+ Meer informatie

Algemeenheid

5 minuten leestijd

Werd de Nederlandse samenleving jarenlang gekenmerkt door het verschijnsel van de verzuiling, de laatste jaren begint die verzuiling steeds meer af te brokkelen. Vooral onder de rooms-katholieken, maar ook bij de gereformeerden ziet men in vele gevallen het nut en de noodzaak van eigen organisaties niet meer in. En dat is begrijpelijk, want de verschillen in levensstijl en opvattingen tussen rooms-katholieken, onkerklijken en gereformeerden zijn veel minder geworden dan vroeger.
Daarnaast is hier de invloed van de overheid van belang. Die is vooral na de oorlog allerlei levensbeschouwelijke organisaties op sociaal cultureel gebied steeds meer gaan subsidiëren. Was die subsidie aanvankelijk slechts een aanvulling op de eigen inkomsten van de organisatie, in de loop der jaren liep het subsidiepercentage vaak naar de honderd. Naarmate men meer ging drijven op overheidssubsidie, raakte men ook sterker gebonden aan de subsidievoorwaarden van de overheid.
Nu zit er in die overheidsbemoeienis welhaast automatisch al een zekere tendens naar meer algemeenheid. De overheid werkt immers het liefst met algemene regels. Voorheen wist men echter in Den Haag dat de eigen identiteit van de levensbeschouwelijke organisaties een teer punt was. Dat was de les van de tachtigjarige schoolstrijd. De eigen identiteit werd daarom bewust ontzien.
Nu echter de grote levensbeschouwelijke groepen zelf hum eigen identiteit gaan relativeren, durft de overheid ook meer op integratie aan te dringen. Eén grote organisatie met een directeur kan immers goedkoper werken (kost minder subsidie) dan drie afzonderlijke organisaties met drie directeuren, zo redeneert men in Den Haag. Uit het oogpunt van efficiency, schaalvergroting en professionalisering wordt samenvoeging of althans federatieve samenwerking van de verzuilde organisaties wenselijk geacht. En door middel van haar subsidievoorwaarden kan de overheid die kant uit sturen. Uiteraard langzaam en geleidelijk om allerlei gevoeligheden te ontzien. Niet alleen de centrale overheid, maar ook de plaatselijke gemeentebesturen zijn subsidieverleners en kunnen daarom in een bepaalde richting werken. Zo stelde de gemeente Zeist dit voorjaar een subsidieverordening vast, waarbij alleen het algemene jeugd- en jongerenwerk subsidie uit de gemeentelijke kas zou ontvangen, al bleven uitzonderingen mogelijk. Als een van de subsidievoorwaarden gold: immers dat het betrokken jeugdwerk moest open staan voor alle jongeren ongeacht hun godsdienstige of levensbeschouwelijke achtergrond. De GPV-er Jongeling verzochf dan ook minister De Gaay Fortman (AR) deze gemeentelijke verordening ongedaan te maken. Zij zou op gespannen voet verkeren met het grondwetartikel over de godsdienstvrijheid. Dit laatste werd door de minister ontkend. Hij zag het besluit van de gemeente Zeist als een beleidsbeslissing waar de regering af moest blijven. Vandaar dat Jongeling onlangs met nieuwe vragen kwam. Wij berichtten daarover in de krant van vrijdag. Het gaat hier ongetwijfeld om een belangrijke zaak. Het moge dan waar zijn dat voor velen in rooms-katholieke of protestants-christelijkë kring, eigen organisaties en eigen jeugdwerk niet meer nodig zijn, voor ons ligt dat anders. Nu zou men kunnen tegenwerpen dat het aanvaarden van overheidssubsidies toch al een verkeerde (zo men wil: principieel verkeerde) zaak is. Dat is immers hinken op staatskrukken". Wie iets na wil streven, moet daar zelf maar geld voor over hebben, zeker als het om een principiële zaak gaat. En inderdaad wij zijn ook geen voorstanders van het uitbundige subsidiesysteem, zoals dat na de oorlog in het kader van de verzorgingsstaat gegroeid is. Maar of men daar nu voor is of tegen, nu het systeem eenmaal bestaat moeten wij allemaal via de belastingheffing daaraan meebetalen. Weigert men subsidies te ontvangen of wordt men buitengesloten dan moet men niet alleen zelf het geld bij elkaar zien te brengen maar ook nog via hoge belastingen aan de subsidies voor anderen meebetalen. Dat is uiteraard onrechtvaardig, vooral omdat het hier veelal niet om kleine bedragen gaat en de belastingdruk al zeer aanzienlijk is Nu zijn als vrucht van de langdurige schoolstrijd de gelijke aanspraken op overheidssubsidie voor wat betreft het lager onderwijs in de grondwet vastgelegd. Voor de andere sectoren ligt dat anders. Daar is het veel meer de ongeschreven consequentie van de onderwijspacificatie van 1917, die men nu zo langzamerhand overboord wil zetten. Zeker van het huidige kabinet is niets anders te verwachten, al is die tendens reeds onder vorige kabinetten ingezet. In zijn vragen beroept Jongeling zich op artikel 181 van de grondwet, waar staat dat ieder zijn godsdienstige meningen belijdt met volkomen vrijheid. Om daar nu echter een gelijke aanspraak op overheidssubsidies op te baseren, lijkt ons historisch gezien niet zo sterk.  Niettemin is het goed dat Jongeling de aandacht gevestigd heeft op de groeiende algemeenheidstendenzen in het subsidiebeleid. Daardoor wordt immers in financieel opzicht het bestaan van protestants-christelijkë organisaties op het gebied van bejaardenzorg, maatschappelijk werk, jeugdwerk e.d. bedreigd. Overigens moeten we steeds wel bedenken dat niet de evenredigheidsnorm, waarbij elke levensbeschouwelijke groep gesubsidieerd wordt naar rato van het aantal leden of van zijn activiteiten, het hoogste doel is. Niet de neutrale staat, maar de christelijke staat is immers naar de eis van Gods Woord.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.