+ Meer informatie

Zelfstandigheid, voor Franse kolonies een waar schrikbeeld

Eigenbelang motief voor overzeese steun

6 minuten leestijd

Sinds de dagen Van generaal De Gaulle maakt Frankrijk naam als een uitermate koppig, eigenwijs en egoïstisch land op internationaal vlak. De Franse diplomaten stellen het belang van hun land boven alles en iedereen. Het buitenlands beleid wordt hierdoor weliswaar ietwat doorzichtig en voorspelbaar maar blijkt succesvol en politiek verkoopbaar aan het trotse, nationalistische Franse volk. Het gevoel van Frans zijn", een gezond nationalisme, is stukken groter dan de politieke ideologie.

Het socialisme van president Mitterrand bleek er niet tegen te zijn opgewassen, 's lands belang komt op de eerste plaats, pas daarna is er tijd voor een eventuele politieke overtuiging. Sociaal-democraten als Brandt, Wilson en Den Uyl geven de indruk vaak een panische angst te koesteren voor enig gevoel van nationale trots, een zonde in socialistische ogen. Frankrijks vaak moedig egoïsme op diplomatiek vlak komt zeer duidelijk tot uitdrukking in de kwestie van overzeese gebiedsdelen, de zogenaamde DOM's en TOM's- (department d'outremer & territoire d'outremer).
Terwijl landen als Engeland, Nederland en in zekere zin ook Portugal over elkaar struikelden bij de uitreiking van onafhankelijkheidsdocumenten aan volstrekt onrijpe naties gingen de Fransen in alle rust te werk, niet gehinderd door de vaak felle kritiek van de commissie voor dekolonisatie van de Verenigde Naties. 
Hun weloverwogen beleid kon evenwel niet verhinderen dat enkele „rampen" zich voltrokken: de vernederende slag om Dien Bien Phu (Vietnam, 1954) en de mede daardoor veroorzaakte escalatie van de oorlog in Algerije, een gebied tot dan toe gezien als onafscheidelijk onderdeel van het Franse moederland. Deze minder prettige episodes brachten echter geen trauma's teweeg.
De onafhankelijkheid van Frankrijks bezittingen in Afrika verliep tevens erg rustig, in schril contrast met de situatie in Engeland, waar de onafhankelijkheidsgolf van de jaren zestig een nationaal complex („the empire forever lost") veroorzaakte, dat pas verdween met de Falkland-oorlog van '82. Het verschil tussen Frankrijk en Engeland was, dat eerstgenoemde slechts onafhankelijkheid op papier toekende terwijl de Engelsen de hele kwestie serieus namen. Parijs had geen Commonwealth nodig: zijn invloed over de ex-kolonies bleef totaal. Lokale potentaten waren van het Quai d'Orsay (Franse ministerie van buitenlandse zaken) afhankelijk, wilden zij in het politieke zadel blijven zitten.

Mitterrand

De jonge naties bleven naar Parijs kijken voor financiële, technische en militaire steun. Over het gehele continent waren élite-eenheden van het Fran se leger gestationeerd, klaar om iii te grijpen ergens een lokaal leider zich te veel ging voorstellen van de onafhankelijkheid. Deze houding van frankrijk is in de jaren niets veranderd. De komstvan een socialistische president leek eenommezwaai te betekenen, maar Mitterrand, wellicht meer dan zijn voorgangers, is vastbesloten de positie van zijn land te verdedigen.

Deze positie luidt anno 1986: er is genoeg gedekoloniseerd, onafhankelijk heidsverklaringen worden niet meer uitgegeven, de winkel is dicht.
Dit laat Frankrijk met een voor de jaren tachtig buitensporig groot aantal overzeese gebiedsdelen, om de belangrijkste te noemen: Frans Guyana, Guadeloupe, Martinique, Nieuw-Caledonië, Frans-Polynesië (Tahiti) en Reunion.

Behalve op deze overzeese gebiedsdelen (DUM's) prijkt de Franse driekleur nog boven een onnoemelijk aantal kleine eilandjes verspreid over de drie oceanen. Enkele exotische voorbeelden: Wallis e Fortuna (Stille Zuidzee), de Kerguelen-eilanden (Indische Oceaan), Mayotte (voor de kust van Mozambique) etc. Dit zijn voornamelijk overzeese territoria direct vanuit Parijs bestuurd, doch zonder eigen vertegenwoordiger in het Franse parlement.

Typische benadering

Het recht op eigen parlementariërs vormt het voornaamste verschil tussen departementen en territoria. Politieke groeperingen die al dan niet met geweld streven naar onafhankelijkheid bestaan, maar daarmee is alles gezegd. Slechts in Nieuw-Caledonië is de onafhankelijkheid een actueel thema, en daar doen zich periodiek relletjes voor waarmee de eis kracht wordt bijgezet. Mitterrand bezocht de regio persoonlijk medio vorig jaar, deed enkele vage beloften en benoemde een ambtenaar om de wensen van de lokale bevolking eens nader te bestuderen.
Een typische benadering van het probleem. „Machtig" Parijs houdt zich ermee bezig en dat moet toch een ieder gerust stellen. Met bommen smijten mag niet; onmiddellijk kreeg Nieuw-Caledonië bezoek van een pompeus Frans eskader.
De benadering van de problemen, gerezen op dit vrij grote eiland in Melanesië, geeft een duidelijk beeld van Frankrijks post-koloniale politiek. De lokale bevolking is nagenoeg iri de minderheid geraakt ten gevolge van de massale emigratie van Fransen uit het moederland (la Metropole). De onafhankelijkheidsdroom is dan op eenvoudige wijze te ontmantelen: een referendum wordt uitgeschreven waaraan alle inwoners mogen deelnemen: de lokale bevolking plus de Fransen. Het resultaat is voorspelbaar, een enthousiast „neen", geuit door de emigranten. Maar in de meeste gevallen komt het niet eens tot een referendum, want de onafhankelijkheid wenst men gewoonweg niet.

Frans Guyana

Dit is bijvoorbeeld het geval in Frans Guyana, buurland van Suriname met zo'n zeventigduizend inwoners, waarvan vijftigduizend Fransen naast twintigduizend, meeste illegaal verblijvende, Brazilianen. Zonder de contributies van Parijs zou Guyana ongetwijfeld een van Zuid-Amerika's armste landen zijn want van enige noemenswaardige economische activiteit is geen sprake. Desalniettemin maakt vrijwel niemand in Cayenne zich hierover zorgen; de status als overzees departement garandeert het recht op de meest uiteenlopende sociale bijstandsvormen voorde Guyanezen.
De chronisch hoge werkloosheid is dus geen enkel probleem, en waarom zou men de tropenzon uitdagen en alleriei activiteiten ontplooien?

Onafhankelijkheid is hier geen ideaal, maar een waar schrikbeeld. De Franse regering hecht weinig belang aan het geld dat zij naar Guyana stuurt, het zijn relatief kleine bedragen, die gezien kunnen worden als een goede investering; het land krijgt immers de beschikking over een enorme lap grond (tweemaal Nederland) waar veel mee te doen valt (ruiratevaartbasis, militaire oefengrond, etc.) Om elk toekomstig onafhankelijkheidsidee te belemmeren (de wonderen zijn de wereld nog niet uit) heeft men door de jaren heen een kleine maar constante stroom emigranten toegelaten, Fransen en vluchtelingen uit Indochina.
In een politiek vergelijkbare situatie bevinden zich Frankrijks andere overzeese departementen.

Voorbeeld

Het beleid van Parijs is voor een groot aantal (niet-Franse) „progressie- ven" uiteraard veroordelenswaardig, de realiteit is echter dat dit beleid nagenoeg idereen tegemoet komt en tevreden laat. De bevolking onderworpen aan het „koloniale juk" geniet een zekere mate van politieke autonomie, terwijl het moederland instaat voor economische stabiliteit en welvaart'. In een turbulente wereld zoals we die vandaag kennen is dit een correcte benadering van het dekolonisatieprobleem.
Wel kan de „socialistische" Mitterrand hierdoor bestempeld worden als Frankrijks hedendaagse zonnekoning, een waardig opvolger van Lodewijk de 14de. De realistische Franse aanpak is wellicht een voorbeeld voor onze eigen Antillen, waarvoor, zo bleek aan het begin van de jaren tachtig, het Koninkrijksstatuut meer een belemmering vormt dan een garantie voor economisch en politiek welzijn.

Onverantwoord

Het zijn nu zes eilanden, varend in troebel water zonder perspectief. Nederland, met zijn „weloverwogen" maar volstrekt onduidelijke beleid, draagt bij tot de verpaupering voor wat ooit de parels van de Caraïbische Zee waren. Onafhankelijkheid wordt niet zozeer verleend uit politieke overtuiging maar is het resultaat van een in ons geval vrij simplistisch gedrag dat als onverantwoord mag worden omschreven. Kijk maar naar Suriname waar deze geprezen onafhankelijkheid een grote mate van ellende veroorzaakte. Dit zouden wij, als politiek actieve en bewuste Nederlanders, de Antillianen toch niet willen aandoen. Wanneer in Den Haag eens aandachtig zou worden geluisterd naar de Nederlanders (want dat zijn ze per slot van rekening) uit de Antillen, gecombineerd met enige politieke moed, zou het Antilliaanse probleem snel zijn opgelost. Uit angst te worden gebrandmerkt als neo-koloniaal houdt Den Haag zich echter op politiek comfortabele afstand, waardoor gevreesd mag worden dat Nederland opnieuw een stukje kleiner al worden gemaakt, niet zozeer in territoriale zin maar veel eerder in politieke en staatkundige zin.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.