+ Meer informatie

EEN IMKER AAN HET WOORD

Marnix en zijn bijenkorf

4 minuten leestijd

In twaalf hoofdstukjes geeft Marnix aan het eind van zijn boek een „Uitlegging van den Bijenkorf der H. Boomsche Kerk." Er wordt daarin gehandeld over: waar de bijenkorf van gemaakt wordt; de oorsprong van de bijen; aard en verschillende soort; de natuur en voortzetting; het bestuur en hun koning; hun uitvaarten; hun werkzaamheden; uit welke bloemen en kruiden zij werken; ziekten en middelen van herstel; het was en cle honing; middelen voor degenen clie van de honing ziek zijn; hoe verstaat men het zeggen van Aristoteles, dat de bijen sterven, wanneer men dezelve met olie bestrijkt. Het is ondoenlijk om uit al deze hoofdstukken veel te citeren. Om een idee te krijgen hoe Marnix over cle verschillende schrijft, volgen hier enkele aanhalingen.

Als het gaat over het maken van cle bijenkorf, schrijft Marnix o.m.:

Gij moogt hier ook een weinig Jodenlijm of bitumen onder vermengen, welke een zeer taaie klevende stof is, waar de stad en toren van Babyion eertijds mede gemetseld was, en gehaald wordt uit de poel of cle Dode zee van Sodom en Gomorra. Want hierdoor zult gij een zo sterke poeier hebben, dat zij met geen hitte der zon, noch natheid van de regen wijken of splijten zal. De Meesters van deze Bijenkorven, die iets schoons in cle ogen willen hebben, maken bovendien nog sneeuwwitte gips of pleistering van witte bijbelse marmerstenen, in een Leuvense of Parijse molen wel klein gemalen, en met sterke drek en dekretalen gewreven, en alzo met een wijkwispel of kwast overgestreken, en daarop allerlei lustige beelden en figuren gemaakt; want dit is zeer schoon en liefelijk in de eigen, en maakt clat de bijen er des te liever in komen.

In het hoofdstuk over cle aard en cle soort wordt gezegd:

Bijtschapen, of om cle kortheid der spraak ook wel: Bisschoppen; hoewel sommige geleerden menen, dat zij Bisschoppen genoemd worden, alsof men zeide viskoppen, omdat zij gewoonlijk zo veel verstand hebben als een vis in zijn kop. Er zijn ook wel onder dezen, clie zo nuttig zijn in cle bijenkorf als enige andere om hun felheid, dewijl zij zeer felle en moorddadige angelen hebben, zodat men nauwelijks cle dood ontgaan kan, want cle wond kan zonder gulden zalf geenszins genezen worden; zij zijn van het geslacht der wespen.

Over het bestuur schrijft Marnix o.a.:

Deze Koning heeft wel een angel, maar hij stelt zich niet veel te werk, omdat alle andere bijen gereed zijn, om hem te dienen in hetgeen hem belieft. En gelijkerwijs de koning der honingbijen een buitengewone plek op het hoofd heeft, zo draagt ook deze koning een teken op het hoofd, namelijk een driedubbele kroon, terwijl alle andere bijen, zo gezegd is, ook een ronde witte plek hebben midden op het hoofd, bijna gelijk een kruin. Zij vliegen alle tegelijk om deze koning, en zijn hem wonderlijk gehoorzaam en gedienstig.

In het gedeelte over de uitvaarten, lezen we:

Zij houden zeer naarstig de uitvaarten, gelijk de gemene honingbijen ook doen en maken een groot gedommel, wanneer zij een bij uitdragen. Men kan hen met het gelui van gedoopte klokken en schellen zeer vertroosten, want met dit geklank zijn zij bijzonder in de schik en dan zwermen ze alle tegelijk en vergaderen zich in hun bijenkorf met groot gedommel.

In hoofdstuk 8 worden de bloemen en kruiden genoemd, waaruit de bijen werken.

Maar vooral hadden zij twee andere kruiden, waarvan het ene, genoemd wordt gratia Deï of Gods genade, het andere palmo Christi; want als iemand deze kruiden bij hun korf wilde zetten, dan zouden zij hen allen overvallen en met hun angels dood steken. Daarom al wie deze bijenkorf houden wil, moet zulke kruiden uit zijn tuin weren. Maar hij moet in zijn hof zaaien en planten deze navolgende kruiden, weegbree, koekoeksbloemen, ezelskomkommers, hondstongen en hondsribben, kalfsneuzen, kattenstaarten, wolfsklauwen, ganzendistels, geitenbaard, boksbonen, varkensgras, paddenbloemen, luipaardsklauwen, dulkruid, guichelheil, manneke en wijfje. En vlak naast de bijenkorf moet hij zetten: papenkruid, papenhond, drakenbloed, zevengetijdenkruid, monnikenkapjes, zomerzottekens, Roomse tarwe, Roomse maloten of meloten zo als men dezelve noemen wil, wolsbeziën, witte en rode ratelen.

Nog veel meer planten worden opgenoemd, maar het is nu al voldoende te zien op welke manier de schrijver te werk gaat. Op dezelfde manier beschrijft hij ook de ziekten en middelen van herstel:

De Apothekers weten ook een stroop te maken, die zeer goed is tegen hun krankheden, namelijk: Recipe: een handvol wortels van zevengetijden-kruid, ratelen en van guichelheil. Stoot deze met duivelsmelk, en begiet clit met de quinta essentea van zomerzotten, en voorts een bolus witte tarwemeel, met hondensmeer rond gebakken, en dat het kruisdorens en kruiskruid en met negen bladeren van Hallelujah opgestoofd, en vervolgens in wijngaardsiroop geweekt, en dan het vijfvingerskruid; doe er dan zo veel honing in, clat het een dikke stroop wordt. ...

INDEX.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.