+ Meer informatie

De Pelgrimsreis is voor Oud en Jong

7 minuten leestijd

62

Daarop vervolgden zij hun weg, totdat zij de Liefelijke Bergen bereikten, die het eigendom zijn van de Heer des heuvels, van Wie wij vroeger reeds gesproken hebben. Zij bestegen nu de hoogte om het oog te laten weiden over de tuinen en de boomgaarden, de wijngaarden en de waterfonteinen. Op de toppen van deze bergen waren de herders, die hun kudde weidden en zich nu vlak bij de heirweg bevonden.

Deze liefclijke bergen zijn door Gods volheerlijke openbaring ontstaan in Christus en van grote betekenis voor het geestelijke leven. Het zijn historische bergen, die spreken van des Heeren komst in het vlees, in het hart en op de wolken des hemels. Het zijn bergen waarop Hij Zijn reddende en zorgende liefde kwam heerlijk temaken. En zo blijft het spreekwoord: „Op de berg des Heeren zal het voorzien worden” van kracht voor al de reizigers naar Sion. Op de berg waarop u staat en moogt blijven staan in de beproeving van het geloof, wordt Gods gunst en goedkeuring gesmaaki tot wasdom van het geestelijke leven. Hier wordt op bepaalde tijden de weerklank van de vermaarde wijnbergen gehoord tot verheerlijking van de Heere.

Gereinigd in het geloof drinken de pelgrims op deze bergen van het water des levens. Gerechtigd door de Heere aten zij met vrijmoedigheid van de vrucht van de wijnstok en dat deed net hart vrolijk zijn in Hem.

In dienst van vorst Immanuël spreken de herders loffelijk van Zijn schapen, van Zijn land en van Zijn stad tot opwekking van het geestelijke leven. Als vanzelf werden de pelgrims nu ook gelijk als anderen ondervraagd naar de stand van hun innelijk leven.

Bemoedigd door het genot van de hartelijke herbergzaamheid kwamen zij van hun geloofsleven e’rijmoedig te spreken. De Heere wil dat wij altijd bereid zijn rekenschap te geven van de hoop die in ons is. En in het getuigenis van Zijn genadewerk geeft de Heere menigmaal het getuigenis van Zijn Geest tot bevestiging in de staat der genade, zodat hei kinderlijke leven er door tot wasdom komt. De herders, wier namen waren: Kennis, Ervaring, Waakzaam en Oprecht, namen hen bij de hand, brachten hen in hun tenten en boden hun aan van alle dingen die daar gereed stonden. En in dat aanbieden was een heilige autoriteit, want zij deden dat in de naam des Heeren. Van nemen willen de oprechten niei weten, wat ontvangen en aangenomen wordt vanuit de hand des Heeren, kan alleen tot zegen strekken.

Gaat het oog open bij het licht van de Heilige Geest voor het Goddelijk aanbieden van het beloofde heil in het Evangelie, dan wordt het hart er door vervrijmoedigd dat aan te nemen en zich toe te eigenen. Met een beschouwend nemen kan dat nooit goed gedijen. Het geeft geen moed om te leven, noch macht kind van God te worden, daar de liefde des Vaders ei in gemist wordt. En in die trekkende liefde is de kern van het geestelijke leven.

Velen zuchten in de duistenis, kunnen niet komen tot het licht van Gods vriendelijk aangezicht, daar het Goddelijk aanbieden voor hen zo bedekt is. Vanuit de Schrift kan en wil de Heilige Geest ons daarin klaarheid schenken. Hij wordt niet moe ons Christus en Zijn weldaden aan te wijzen en te prijzen, om te komen tot de omhelzing van Zijn Persoon en het deelachtig worden van Zijn weldaden. Ook zeiden de herders: „Het zal ons aangenaam zijn, indien gij hier enige tijd wilt vertoeven om samen eens nader kennis temaken en u van het goede te doen genieten, dat deze bergen opleveren”.

Blijkbaar trad Kennis hier op de voorgrond. Hij bemerkte dat de pelgrims leergierig waren. Zij ontzagen het niet een wandeling te maken over de bergen tot onderwijzing in geestelijke zaken. Om dieper geleid te worden in de dingen der eeuwigheid, gingen zij met de herders mee en genoten geruime tijd van het heerlijk vergezicht, dat zich voor hun blikken ontvouwde. ’t Was deze mannen ten zeerste aangenaam de Koning te aanschouwen in Zijn schoonheid en het vergelegen land dat getuigt van Zijn heerlijkheid. Voor de oprechten is het zo profijtelijk met steeds meer klaarheid te mogen blikken in de heerlijke toekomst die hun wacht. Want dat doet het hart steeds meer jagen naar de volmaaktheid. Uw Heere gelijkvormig te mogen zijn is toch wel het allerbegeerlijkste voor het nieuwe leven.

Daarop zeiden de herders: „Zullen wij deze pelgrims ook nog enige merkwaardigheden laten zien?” En nu voerden zij hen eerst naar de top van de heuvel, genaamd Dwaling, die aan de ene zijde zeer steil was.

Hier deden zij hen een blik slaan in de afgrond, keken in de diepte en ontwaarden de lijken van veel personen, die van boven neergestort, verpletterd en verminkt op de bodem lagen.

Op de vraag van de pelgrim: „Wat betekent dit?” werd geantwoord door Kennis: „Hebt gij niet gehoord van degenen die tot deze dwaling zijn gekomen door het oor te lenen aan Hymeneüs en Philetus aangaande het geloof in de opstanding van het lichaam?”

„Ja”, was het antwoord. En toen zeiden de herders: „Dezen zijn het die hier verpletterd liggen op de bodem van de afgrond. Zij liggen daar, gelijk gij ziet, onbegraven; tot een waarschuwend voorbeeld v.oor anderen, opdat zij mogen toezien om toch niet te hoog te willen stijgen of zich te dicht aan de rand van de afgrond te wagen”.

Door niet van harte te buigen voor de majesteit van het Woord, gaat men op in een godsdienstig geredeneer en dat voert het ijdele hart gewoonlijk van kwaad tot erger. Laat ons dan altijd weer denken aan dit woord: ”Tot de wet en tot de getuigenis! Zo zij niet spreken naar dit woord, het zal zijn dat zij geen dageraad zullen hebben”. De Schrift waarschuuwt ons voor veel gevaren.

’t Was de herders ook zeer bekend dat het klimmen over het hek de reizigers naar Sion deed komen in de greep van reus Wanhoop. Zodat het de pelgrims opnieuw een groot wonder van Gods genade was nu te mogen verkeren op de liefelijke bergen om onderwezen te worden door de herders in de weg der zaligheid.

Opdat deze pelgrims met des te meer beslistheid des harten biddende zouden volharden op de weg naar Sion, hebben de herders hen ook nog laten blikken in de buitenste duisternis bij het licht van de Schrift. Door niet te volharden in het geloof met een goed geweten hebben sommigen van het geloof schipbreuk geleden. Door niet recht werkzaam te zijn met een onerger lijk geweten in de dingen van Gods koninkrijk, dwalen wij van het rechte spoor en dat voert ons naar de eeuwige duisternis. Dat zijn aanvankelijk kleinigheden naar men meent, maar daar zit een geweldige stuwkracht in ten verderve.

Wel schreeuwt men dan met geweld tegen een bepaalde zonde, een overtreding van menselijke inzettingen, om daarmee de grootste gruwelstukken te bedekken.

Een leugen is naar men meent maar een kleinigheid, terwijl de Schrift het een gruwel noemt, een duivelswerk. En toch vindt men dat zo erg niet. Maar de herders hebben er tegen getuigd daar het een mens ten verderve voert.

De Heere ziet naar waarheid in het binnenste. Bij het verlaten van de herders om Verder te reizen, waren de pelgrims niet in staat met klaarheid de hemelpoort te aanschouwen. En begrijpelijk, zij waren onder de indruk van het omkomen in de buitenste duisternis, door niet te volharden op de weg der gehoorzaamheid. Vanuit al die verschrikkingen kan een gelovige zich zo maar niet in eens met zijn gedachten verplaatsen in de heerlijkheid van het hemelleven.

Laat ons in al die gevaren het voorbeeld van Paulus ter harte nemen, anneer hij zegt: ”En hierin oefen ik mijzelf, om altijd een onergerlijk geweten te hebben bij God en de mensen”.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.