+ Meer informatie

5. COMMUNICATIEMEDIA

14 minuten leestijd

A. BIJBELSE OVERWEGINGEN OVER COMMUNICATIE

Het behoort tot het wezen van de mens, dat hij is aangelegd op communicatie. Dit blijkt al uit het feit dat de mens geschapen is als man en vrouw (Gen. 1 :26, vlg. 2 :18). Vrijwel elke daad, elke uiting van de mens is een vorm van communicatie en heeft een aspect dat op communicatie met de ander is gericht.

Communicatie is te omschrijven als:

Het in contact treden van de ene mens met de andere, door spraak, schrift, beeld en lichamelijke expressie, waardoor men elkaar deelgenoot kan maken van eigen belevenissen, gedachten en gevoelens. Deze intermenselijke communicatie maakt het mogelijk op de ander denkbeelden en denkschema’s over te brengen.

Nog wezenlijker voor het mens-zijn is de relatie van de mens tot God. De mens is geschapen naar Gods beeld, hij is aangelegd op communicatie met de Here. Hij kon in de rechte verhouding met God omgaan.

Nadat de mens van God afgevallen was, heeft de Here God de verstoorde communicatie niet totaal verbroken. Dat blijkt reeds duidelijk uit Gods eerste woord na de zondeval: „Waar zijt gij?”

God zoekt communicatie met de mens. Echter is het herstel van relatie en de communicatie met God slechts mogelijk door genade.

De zonde, die de verstoring van de communicatie met God inhield, heeft niet het minst ook het gebied van de intermenselijke communicatie aangetast. Ook hier geldt dat Gods genade nieuw kan maken wat gebroken is. Men kan zeggen dat waar in de relatie van de ene mens tot de andere de band met God niet wordt meebeleefd, er iets wezenlijks aan ontbreekt.

Wat de communicatie diepgaand aantast, bedrog, misleiding, leugen, onwaarachtigheid, leert de bijbel ons zien als zonde tegenover God. Gods genade leert ons die bestrijden en opent nieuwe wegen tot elkaar. Hoe diep grijpen deze dingen in het mensenleven in en welk een breed terrein bestrijken ze!

Het negende gebod bedoelt nadrukkelijk de normen van waarheid en liefde aan te leggen aan de communicatie. De omgang met elkaar dient te staan in het teken van het dienen van elkaar. De vervulling van Gods geboden is alleen mogelijk in het geloof. Buiten de kennis van Jezus Christus is de mens niet in staat tot het betrachten van die liefde, en dus van die communicatie, waartoe hij door God is bestemd.

Tegelijk mag worden opgemerkt, dat ook op dit terrein de doorwerking van de zonde gelukkig nog beperkt wordt. Besef van de noodzaak van waarachtigheid, barmhartigheid, liefde, betrouwbaarheid wordt door Gods goedheid ook buiten het geloof om nog gevonden. Ook al is de weg tot het beoefenen van deze dingen buiten Christus om ten slotte een doodlopende weg.

Werkelijke communicatie, waarin mensen elkaar ontmoeten van hart tot hart, is er waar de gemeenschap der heiligen beleefd wordt. Derhalve binnen en door de christelijke gemeente.

In eerste instantie is de plaats van deze communicatie de eredienst, waarin Woord en sacrament centraal staan. Daar spreekt de Here telkens weer tot ons en verwacht Hij van ons een antwoord. Het begrip gemeenschap wordt daar effectief omdat het wordt beleefd door de kracht van de Heilige Geest.

Vanuit de eredienst ontvangt dit zijn uitwerking in het gemeentelijk leven van elke dag. Daar is communicatie omdat de een zich inzet voor de ander. Er wordt naar de ander geluisterd. Er is begrip voor elkaar als de ander moeilijke tijden doormaakt. De gemeente functioneert als het lichaam van Christus waarin elk lid van de gemeente de ander nodig heeft (1 Cor. 12 :12–27). Het feit dat in het N.T. zoveel woorden worden gewijd aan het vermanen van de gemeente tot deze functionering bewijst, dat de zonde ook hier nog een grote rol speelt.

Hoe meer de wederkerigheid in de relatie tot God wordt beleefd, hoe meer dit ook in de omgang met elkaar uitkomt. Deze omgang is gebonden aan de wet van de liefde en de waarheid waarin men elkander niet kwetst (1 Cor. 13:5).

Menselijke maatstaven mogen daar geen doorslaggevende invloed uitoefenen.

Deze beleving van de christen binnen de gemeente is ook normerend voor de wijze waarop hij in de samenleving communicatie beoefent. Tegelijk worden deze regels toegepast bij het ontvangen van al wat via de communicatiemedia tot ons komt.

Met andere woorden, de christen wordt vanuit het bovengenoemde uitgangspunt in staat gesteld het ontvangene te beoordelen naar de bijbelse normen voor een juiste communicatie. Daarbij volgt de christen de regel van 1 Thess. 5 :21,22: „Toetst alles en behoudt het goede. Onthoudt u van alle soort van kwaad”.

B. MEDIA EN COMMUNICATIE

Als we de mogelijkheden van communicatie beschouwen die geboden worden door de moderne communicatiemedia - pers, radio en televisie - komt een aantal nieuwe factoren in het geding.

1. Allereerst is er de vraag in hoeverre de zogenaamde massamedia thans wezenlijk bijdragen aan communicatie. Is er niet sprake van een voortdurende stroom van informatie en beïnvloeding, waaraan het element van de wederkerigheid ontbreekt? Wordt er niet meer gemanipuleerd dan gecommuniceerd? Vooral bij de radio is er een tendens merkbaar rechtstreekse reacties van luisteraars in de programma’s in te bouwen maar ook dan zijn de mogelijkheden om daar op een eenzijdige en gekleurde manier gebruik van te maken nog aanwezig. De mogelijkheid van weerwoord op zichzelf, kan nog te kort doen aan de wezenlijke betekenis van de wederkerigheid. Daarom is ook een visie op de mens en de wereld nodig waarin aan de onder A. gestelde uitgangspunten recht wordt gedaan. Gelegenheid geven tot het hebben van een eigen inbreng aan lezers, luisteraars en kijkers kan nog een oppervlakkige communicatie opleveren, al moet het gebruik maken van deze mogelijkheden positief worden gewaardeerd.

In dit verband valt ook te denken aan het aspect van nazorg op de ontvangen reacties op bepaalde programma’s. Soms worden zulke ingrijpende problemen aangeroerd en emoties losgemaakt, dat het noodzakelijk is mensen ook achteraf persoonlijk te kunnen opvangen. We zien dit ook hoe langer hoe meer gebeuren binnen een bepaalde vorm van radio-pastoraat c.q. diaconaat.

Deze ontwikkeling roept wel de vraag op naar de relatie met de ambtelijke dienst binnen de christelijke gemeente. Steeds duidelijker wordt weliswaar dat via de media hulp verleend wordt aan mensen en groepen, waar de kerk geen greep meer op heeft of waar ze te kort schiet. In veel gevallen zal een goede samenwerking met de kerken van grote betekenis zijn.

2. Samenhangend met het gebrek aan wederkerigheid in de communicatie via de media is de vraag van belang, welke ideologische invloed er van de schrijvers en programmamakers uitgaat. De keus van een onderwerp en de gezichtshoek van benadering bevat altijd een subjectief element. Ook kan doelbewust van een bepaalde ideologie worden uitgegaan. Hier is in geding de spanning tussen communicatie enerzijds en de waarheid anderzijds.

In het moderne denken over communicatie wordt veelal van de stelling uitgegaan dat waar communicatie geschiedt de waarheid wordt gevonden. De waarheid is geen objectief gegeven waar je van kunt uitgaan. In de communicatie met elkaar groeien wij de waarheid tegemoet. Een waarheid waaraan gehoorzaamheid verschuldigd is bestaat in deze manier van denken niet. Bij de bespreking van allerlei onderwerpen wordt een beroep gedaan op wat „men” er van vindt of wat voor „de moderne mens” aanvaardbaar is. Uitgangspunten en meningen moeten verschuiven door wat de communicatie met elkaar oplevert. Deze gedachtengang laat intussen alle ruimte voor een ideologische beïnvloeding, die niet uitgesproken wordt, maar we! op de achtergrond meespeelt en die op de een of andere wijze uitgaat van de humanistische visie op de autonomie van de mens. Op hetgeen „men” vindt wordt een beroep gedaan om dat als bepalend op te kunnen leggen aan anderen, die er mogelijk als minderheid een andere mening op na houden. Dat de waarheid en dat mensen hier gemanipuleerd kunnen worden lijkt voor het denken vanuit een humanistische ideologie wellicht legitiem te worden.

Vanuit het geloof in Jezus Christus moet de communicatie anders worden benaderd. Liefde tot Christus zal altijd liefde tot de waarheid en tot waarachtigheid inhouden. Liefde tot de waarheid zal nooit de liefde tot Christus en de gehoorzaamheid aan Hem willen verloochenen. Hij is de weg, de waarheid en het leven (Joh. 14:6).

3. Een factor van betekenis is voor de media de drijfveer tot het vullen van ruimte (pers) en tijd (radio en t.v.). Niet perse de behoefte aan contact, maar het feit dat de beschikbare ruimte c.q. tijd nu eenmaal met iets moet worden gevuld beweegt de makers van bladen en programma’s. In hoeverre leidt dit tot in wezen inhoudloze vulling, waarmee vervolgens de geest van de gebruikers der media weer wordt gevuld? Als vanzelf brengt dit een afstemmen van artikelen en programma’s op de gemiddelde smaak van het publiek met zich mee. Deze wordt gekenmerkt door lust tot ontspanning (verstrooiing) waarbij van de kant van de gebruiker van de media nauwelijks geestelijke inspanning wordt gevraagd (vertrossing). Een commercieel motief gaat hiermee in de regel gepaard. Op deze wijze dreigt de bij beide partijen beleefde verantwoordelijkheid weg te vallen die een wezenlijk aspect is van echte communicatie. Juist het tegendeel wordt bereikt: een afstomping voor het communiceren met de ander; een egoisme dat alleen nog maar weet van ontvangen en „genieten”.

Het is te vrezen dat wanneer de mens de maatstaf van de communicatie wordt, er tenslotte niets anders dan egoisme overblijft. Het is een ontwikkeling die ook een dreiging voor de christenen inhoudt naarmate men zich op deze wijze laat beïnvloeden door wat de media over het geheel genomen aanbieden.

C. MEDIA EN NORMBELEVING

1. De massaliteit van de media brengt met zich mee, dat bepaalde invloeden nationaal en internationaal met ongekende snelheid doorwerken. De opinievorming en daarmee ook de normering van het geweten van een volk blijkt massaal te gebeuren, vooral via de televisie. De waardering van politieke en maatschappelijke ontwikkelingen in de wereld wordt via de selectie van en commentaar op het nieuws collectief geregeld. Tevens wordt de tolerantiedrempel ten opzichte van vloeken, porno, geweld en misdaad collectief verlaagd. Met name de televisie heeft het gevaar, dat de indringendheid waarmee alles visueel de huiskamers binnenkomt, op den duur afstomping tot gevolg heeft. Men heeft alles al wel gezien. Steeds sterkere prikkels zijn nodig om te lachen, te huilen of verontrust te zijn. Op den duur worden de meest immorele beelden en verhalen nog apatisch geconsumeerd.

2. Hier tegenover zal als uitgangspunt voor de te stellen normen aan de media het negende gebod moeten worden genoemd; het dienen van de naaste met waarheid en liefde en tevens het bevorderen van het tot zijn recht komen van de mens in verantwoordelijkheid tegenover God, de naaste en de schepping. Het is aanvaardbaar het publiek te willen beïnvloeden, maar dit dient wel aan Gods geboden gebonden te zijn. Aan het bieden van ontspanning mag de eis worden gesteld dat deze het normbesef bij het publiek niet uitholt. De vraag mag worden gesteld of de eis tot het vullen van alle avonden met televisieprogramma’s wel positief gewaardeerd moet worden. Een programmaloze avond zou mogelijk heilzaam kunnen zijn. De oplossing kan niet zijn een zich geheel afzijdig houden van de mogelijkheden, die de media bieden. Door een dergelijke - vanuit de gevaren wel begrijpelijke houding - heeft men bepaalde kansen in het verleden onvoldoende benut.

Benadrukt moet echter worden dat de mogelijkheid ons in deze tijd op positieve wijze gebruik te maken van de media, slechts aangegrepen kan worden wanneer we luisteren naar wat de Here ons in dit opzicht gebiedt en wanneer we de indringende gevaren onderkennen. We staan hier voor een opdracht, die op positieve wijze uitgewerkt moet worden in allerlei onderdelen. Dat is onze verantwoordelijkheid.

D. VERANTWOORDELIJKHEID VAN DE PRODUCENT

Voor wat betreft de verstrekking van feitelijke informatie via de media moet de eis gesteld worden van objectiviteit. Van christenen, die op het vlak van de nieuwsvoorziening werkzaam zijn, via pers of omroep, mag integriteit verwacht worden. En dat is het tegengestelde van wat wij manipuleren genoemd hebben. Nauwgezetheid en openheid in de berichtgeving zal ook niet nalaten een indruk van betrouwbaarheid achter te laten bij een breed publiek binnen onze samenleving.

Deze vereisten moeten zowel aan organisaties, die zich op het terrein van de communicatie bewegen gesteld worden als aan individuele journalisten en programmamakers. Ook dient zorgvuldig te worden omgegaan met het via de media in de belangstelling brengen van zaken en mensen, waarvoor steun of meeleven of instemming wordt gevraagd.

E. VERANTWOORDELIJKHEID VAN DE CONSUMENT

Naar gelang van het indringende karakter van het medium wordt de verantwoordelijkheid van de lezer/luisteraar/kijker zwaarder. Dat geldt reeds bij de zogenaamde „onschuldige” verhalen of programma’s, die in feite geen inhoud hebben.

Is het goed je geest te laten vullen met „niets”?

De vraag mag gesteld worden in hoeverre het consumptiepatroon van christenen ten aanzien van de media verschil vertoont met dat van niet-christenen. Moet de kerk hier niet een taak zien in het oproepen en opvoeden tot verantwoordelijkheid?

Van de overheid zijn weinig garanties te verwachten voor het handhaven van bepaalde normen bij de producent van programma’s. Dat is de laatste jaren wel duidelijk gebleken. Des te meer komt de verantwoordelijkheid bij de individuele consument te liggen. Christenen zullen hierbij een voorbeeld van een kritische, niet tot verslaving geneigde instelling moeten laten zien. Hier zal ook iets vanuit moeten gaan ten opzichte van de eigen omgeving, met name het eigen gezin. Ook de producent dient met deze kritische verantwoordelijkheid van de consument geconfronteerd te worden. Het abonnement op een blad of het lidmaatschap van een omroepvereniging legt bepaalde verplichtingen op.

Het wordt steeds duidelijker dat een christen in deze tijd zijn kritisch vermogen moet scherpen om te kunnen onderscheiden waar het op aankomt. Vanuit de liefde tot God en Zijn dienst zal het niet alleen goed zijn dat allerlei kritisch wordt afgewezen, maar ook dat een andere, goede weg wordt aangewezen. Het mag, en behoeft geen goedkope kritiek te zijn.

Een dergelijke houding mag op alle terreinen van het leven gevraagd worden, maar op het gebied van de communicatiemedia geidt dit in versterkte mate gezien de dominerende positie die ze binnen onze samenleving innemen.

De genoemde kritische houding moet ook worden aangegeven tegenover de advertenties in de pers en de reclame in de omroep. Terecht spreekt men hier van de verborgen verleiders. Wij zullen ook op dit punt een eigen levensstijl moeten opbouwen en niet in afhankelijkheid komen van wat ons wordt opgedrongen.

Hier gaat het erom te leven in de christelijke vrijheid. Voor velen zal dit betekenen dat ze besluiten allerlei in doorsnee gangbare dag- en weekbladen niet in huis te nemen; er zijn ook nog wel alternatieven aanwezig. Sommigen weigeren ook een televisietoestel in huis te hebben. Anderen menen dat het kennis nemen van omstreden boeken, tijdschriften of programma’s ons kan scherpen tot het bepalen van een christelijke levenshouding. In de ontmoeting met niet-christenen moeten we weten waarover we spreken en moeten we een antwoord hebben.

Bij alle verschil van mening ten aanzien van deze dingen (zie ook het stuk over Cultuur-waardering en cultuurgebruik) blijft het noodzakelijk om van onze motieven bewust te zijn en ook in gesprek met elkaar ons rekenschap te geven van onze verantwoordelijkheid tegenover God.

Onze roeping tot getuige zijn zal niet mogen verstikken door een gedragspatroon waarbij we alles maar slikken.

Gespreksvragen:

1. Vindt u het juist dat er ten aanzien van de eisen voor een goede communicatie een beroep wordt gedaan op het negende gebod?

2. Hoe zou de communicatie binnen de christelijke gemeente meer tot zijn recht kunnen komen?

3. Verschillende keren wordt het begrip wederkerigheid genoemd als voorwaarde voor een goede communicatie. Hoe moet deze worden betracht?

4. De kerk zou ten aanzien van het bevorderen van een kritische instelling leiding moeten geven. In welke vorm denkt u dat dit moet gebeuren?

5. Er is in dit stuk sprake van de christelijke vrijheid. Is deze met betrekking tot het gebruik van de media ook begrensd? Zo ja, waar ligt dan de grens?

Voor verdere studie:

Okke Jager, Verkondiging en massamedia. Kampen, 1971 (met uitgebreide literatuuropgave).

G.N. Lammens, Liturgie en massamedia. Kampen, 1974 (met veel literatuur).

A. v.d. Meiden, Mensen winnen. De overdracht van de boodschap. Baarn, 1973.

Bob Meijer, Het belangrijkste nieuws wordt verzwegen. Novapress, 1977.

W.H. Velema, Midden in de maatschappij. Over ethiek en samenleving. Kampen, 1979. Hoofdstuk 10 is getiteld: Evangelie en media in het licht van de ethiek, pag. 135–149.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.