+ Meer informatie

8. POLITIEK EN MAATSCHAPPELIJK HANDELEN

12 minuten leestijd

A. EEN GODDELIJKE ROEPING

1. Uitgangspunt

Uitgangspunt voor onze bezinning is de roeping waarmee God ons mensen in zijn wereld plaatst. In de verbanden waarin wij leven hebben wij met andere mensen te maken, die onze „naasten” zijn. Het is onze verantwoordelijkheid tegenover God hoe we ons tegenover hen gedragen.

Het is ook onze verantwoordelijkheid tegenover God hoe we de leiding, die Hij geeft in zijn Woord - in wet en evangelie - willen laten gelden in heel de samenleving. Gods Woord heeft heel wat te zeggen over de manier waarop wetten worden gemaakt, waarop de overheid haar van Hem ontvangen gezag hanteert, waarop werkgevers en werknemers elkaar benaderen, en over de wijze waarop allen hun rechten en plichten beleven. De bijbel is ook voor de samenleving het richtsnoer.

2. Organisatorische gestalte

Vanuit dit geloof is er in onze (Nederlandse) samenleving een ontwikkeling geweest, waarbij politieke en maatschappelijke organisaties werden gevormd op de grondslag van de bijbel en de reformatorische belijdenis. Via die organisaties zochten de christenen hun roeping gestalte te geven en uit te dragen.

Er was daarbij sprake van een „taakverdeling” tussen de kerk enerzijds en de politieke en maatschappelijke organisaties anderzijds. De kerk had haar roeping in de verkondiging van Gods Woord en de geestelijke toerusting van haar leden. De organisaties waren de uitingsvorm van de persoonlijke verantwoordelijkheid van de christenen, als mondige leden van de samenleving. De kerk in haar organisatorische vorm stelde zich terughoudend op ten opzichte van maatschappelijke en politieke vragen. Kerk en organisaties leefden in een harmonische verstandhouding met elkaar, elk met de eigen verantwoordelijkheid, in een gemeenschappelijk besef gehoorzaam te moeten zijn aan het Woord van God.

We moeten dankbaar zijn voor deze in Nederland gegroeide situatie - in zijn ver doorgevoerde uitwerking tamelijk uniek in de wereld - welke zich op stabiele wijze heeft kunnen ontplooien en handhaven tot ongeveer halverwege deze eeuw.

B. OPKOMST VAN EEN NIEUW DENKEN

De ontwikkelingen in het theologische denken over de vragen van kerk, koninkrijk Gods en samenleving sedert de jaren na de tweede wereldoorlog, hebben het klimaat voor het politieke en maatschappelijke handelen diepgaand beïnvloed. Om de verschuivingen, die hebben plaats gevonden in het vizier te krijgen moeten de volgende - onderling samenhangende - facetten worden belicht.

1. De doorbraak van de antithese

De christelijke organisaties droegen in zich de gedachte van de antithese, de tegenstelling tussen een confessioneel-gebonden opstelling in staatkundige en sociale verhoudingen en een stellingname die niét het christelijk geloof als uitgangspunt voor het vervullen van een taak in de samenleving wil zien. De zogenaamde „doorbraak”, rond 1950, betekende een ontkenning van die antithese en een pleidooi voor de stelling, dat maatschappe lijke organisaties kunnen en moeten bestaan los van een religieuze of geestelijke grondslag. Vanuit deze doorbraak was men bijvoorbeeld actief betrokken bij de oprichting van de Partij van de Arbeid.

2. De horizontalisering van het heil

De genoemde doorbraak werd gevolgd door een nog ingrijpender ontwikkeling, die ook binnen de bestaande christelijke organisaties een veranderingsproces op gang bracht. De oude verdeling was - wat simpel voorgesteld - de kerk spreekt over het heil in Christus en de organisaties zijn bezig met het gestalte geven aan bepaalde implicaties en gevolgen van die verkondiging voor de terreinen van staat en maatschappij.

Nu werd een ombuiging in het denken hierover sterk bevorderd door de theologie van Karl Barth. Hij leerde, dat het verzoeningswerk van Christus de positie van de mens en de wereld beslissend veranderd had. De mens is verzoend met God, ook zonder dat het persoonlijk wordt gekend en beleefd.

De theologie ná Barth ging een stap verder en stelt helemaal het stuk van de schuld tegenover God en de verzoening met Hem niet meer aan de orde. Men spreekt over het heil en bedoelt daarmee de veranderingen, die in de samenleving moeten worden aangebracht. Waar gerechtigheid, politiek en sociaal, onder de mensen kan worden bewerkt, dáár wordt het heil present gesteld.

Heil is er ook zonder dat een mens aan zijn schuld tegenover God wordt ontdekt - in een verticale relatie -; verzoening is er ook als die alleen betrekking heeft op mensen, niet op de verhouding tussen de mens en God.

Het evangelie is de blijde boodschap van de humaniteit. Waar waarachtige menselijkheid, menswaardigheid en solidariteit worden gezocht en gediend, daar wordt de basis gevonden van datgene waar het in het evangelie om gaat: een nieuwe mensheid. Evangelisch bezig zijn is daar waar gestreden wordt voor sociale gerechtigheid.

Dit nieuwe denken laat zich gelden ten koste van het bijbelse spreken over de zonde en de genade, over wedergeboorte en vrede met God, over de rechtvaardiging door het geloof en een eeuwig leven.

En zo komt ook de taak, die een christen heeft in staat en maatschappij, niet meer òp uit een verzoende gemeenschap met God en de vernieuwing van het hart door de Heilige Geest, maar komt daar veeleer voor in de plaats.

3. Een ander luisteren naar de bijbel

De wijze waarop de bijbel functioneert in deze ontwikkeling is ook anders geworden. Als de grondslag van het handelen in de samenleving ter sprake komt, wordt niet het Woord van God genoemd, of de bijbel, maar bij voorkeur het evangelie. Het woord evangelie wordt dan niet omschreven in bijbelse zin, maar eerder als een slogan gebruikt. De inhoud, die men ermee aanduidt komt in de praktijk overeen met wat daarover hierboven is gezegd.

De horizontalistische boodschap is al vastgesteld nog voordat de bijbel opengaat, en wordt als een sleutel gehanteerd tot het verstaan van de bijbel.

In de praktijk betekent dit een uitschakelen van de bijbel in plaats van een zich onderwerpen eraan.

4. Een optimistische visie op de mens

Op de zonde en de gevolgen van de zonde als bederf van de maatschappij wordt niet meer gelet. Vertrekpunt voor het politieke en maatschappelijk handelen in deze nieuwe gedachtenwereld is een optimistische kijk op de mens. Men is van mening dat in de grond van de zaak de mens toch wil vasthouden aan de waarden van het mens-zijn, en meent op die basis voldoende houvast te hebben om aan het „evangelisch“ ideaal te werken. Dat de mens ook maatschappelijk geneigd is tot alle kwaad wordt vergeten.

C. BEZINNING OP VERANTWOORDELIJKHEID

Tegen de achtergrond van deze nieuwe visie op de roeping in de samenleving is een fundamentele bezinning nodig op de verantwoordelijkheid waarmee Gods Woord ons in de wereld plaatst. Op een aantal punten moet deze bezinning concreet worden toegespitst.

1. De taak van de kerk

Het is nodig principieel vast te houden aan de eigen taak die de kerk heeft in de verkondiging van Gods Woord.

Dat Woord heeft primair een persoonlijke gerichtheid, het roept op tot geloof in Jezus Christus en verkondigt dat door het geloof in Hem redding is van de zonde en een eeuwig behoud.

De verkondiging van het Woord omvat echter ook de consequenties die het evangelie voor de samenleving heeft. De kerk zal in grote lijnen moeten wijzen op de noodzaak tot gehoorzaamheid aan Gods ordeningen en wetten en daarbij ook de maatschappelijke verhoudingen vanuit de Schrift fundamenteel moeten belichten.

De eis van Gods Woord om de van God gegeven gezagsverhoudingen in gezin, staat en onderneming te eerbiedigen, moet worden gehoorzaamd. Evenzeer moet de bijbelse eis tot het erkennen van Gods soevereiniteit in zaken van dood en leven, met name als het gaat om abortus provocatus en euthanasie, door de kerk worden verkondigd.

De kerk moet in de ambtelijke verkondiging de leden zodanig onderwijzen, dat die in hun eigen verantwoordelijkheid in de samenleving weten wat de gezindheid van Christus van hen eist. De doorwerking van Christus’ evangelie in de wereld zal vooral moeten gaan via de heiliging van de leden van de kerk. In de houding tegenover de medemens (liefhebben of gebruiken….), tegenover het bezit (ten koste van of ten dienste van de ander….), tegenover de schepping (beheer of wanbeheer….) zal steeds moeten worden gewezen op de verantwoordelijkheid die ieder heeft tegenover God. De kerk heeft ook een éigen taak tegenover de overheden. Het is denkbaar dat juist vanwege de doorwerking van de nieuwe wijze van denken de kerk in sommige gevallen méér dan vroeger profetisch moet getuigen tegenover de overheid en temidden van de ontwikkelingen van de samenleving, wanneer de eisen van Gods Woord worden genegeerd.

Misschien moeten juist ook de plaatselijke kerken zich meer bewust zijn van hun roeping in dezen.

De kerk heeft hier wel terughoudend in te zijn. Ten eerste omdat zij de eigen verantwoordelijkheid van haar leden moet honoreren. Ten tweede, omdat de kerk géén politieke of maatschappelijke organisatie is en zich ook niet als zodanig moet gedragen.

De kerk moet slechts spreken als de nood het haar oplegt omdat de eerbiediging van Gods gezag in het geding is. Maar dan moet ze het ook dóen.

2. De taak van de overheid

De samenleving is de laatste tientallen jaren vooral door economische en technische factoren steeds ingewikkelder geworden. In ons land speelt ook de grote bevolkingsdichtheid daarbij een rol. Daardoor heeft de taak van de overheid een grote uitbreiding ondergaan. Het uitgangspunt voor de opdracht van de overheid blijft wel het dienen van de gerechtigheid in de samenleving. Het overheidsbeleid zal er steeds op uit moeten zijn haar onderdanen zo goed mogelijk tot hun recht te laten komen in de samenleving. De overheid zal er in de wetgeving op bedacht moeten zijn enerzijds de burgers te beschermen tegen onrecht en anderzijds hen zoveel mogelijk ruimte te geven door het dragen van ieders eigen verantwoordelijkheid tegenover God, voor zichzelf en voor hun door God gegeven naasten.

De overheid moet niet meer willen regelen dan daartoe nodig is.

Tegelijkertijd is de overheid wel geroepen maatregelen te nemen voor de bescherming van en de zorg voor de zwakkeren in de samenleving. Ook in dat opzicht, zoals in elk van haar taken, heeft de overheid haar gezag en haar verantwoordelijk heid te hanteren als dienares van God.

3. De houding tegenover de christelijke organisaties nu

In hoofdzaak tengevolge van de gesignaleerde nieuwe visie op de christelijke taak in de samenleving is er een gistingsproces op gang gekomen in het christelijk organisatiebestand. Meermalen is de grondslag van een organisatie - voorheen omschreven als Gods Woord en de drie formulieren van enigheid - gewijzigd in een formule waarin het evangelie wordt genoemd, daarmee de vraag oproepend hoe dat evangelie dan wel luidt. Gepaard met deze „verbreding” van de grondslag gaat dikwijls - evenals bij het onderwijs en de gezondheidszorg - een schaalvergroting. Ook het omgekeerde komt voor. Aan vervaging van de confessionele basis kan men veelal niet ontkomen. Keerzijde van deze ontwikkeling is een reeks afsplitsingen en hergroeperingen met een duidelijker basis. Het totaalbeeld laat op deze wijze wel een verbrokkeling van krachten zien. Het zal de eigen verantwoordelijkheid van ieder gemeentelid zijn om die plaats in te nemen waar het beste de opdracht van Gods Woord gestalte kan krijgen en waar het uitoefenen van invloed in de maatschappij overeenkomstig bijbel en belijdenis het meeste mogelijk is.

De kerk dient zich niet met bepaalde organisaties te identificeren, maar van haar leden moet wel worden gevraagd dat ze actief meedoen in het dragen van maatschappelijke verantwoordelijkheid, met een overtuiging die gegrond is op Gods Woord.

4. Visie op de toekomst

Van ons maatschappelijk engagement valt niet loste maken de verwachting die een christen moet hebben van de toekomst.

Aan de roeping die we hebben in de staat en in de sociale verhoudingen wordt niets afgedaan als we toch moeten zeggen dat er geen rechtstreekse weg is van wat op deze wijze op aarde bereikt wordt naar het rijk Gods, de nieuwe aarde waarop gerechtigheid wonen zal. De bijbel laat ons in de ontwikkeling van de wereldgeschiedenis ook een andere lijn zien, namelijk die van de wetteloosheid, die uitloopt op het rijk van de antichrist, de heerschappij van het beest zoals in Openbaring 13 beschreven wordt. Deze dubbele ontwikkeling roept een spanning op waar we ons niet voortijdig aan mogen ontworstelen.

We moeten werken zolang het kan, óók in de samenleving. En ons daarbij laten gezeggen door het Woord. De zegen die daarvan uitgaat in de wereld, mogen we dankbaar opmerken. Oók vóór de wederkomst van Christus zal de gehoorzaamheid van het geloof vrucht dragen in de wereld. En pas als we niet meer mógen zullen we er mee op moeten houden. Misschien komt er een tijd - en de contouren daarvan tekenen zich al enigszins af - dat een christen alleen nog zal kunnen getuigen tegen de voortschrijdende wetteloosheid tot ook dat wordt afgebroken.

De bijbel wijst ons hierin echter niet de weg van het pessimisme, en beveelt ons ook niet aan ons te laten verlammen in de uitoefening van onze taken.

Omdat God ons nog een opdracht geeft om onze naaste te dienen en om in de wereld gestalte te geven aan de gerechtigheid van Christus, mogen we er zeker van zijn, dat de gehoorzaamheid aan die opdracht door de Here gezegend wordt. En dat ook het volk en de samenleving waarbinnen gelovigen vanuit hun geloof dienen en leven, erdoor gezegend zal zijn.

Gespreksvragen:

1. Op wie rust de verantwoordelijkheid om de gehoorzaamheid aan wat God van ons vraagt in de samenleving gestalte te geven?

2. Welke tekenen ziet u in de eigen omgeving van de aanwezigheid van gelovigen in de samenleving?

3. Zijn wij in het algemeen voldoende betrokken bij het gebeuren in politiek en maatschappij?

4. Hoe moeten naar uw gedachte een politieke partij en een maatschappelijke organisatie er momenteel uitzien?

5. Rust de kerk haar leden voldoende toe voor de plaats, die ze als christen in de samenleving moeten innemen of niet?

Voor verdere studie:

Over christelijke organisaties o.a.:

R. Hagoort, De christelijk-sociale beweging. Franeker, 1956.

M. Ruppert, Vakbeweging en christelijke roeping. Uitgave C.N.V., 19493.

Over de plaats van de kerk en de christenen in het politieke en maatschappelijke leven o.a.:

G. de Ru, De verleiding der revolutie, in de reeks Theologie en Gemeente. Kampen, 1974.

W.H. Velema, Politieke prediking, Apeldoornse studies no. 5. Kampen, 1972.

Idem, Solidariteit en antithese, Apeldoornse studies no. 13, Kampen, 1978.

B. Wentsel, De koers van de kerk in een horizontalistisch tijdperk I, in de reeks Theologie en Gemeente. Kampen, 1972.

Verder de volgende rapporten van kerkelijke zijde:

De kerk in de sociaal-politieke spanningen. Rapport samengesteld door de Raad voor de zaken van Kerk en Theologie van de Nederlandse Hervormde Kerk. 1975.

Een bespreking van dit rapport gaf:

J.H. Velema, De kerk in de sociaal-politieke spanningen, in: Ambtelijk Contact, 15e jaargang no. 4, april 1976, blz. 49 – 53.

The Church and its social calling, rapport voor de vergadering van de Gereformeerde Oecumenische Synode te ? fines. 1980.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.