+ Meer informatie

Columbus heeft Amerika niet ontdekt

Op wereldkaarten uit veertiende eeuw staat Amerika al

18 minuten leestijd

In 1492 bereikte Christopher Columbus een eilandje voor de Amerikaanse kust. De zeevaarder had zich aanzienlijk in de afstand vergist. Hij meende Indië ontdekt te hebben en noemde de eilandbewoners Indianen. Deze gebeurtenis, dit jaar vijfhonderd jaar geleden, wordt als de ontdekking van Amerika gevierd. Opnieuw een vergissing, omdat Amerika al lang vóór Columbus door andere volken was bezocht. De Colombiaanse hoogleraar Gustavo Vargas heeft daar bewijzen van. Maar wat gebeurde er na 1492? De Spanjaarden gingen op zoek naar het "grote goud". Met alle gevolgen vandien.

„Columbus was niet de eerste die Amerika bezocht. Hij wist dat, want hij beschikte over informatie van illegale zeereizen, die voor zijn tocht waren gemaakt." De Columbiaanse schrijver Gustavo Vargas bladert tussen een stapel tijdschriften en kaarten. Hij is net klaar met z'n zestiende boek over het bezoek van de Chinezen aan Amerika in de zesde eeuw.

De in Mexico-Stad wonende hoogleraar-filosoof windt zich op over de feestdrukte die in Europa en de Verenigde Staten is losgebarsten over de ontdekking van Amerika door Columbus. „Als je mij vraagt wat er op 12 oktober 1492 is gebeurd, is het antwoord: Niets, maar dan ook niets! Columbus was een van de velen die Amerika op hun reizen aandeden."

Deze opvatting is geen verrassing. Het is algemeen bekend dat vreemdelingen lang voor Columbus Amerika hadden ontdekt. In de zesde eeuw zeilden de Chinezen met een boeddhistische missie naar het Oosten, in de tiende eeuw waren de Vikingen op bezoek gekomen, op zoek naar hout en handel, en in de dertiende en veertiende eeuw waren het Genuanen en Venetianen.

Kerkelijk verbod
De laatsten maakten die reizen illegaal. In die tijd meende men dat de wereld even ten westen van de Canarische eilanden ophield te bestaan. Wie het waagde daar voorbij te gaan, zou van de aarde aftuimelen en in een wereld terechtkomen van monsters en gedrochten. Vanuit dat standpunt werden de kaarten, onder anderen door Ptolemeüs, ook getekend. Westelijk van Europa was er niets, de Kerk verbood elke reis in die richting.

Dat nam niet weg dat talloze zeevaarders hun nieuwsgierigheid niet konden bedwingen. Ze voeren stiekem naar het Westen (al dan niet met de bedoeling een handelsroute naar India te zoeken) en kwamen (soms) met wilde verhalen terug. Die informatie kwam vaak bij de paus terecht, toen een machtsfactor van betekenis. De paus wilde de hele wereld regeren en had daarom cartografen in dienst, die alle informatie verzamelden die binnenkwam van reizigers en zeevaarders.

Veertiende eeuw
Op sommige van die kaarten staat het Amerikaanse continent getekend, lang voor Columbus daar voet aan wal had gezet. Gustavo Vargas laat de eerste kaart zien. Het is een tekening uit de zestiende eeuw met informatie uit de veertiende eeuw. Geheel links op de kaart is Amerika te zien. Hoe weet men dat de kaart zo oud is?

De demarcatielijn, de verdeling tussen Portugal en Spanje, Portugees en Spaans gebied, staat er niet op. Die lijn werd in 1493 getrokken, een jaar na de eerste reis van Columbus naar Amerika. Een andere kaart is van Zorzi, een Venetiaan, uit 1558, met informatie uit 1380. Na intensief onderzoek bleken de eilanden links op de tekening niet Schotland te zijn, maar Amerika.

Vargas haalt een foto van de globe van Behaim te voorschijn. De globe is van 1492 en laat twee werelddelen zien: Europa/Azië èn Amerika. Officieel kon dat toen nog niet. Ten westen van Portugal was er immers niets.

Schiereiland
De meest opzienbarende kaart is die van Martellus. Vargas: „De kaart van Martellus is revolutionair wat betreft de interpretatie van de ontdekking van Amerika. Het is een van de belangrijkste bewijsstukken dat Europeanen al van Amerika wisten aan het eind van de vijftiende eeuw."

In 1906 werd de kaart in de bibliotheek van het Vaticaan ontdekt door de Duitse pater Fuscher. Hij verkocht de kaart aan het British Museum, waar er pas in 1941 onderzoek naar werd gedaan door de cartograaf Almaggia. Deze Italiaan vermoedde dat de kaart met Columbus te maken zou kunnen hebben, maar beschouwde het meest oostelijke schiereiland, door hem het vierde Aziatische schiereiland genoemd, nog niet als Amerikaans land.

Pas in de jaren tachtig ontdekten een aantal wetenschappers, onder wie Vargas, dat het schiereiland Amerika is. De Belg Paul Gallez deed onderzoek naar de hydrologie, Almaggia bestudeerde de kustlijnen en Vargas vergeleek de overeenkomsten tussen oude kaarten, documenten en de kaart van Martellus.

Vargas: „De rivieren en meren komen overeen met de Orinoco en de Amazone en de meren Eupana en Parima, waar de Amazone destijds deel van uitmaakte. De kaart bevat twee grote fouten. De Stille Oceaan staat er niet op en de Indonesische archipel zit aan de verkeerde kant. Columbus had dat waarschijnlijk in de gaten. Hij beschikte over informatie van Marino Retiro en van zeevaarders die driehonderd jaar voor Christus over "een grote oceaan" spraken."

Columbus
Hoe weten we dat de kaart van vóór 1492 is? Afrika staat er duidelijk op. In een begeleidende tekst staat dat de Portugese zeevaarder Bartolomeus Diaz het jaar daarvoor rondom Afrika was gevaren. Dat was in 1488. Martellus tekende de kaart een jaar later.

Vargas: „De tekening van Amerika is opmerkelijk. In die tijd was er immers niets onder de evenaar. De Indische Oceaan bestond niet en de paus had geen toestemming gegeven het Oosten te beschrijven. Op de kaart komen dus geen plaatsnamen voor, maar wel de rivieren, die met de Amerikaanse rivieren overeenkomen."

Maar wat is nu de relatie met Columbus?
„Op zijn reis in 1492 werd hij vergezeld door twee door de wol geverfde zeevaarders, Martín Pinzón en Vincente Yáñez Pinzón, zoons van de bekende zeevaarder Vincente Pinzón. Hun vader was rond 1470 met Scolbutz al eens naar Amerika gezeild en stond bekend als een van de beste zeezeilers van die tijd. Het was ook Pinzón die de kaart van Martellus in de privébibliotheek van paus Innocentius de Achtste aangetroffen had.

De kaart en de kennis van de broers over hun vaders reizen kwamen Columbus op zijn reizen goed te pas. Columbus heeft waarschijnlijk Martin Behaim gekend, de Duitser van de globe van de twee werelddelen. Behaim gaf navigatielessen op de zeevaartschool in het Portugese Sagres. In die tijd studeerde Columbus hetzelfde vak in Sagres."

Haïti
Een andere lijn tussen Columbus en zijn kennis over Amerika is Sánchez de Huelga, een Portugese slavendrijver, die doodziek op het eiland Madeira aanspoelde. Het was net in die dagen dat Columbus op toestemming voor z'n grote reis wachtte. Met grote aandacht luisterde hij naar de verhalen van de zeevaarder, die na zware storm op Haïti was terechtgekomen.

Sánchez de Huelga zou daar geruime tijd zijn gebleven en verschillende expedities hebben ondernomen. Op de terugweg werd de complete bemanning geveld door een mysterieuze ziekte. De Portugees slaagde er nog in Madeira te bereiken en werd daar tot z'n dood door Columbus verzorgd. Op basis van de geografische en nautische gegevens van Sánchez de Huelga paste Columbus zijn berekeningen aan en bereidde zich voor op de grote reis.

Volgens Vargas wist Columbus van die kaart. „Hij had hem zelf of maakte gebruik van de informatie van de gebroeders Pinzón. Columbus schreef regelmatig in brieven dat hij Hanshou in China had bereikt. In werkelijkheid was hij dus op de Amerikaanse eilanden, maar hij meende in China te zijn. (Vroeger was China hetzelfde als Indië.) Hij was op zoek naar „mensen met juwelen", die zich in de buurt van "zoete en zoute meren" zouden bevinden. Die meren lagen niet bij Hanshou, maar bij Tenochtitlán, toen de hoofdstad van de Azteken, nu Mexico-Stad en destijds door Martellus op z'n kaart getekend."

Discussie
„Jaren na de dood van de beroemde zeevaarder ontbrandde er een discussie tussen zijn nakomelingen en de Spaanse overheid. Die briefwisselingen brachten interessante feiten aan het licht over de kennis van Amerika die men vóór Columbus al zou hebben gehad.

De Spaanse overheid probeerde namelijk te voorkomen dat de familie van Columbus de rechten van Amerika zou opeisen. Er werd gezwaaid met verschillende bewijsstukken, op grond waarvan men zei dat de familie nergens recht op had en Amerika al lang vóór Columbus was ontdekt. De overheid kreeg hierbij hulp van de familie Pinzón, die met de kaart van Martellus op de proppen kwam."

Waarom was Columbus naar Amerika vertrokken? Aan het eind van de vijftiende eeuw was de handel tussen Europa en Azië flink geblokkeerd door Joden en Arabieren. Er moesten dus andere handelswegen gezocht worden om aan de zo begeerde produkten (zilver, zijde, specerijen) uit het Oosten te komen.

Politiek doel
Volgens Gustavo Vargas was de handel 'een' reden, maar had de reis naar het Westen vooral een politiek doel: het sluiten van een verbond tussen de paus en de keizer van China tegen de oprukkende Joden en Arabieren. Er waren plannen voor een "Joods Reservaat", het "Judea Claustr", een soort deportatiekamp voor gevangen genomen Joden, noordelijk van China. Het Vaticaan financierde de reis en gaf Columbus een stapel brieven mee voor de onderhandelingen.

Een derde reden voor de reis was de verbreiding van het christendom, maar dat kwam, volgens Vargas, pas later aan de orde. „Dat bedacht men later allemaal." Het "Judea Claustr" is te zien op de kaart van Behaim uit 1492. Volgens de Amerikaanse historicus Alice Gould zouden er op de reis van Columbus naar Amerika al Joden meegenomen zijn. De bemanning bestond uit 89 geregistreerden en 30 illegalen. De laatsten waren de Joden die ontsnapt waren aan vervolging in Spanje, maar gedwongen werden om het land te verlaten.

Columbus heeft twee dagen gewacht om ze op te nemen, vertrok en heeft ze afgezet op de Amerikaanse eilanden, waar nooit meer een spoor van hen teruggevonden is.

Invasie...

De reis van Columbus is van groot belang voor de scheepvaart geweest, aldus Vargas. „Hij wist hoe hij terug moest. Of hij had het eerder gedaan, òf hij wist het van Sanchez de Huelga. Dat is zijn verdienste. Hij had z'n reizen goed opgetekend.

Het vervelende is, dat daarmee de hele geschiedenis is verdraaid en is verdeeld in een pre-Columbiaans en een post-Columbiaans tijdperk. Dat slaat nergens op; en uitgerekend dat wil men nu vieren. Maar er valt helemaal niets te vieren of te herdenken. Vijfhonderd jaar geleden werd er niets ontdekt. De invasie van Amerika begon, dat wel, maar is dat nu een feest waard? Welk verstandig mens viert er nu een invasie...?"

Cortés
Na Columbus dobberden er nog heel wat Spanjaarden voor de Middenamerikaanse kust. Ze waren op zoek naar goud en wisten niet precies hoe ze het met de argwanende Indianen moesten aanleggen. Toen Grijalva echter met een indrukwekkende buit uit het Maya-rijk in Cuba terugkeerde, sloegen bij gouverneur Velazquez alle stoppen door. Hij bereidde de grootst mogelijke expeditie voor naar het "Rijk van het Goud" en benoemde Hernán Cortés tot bevelhebber.

De echte invasie begon. In het jaar 1519 bereikte zijn vloot het eilandje Cozumel, voor de kust van Yucatán. Daar werd men opgewacht door duizenden Indianen, die na eerdere vechtpartijen met de Spanjaarden nu eens en voorgoed met dat baardvolk wilden afrekenen. Maar Cortes was uit ander hout gesneden dan zijn voorgangers. De kapitein was een intelligent strateeg, voor niemand bang en vastberaden.

Zijn leger maakte indruk met het bulderende buskruit en de in Amerika nog onbekende paarden. Cortes bracht de Indianen een flinke nederlaag toe, zeilde rondom het schiereiland en besloot in Villa Rica de Vera Cruz zijn ankers uit te werpen.

Vera Cruz
Vera Cruz werd het begin van het Spaanse Rijk. Hier onderhandelde hij met de koning van de Azteken, Montezuma, en hier boorde hij zijn eigen schepen lek, om te voorkomen dat ontevreden manschappen naar Cuba zouden terugkeren.

Velázquez, de gouverneur van Cuba, had al verschillende pogingen gedaan om de ambitieuze kapitein wat af te remmen. Cortés had dit bijtijds aangevoeld, de orders van Velázquez in de wind geslagen en was op eigen houtje toch gaan varen. In feite was hij dus illegaal, zonder toestemming, in dit vreemde land. Men zou hem later nog dankbaar zijn.

Vijfhonderd jaar later is Vera Cruz nog steeds de klamme stad in het "tierra caliente" (warme land). Het is nog altijd de belangrijkste haven van het land en bekend vanwege z'n "Zócalo", de wandelpromenade, waar talloze restaurantjes en bars gevestigd zijn.

Wie daar met een koel drankje even de warmte wenst te vergeten, wordt doorlopend benaderd door een eindeloze rij straatverkopers, bedelaars en schoenpoetsers. Vooral 's avonds passeert er een lange stoet van dwergen, goochelaars en vooral muzikanten. Elke dag opnieuw sjouwt men de clavecimbel, de contrabas of de harp naar het plein of de "Zócalo" en vraagt de aanwezigen of er een liedje ten gehore gebracht kan worden.

Ik zie weinig toeristen, op een enkele langharige Duitser na, die hardnekkig door een kale, dronken Mexicaan wordt lastig gevallen die z'n haardos met hem wil ruilen.

Cortés' huis
Zo'n dertig kilometer noordelijk van Vera Cruz ligt La Antigua. Daar staat het huis van Hernán Cortés, toen vlak naast de rivier gebouwd, maar nu zeker op een kilometer afstand ervan, nadat de rivier zichzelf langzaam heeft verplaatst.

Het was eerst even zoeken naar dat huis. Pas toen kinderen naar een dicht bos wezen, zag ik 't, overwoekerd door oude, zware bomen. Dat was nog eens een ruïne. Geheel en al aan de natuur overgelaten, door zware wortels bekabeld en met groene varens behangen. Alsof met deze sterke, oude vijgeboom de kracht wordt uitgebeeld waarmee Cortés een oude beschaving heeft vernietigd en een andere heeft doen ontstaan.

Nadat hij in Vera Cruz was geweest, was Cortés opgetrokken naar Tenochtitlán, de trotse hoofdstad van de Azteken. Hij slaagde erin Montezuma op de knieën te krijgen en de hoofdstad te veroveren. Maar Cortés moest nog terug, door een haag van duizenden Azteken, vierhonderd kilometer omlaag naar Vera Cruz.

Uitgeput
De terugtocht uit Tenochtitlán staat bekend als "la noche triste", de rouwnacht. Met grote moeite slaagde Cortes erin het Indiaanse cordon te doorbreken. De prijs was hoog. Vierhonderdvijftig Spanjaarden kwamen om (tegen zo'n vierduizend Indianen), vrijwel iedereen was gewond, er waren slechts drieëntwintig paarden over en alle kanonnen, munitie en vuurwapens waren verdwenen.

Zes dagen lang trok Cortes met zijn mannen in oostelijke richting. Doorlopend vechtend, verdwalend en uitgeput door honger. Op de zevende dag bereikten ze in de ochtend de heuvelrug die de vlakte van Otumba begrenst. Daar werd hun de weg versperd door de tot dan toe grootste legermacht van de Azteken. Zo ver het oog reikte wemelde het van krijgers.

Met veren uitgedost, gehelmd en bewapend. Otumba zou de grootste beproeving voor Cortés worden. Ik sta in de vallei waar de slag plaatsvond. De bergen zijn hetzelfde, alleen de bossen ontbreken. Hier hebben de Spanjaarden en de Azteken elkaar gezien. En elkaar gehoord als de wind gunstig stond. Spanje zag de kleurige hoofdtooien van de Indianen en de Azteken zagen de flikkeringen van het Spaanse staal.

Vernietiging...
Cortés kon niet meer terug naar Tenochtitlán. Er was maar één weg. Een wanhoopsoffensief dwars door de vijandelijke linies. In de ochtend van de zevende juli 1520 daalden de Spanjaarden in de vallei af. Onder de brandende zon werd er urenlang gevochten. Het enorme Azteekse leger stond op het punt de Spanjaarden een vernietigende slag toe te brengen.

Tot Cortés de bevelhebber van de Azteken met z'n kleurige mantel en hoge hoofdtooi herkende en zich daar onmiddellijk op wierp. Van de verwarring en de aarzeling die daarop bij de Azteekse krijgers ontstond, maakten de Spanjaarden gelijk gebruik. Ze verzamelden hun laatste krachten, zetten aan tot een enorm offensief en achtervolgden de in paniek gevluchte Indianen tot ver over de heuvels.

Tegen de avond had Cortés de slag gewonnen. De weg naar huis was nog lang en vele gevechten zouden nog volgen. Pas later besefte men dat de veldslag in deze vallei van doorslaggevende betekenis is geweest voor de voortzetting van de expeditie van Hernán Cortés en de vernietiging van een Indianen-cultuur.


Wat vinden de Indianen ervan?

Zowel in Zuid-Europa als in Amerika bereidt men zich voor op het grote herdenkingsfeest. Men meent in 1492 de aanzet gegeven te hebben tot een moderne, westerse wereld. In Guatemala discussieerden Indianen uit Noord- en Zuid-Amerika eind vorig jaar een week lang over de negatieve gevolgen van de "ontdekking" van Columbus. De toon van de sprekers was meestal scherp en strijdvaardig. Wat vond men van de feestplannen?

Moises Arcos, Indiaan uit Ecuador: „Wat moet er nu toch gevierd worden? Dat mijn volk zich nu zo schaamt om indiaans te zijn? Terwijl we vroeger zo spiritueel en zo hoog-ontwikkeld waren... Hoe heeft dat toch allemaal kunnen gebeuren, ik begrijp het gewoon niet..."

Gustavo Gutiérrez, vertegenwoordiger van de Chicanos in Arizona (VS): „Vieren? Dat onze cultuur vernietigd is, onze taal, moeten we dat vieren? Dat we de mazelen hebben gekregen en de waterpokken? Dat onze natuur vervuild en vernietigd is? Er valt hier niets te vieren."

José Albino de Melo, afgevaardigde van een arbeidersbeweging in Sao Paulo, Brazilië: „Wat is er in 500 jaar veranderd? Indianen zijn massaal uitgeroeid, negers worden gediscrimineerd en de arbeiders in de fabrieken verdienen een hongerloontje. Ons land is bezet door multinationale ondernemingen, het water is vervuild, het bos wordt gekapt en onze rijkdommen worden geplunderd. Wat valt er te vieren in een land waar duizenden op straat leven en er in de eerste helft van 1991 in een stad als Sao Paulo 427 kinderen door para-militaire troepen zijn vermoord?"

Edgar Montenegro, coördinator van een burgerbeweging in Bogota, Columbia: „De herdenking moet wèl plaatshebben. Omdat dit een kans is ons bestaan politiek, cultureel en economisch te analyseren. Elke verovering wordt gevierd. Onze bevolking heeft daar niet zoveel reden toe, want die heeft wel wat anders aan z'n hoofd. Alleen al dit jaar hadden er in Columbia zestig moorden plaats om politieke redenen. Daarnaast worden er in de steden elke dag vijf mensen gedood. Laten we dit maar herdenken, al was het maar om te voorkomen dat er weer zo'n periode van 500 jaar zal aanbreken."

Heinz Dieterich (Duitser) organisator van de conferentie: „Ons beeld van inheemse volkeren moet veranderen. We moeten ophouden met die romantische ideeën over die Indianen op een stukje land. Ze moeten de kans krijgen om deel te nemen aan onze moderne samenleving. Want zolang ze op hun oude manier voortleven, zullen ze altijd arm blijven, vernederd worden en verstoken zijn van mensenrechten. Als we niets doen, zullen deze mensen vroeg of laat verdwijnen. In Brazilië woonden in 1492 vijf miljoen Indianen, nu nog maar 200.000."


Columbus in boeken

De herdenking van "1492" heeft al een stroom boeken opgeleverd. De vier hier besproken werken zijn minder identiek dan de titels doen vermoeden. Het boek uitgegeven door SUN bevat de kroniek die Columbus van zijn eerste en meest opzienbarende reis heeft bijgehouden. Een compleet verslag, in die zin, dat het een vertaling is van de bewerking die Las Casas later van de kroniek maakte.

Bartolomé de las Casas, later dominicaner monnik, was een groot bewonderaarvan Columbus en is beroemd geworden om de felle aanklachten over het gedrag van de laterere veroveraars die hij met grote regelmaat schriftelijk naar het Spaanse hof zond. De kroniek is compleet met verklarende aantekeningen van de vertaler en een beknopte, goede historische inleiding.

Cohen
Het boek van Cohen, de vertaling van de Engelse versie van 1968, beschrijft niet alleen de eerste tocht van Columbus, maar ook de tweede, de derde (op de terugreis werd Columbus geboeid naar Spanje gevoerd, op beschuldiging van wanbeheer) en de vierde.

In dit boek een samenvatting van Columbus' logboek van de eerste reis, plus verslagen en brieven van de volgende drie. Dit alles doorweven met fragmenten uit de levensbeschrijving van Columbus door zijn eigen (bastaard)zoon Hernando en uit andere documenten van tijdgenoten.

Monegal
Het boek van Rodriguez Monegal is nog weer breder. Hij citeert letterlijk uit geschriften van 31 mannen en vrouwen die iets met de Nieuwe Wereld van doen hebben gehad. Elk artikel wordt voorafgegaan door een historische inleiding op de auteur die aan het woord komt.

Die auteurs zijn Columbus, Las Casas, veroveraars, Indianen, jezuïeten uit de periode volgend op de ontdekking, maar ook een beroemde halfbloed als Garcilaso Inca, die in prachtig Spaans over zijn Indiaanse geboorteland schrijft, of een gewoon soldaat als de Duitser Hans Staden." Ook aandacht voor de daden van de Portugezen in Brazilië en de veroveringen aan de oostkust (Argentinië), gebieden die in veel recente publikaties over '1492' verwaarloosd worden.

Dit boek geeft een zeer veelzijdige kijk op de invasie van de Nieuwe Wereld. De verslagen eindigen in de periode van de onafhankelijkheidsoorlogen van de Spaanse en Portugese koloniën in de negentiende eeuw. Het boek is zo helder geschreven dat het voor iedere belangstellende toegankelijk is.

Lemm
Wie nóg breder geïnformeerd wil worden en onomwonden uitspraken lezen over de hete hangijzers in de waardering van de Spaanse en Portugese veroveringen, kan grijpen naar het boek "Ochtend van Amerika" van Robert Lemm.

Deze Amsterdamse literator en vertaler beschrijft leven en denken in de Indiaanse wereld van vóór Columbus en in een tweede hoofddeel de Spaanse veroveringen. Hij vat een grote hoeveelheid, vooral Spaanse, literatuur samen. Een van zijn opvallendste stellingen is dat koningin Isabel en koning Ferdinand het wel degelijk als een 'roeping' voelden het christendom naar de nieuwe mensen te brengen. „Dat ze daarvoor gecompenseerd werden was vanzelfsprekend.

De opinie evenwel, dat de Kroon alleen maar op gewin uit was, is modern, dateert van na de achttiende eeuw en weerspiegelt een tijd die economie als godsdienst aanhangt."

N.a.v. "De ontdekking van Amerika" door Christoffel Columbus; uitg. SUN, Nijmegen, 1991; 239 blz.; ƒ 22,95;
"De vier reizen van Columbus" door J. M. Cohen; uitg. M & P, Weert, 1991; 238 blz.; ƒ 29,90;
"De ontdekking van Amerika" door Emir Rodríguez Monegal; uitg. Kosmos, Utrecht, 1991; 223 blz.; f 34,90;
"Ochtend van Amerika" door Robert Lemm; uitg. Kok Agora, Kampen, 1989; 265 blz.; ƒ 39,90.

A. Stam

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.