+ Meer informatie

Nederlandse Geloofsbelijdenis

6 minuten leestijd

Iedereen die regelmatig de krant leest, heeft ongetwijfeld ook kennisgenomen van een bijzondere gebeurtenis welke 450 jaar geleden plaatsvond. In de nacht van 1 op 2 november 1561 werd er te Doornik in België – nu op de verkeersborden als Tournai aangeduid – over de buitenste muur van het kasteel een verzegeld pakje geworpen. Toen vroeg in de morgen de voorpoort van het kasteel werd geopend, zag men het pakje liggen. Toen men het opraapte en het vervolgens openmaakte, kwam er een boekje met twee brieven tevoorschijn. Het boekje was in het Frans geschreven en droeg als titel ‘Confession de foy, Faicte d’un commun accord par les fideles qui conversent és pays bas, lesquels desirent vivre selon la purité de l’Evangile de nostre Seigneur Jesus Christ’. Dat wil zeggen, vertaald in het Nederlands: ‘Belijdenis des geloofs, Gemaakt in algemene overeenstemming door de gelovigen die in de Nederlanden verkeren en begeren te leven naar de reinheid van het Evangelie van onze Heere Jezus Christus’. Van de twee bijgevoegde brieven bevond zich er een in het boekje. Deze ging aan de geloofsbelijdenis vooraf en was gericht aan koning Filips II. De andere was gericht aan de commissarissen die door de landvoogdes Margaretha van Parma naar Doornik waren gestuurd. Zij verbleven in het kasteel – of beter in de ommuurde wijk die als citadel was gebouwd – in verband met de zogenaamde ‘chanteries’. Zij moesten deze optochten zien te stoppen, daar het verboden was om ’s avonds in het donker onder het zingen van psalmen door de straten van Doornik te trekken. Met bitterheid nam men waar, dat hun aanwezigheid geen effect had. Integendeel zelfs, op de eerste avond namen zo’n vier- of vijfhonderd mensen eraan deel, de volgende avond waren het er al drie- à vierduizend. Om het toch tegen te gaan, ging men wachten uitzetten en vervolgens ook verdachten oproepen om voor het gerecht te verschijnen.

Uit ‘De Nederlandse Geloofsbelijdenis’ (een uitgave van de Stichting Heruitgave Werken Guido de Brès) blijkt dat niet eenieder van de hervormingsgezinden gelukkig was met deze chanteries. In ieder geval Guido de Brès niet, want zo lezen we: ‘Diep in zijn hart was De Brès het niet eens met deze manier van het onder de aandacht brengen van de reformatie’ (blz. 23). Zo schrijft ook J.N. Bakhuizen van den Brink in zijn uitgave van de ‘Nederlandse Belijdenisgeschriften’ (Amsterdam 2e druk, 1976): ‘Guy de Brès en Jean de Lannoy waren er tegen wegens het uitdagend karakter ervan en uit vrees voor de kwade gevolgen’ (blz. 3, zie ook blz. 6). Guido de Brès wilde dus zomin mogelijk provoceren. Daarom ging hij voor in kleine samenkomsten die in de woonhuizen werden gehouden (zie Émile Braekman, Guido de Bres, Zijn leven, Zijn belijden, 2010, blz. 148). Echter, door al de ontwikkelingen voelde hij, dat het tijd was om ook naar de overheid toe de inzichten van de reformatie te verdedigen. Juist ook, vanwege alle laster, onkunde en verwarring. In zijn brief aan de koning, ‘opgesteld in naam van de burgers’, inwoners van Doornik, doet hij een klemmende oproep aan Filips II – die hij telkens aanspreekt als ‘genadigste Heer’ – om de zaken, waarover het gaat, eerlijk te onderzoeken. Het gaat in dezen niet om een handjevol oproerkraaiers, maar om meer dan de helft van de inwoners van Doornik en om meer ‘dan honderdduizend mannen’ in den lande, die ‘de religie waarvan wij thans U de Belijdenis aanbieden, houden en volgen’. En ondanks dit grote aantal ‘wordt er bij niemand van hen enig voorbereidsel van opstand gezien en zelfs is nooit een woord van die strekking van hun kant gehoord’ (J.N. Bakhuizen van den Brink, Protestantse Pleidooien II, Kampen 1962, blz.156). Echter, nu schijnt de gedrukte versie van de brief in het boekje zelf milder van toon te zijn dan de geschreven versie die in het gevonden pakje zat. Tussen de gedrukte en de geschreven versie lagen namelijk het harde ingrijpen van de commissarissen en de strenge vonnissen.

De geloofsbelijdenis zelf was opgesteld in 1560 en al werd deze anoniem uitgegeven, toch kwam men via het drukkersmerk erachter, dat het in Rouen gedrukt was. Ondanks verwoede pogingen om ook de naam van de opsteller te achterhalen, bleef deze onbekend tot 10 januari 1562. Toen men via het verhoren van gevangenen er ten slotte achter kwam wie de opsteller was en waar hij woonde, kon men ternauwernood voorkomen dat al wat Guido de Brès aan papieren en boeken bezat, in de vlammen opging. Terwijl hij zelf uit de stad was gevlucht, had waarschijnlijk een van zijn vrienden zijn verblijfplaats, dat wil zeggen het tuinhuisje waar hij altijd studeerde, in brand gestoken. Ondanks deze brand kon men toch nog een tweehonderd exemplaren van de Geloofsbelijdenis en een aantal ‘verderfelijke boeken’ alsook brieven van onder andere Calvijn uit Genève en Datheen uit Frankfort in beslag nemen. Dit alles had helaas tot gevolg dat de gemeente van Doornik, bekend onder de schuilnaam ‘De Palm’, een grote slag was toegebracht, terwijl er door het verlies van zoveel exemplaren van de Geloofsbelijdenis een nieuwe druk noodzakelijk was. En gelukkig bleef het niet bij deze herdruk. Integendeel, vele herdrukken zouden nog volgen, waarbij het ook verspreid werd in andere landen. Daartoe werd het vertaald in het Nederlands (1562), in het Duits (1563), in het Engels (1645), in het Hongaars (1650), in het Latijn (1581), in het Grieks (1623, 1648).
De tekst, zoals wij die kennen, is vastgesteld op de Synode van Dordrecht (1618-1619) en vormt met de Heidelbergse Catechismus en de Dordtse Leerregels de grondslag van onze kerk. Het is dan ook van belang niet alleen de geschiedenis van dit belijdenisgeschrift, maar ook de inhoud ervan te bestuderen. Meer nog: al studerende onszelf te onderzoeken of we de inhoud mogen verstaan. Ja, dat we haar kunnen nazeggen: ‘Wij geloven’. Immers, daar komt het voor ons allen op aan! Echter, weet dat de geschiedenis van dit geschrift leert dat het niet ontstaan is in een gemakkelijke fauteuil. Integendeel, het is een belijdenis, waarin – zoals de titelpagina van de 1e druk aangeeft – men zich gedrongen voelde om overeenkomstig 1 Petr. 3:15 met zachtmoedigheid en vreze rekenschap af te leggen van de hoop die in hen was. En dit in tijden van bloedige vervolgingen! Ja, met de inhoud van deze belijdenis in het hart mocht Guido de Brès op 31 mei 1567 op het schavot staan, om ten slotte in te gaan in de rust die overblijft voor het volk van God.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.