was er een documentaire te zien onder deze titel. Een aantal jonge adolescenten werd geportretteerd. Zij konden doen wat ze wilden en deden dat ook. Maar… stuk voor stuk werden ze depressief en onzeker. Allen waren zij op het eerste (ook eigen) oog volmaakt toegerust om hun eigen weg te vinden. Het voortdurend kijken in de spiegel, in de documentaire ook letterlijk, maakt onzeker, bijna existentieel angstig.

Toegespitst op de kerk of de gemeente: het is de vraag of je werkelijk je religieuze zelf kunt ontplooien als je de kerk als gemeenschap gebruikt met dat doel. Wie zo kerkt of deelneemt laat de kerk maar beperkt toe in zijn of haar leven. Het is voorwaardelijk: zolang het bij mij past, bevalt of goed voelt. Uiteindelijk bepaal je dan zelf je geloof. En de essentie van het geloof is nu net dat je je toevertrouwt, jezelf loslaat. Geloven is per definitie relationeel: God en mens. En daarbij is het Gód die op je toekomt. In de kerk gaat het niet om zelfontplooiing. Voor zover het om het zelf gaat, betreft het de zelfontdekking. Dat je bang bent, eenzaam, schuldig en verlangend naar geborgenheid. Maar dat is het dan ook zo’n beetje. Voor de rest is het zaak van jezelf af te kijken. Naar de verhoogde slang, naar Jezus op het water. En rond die Messias ontstaat de gemeenschap.

AANBEVELINGEN

Laat de gemeente geen lichte gemeenschap worden. Door voor elk wat wils te willen bieden verliest de gemeente zijn ziel. Kerkenraden dienen zich bij het maken van plannen voor allerlei doelgroepen allereerst te bezinnen op de essentie van de gemeente. De gemeente is een geroepen gemeente. Bij elkaar geraapt.

Dat de gemeente een ziel heeft, door Jezus bijeen vergaderd is, vieren wij in de zondagse diensten. Daar moet het accent dus weer liggen op het geroepen zijn. Daar hoeft het niet steeds gezellig te zijn, voor elk wat wils te hebben enz. Gemeenschappen waar mensen elkaar uitzoeken, zijn dunne gemeenschappen. Gemeenschappen waar je met elkaar moet worstelen om het vol te houden (het gezin en de kerk) zijn identiteit versterkende gemeenschappen. In de kerkdienst kom je een Persoonlijkheid tegen die de kleinzieligheid van je autonomie tart en prikkelt. Jakob kwam er geschonden uit. Kreupel. Maar hij durfde daarna de rivier over. Hij was een persoonlijkheid geworden. Iemand met een naam: Israël.

Al het doelgroepenwerk is prima. Maar daar klopt het hart niet. Dat is slechts aanvullend. Dat moet in de kerkenraad en in de kerkdienst steeds weer beseft worden. De kerk is kerk op zondag. Door de week bearbeidt de gemeente de wereld. Een gemeente met een sterke identiteit doorbreekt de autonomie van de leden. Zo’n gemeente vermaant, roept tot de orde en kent een eigen levensstijl. Dat geeft allemaal gedoe. Individuen schamen zich, voelen zich buiten gesloten, komen tot schuldbelijdenis, worden boos. Net als in de dagen van Paulus. Dat zijn geen gezellige gemeenten. Maar het weerhoudt Paulus niet om hele gemeenten te zegenen en er blij mee te zijn. Onze cultuur van individualisering en dunne gemeenschappen heeft behoefte aan gemeenschappen waar de lankmoedigheid beoefend wordt. De moed om het met elkaar uit te houden. Ook als mensen onaangenaam zijn, in zonde leven, arrogant vroom zijn. Uiteindelijk lukt het Paulus alleen omdat hij zelf beseft dat het een wonder is datjezus hem geroepen heeft. Bovendien lukt het hem maar ten dele. Hij had nog wel eens een ruzie. Maar dat hoort bij gemeenschappen met een ziel.

Drs. Dekker is docent sociologie aan de Christelijke Hogeschool Ede, Jeugdouderling en schrijft regelmatig een column over geloof en cultuur in het Nederlands Dagblad.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.