+ Meer informatie

Ouderlingenconferentie 1962

17 minuten leestijd

Het is in deze ambtsopvatting, die duidelijk in de Kerkorde naar voren komt, dat het Gereformeerde Kerkrecht zijn zekering stelt tegen een aantasting van het koningschap van Christus.

In de kerk van Rome is het ambt een erepositie, een middelaarspositie, een plaats waar heel gemakkelijk menselijke heerszucht kan optreden.

Uit reactie daartegen waren velen in de dagen der Reformatie geneigd om alle ambt ten enemale te verachten en alleen plaats over te laten voor het ambt der gelovigen. Maar in het Gereformeerde Kerkrecht krijgt de ambtsdrager zijn plaats. Christus roept hem. En Christus bekwaamt hem. En niemand anders. Daarom is een ambtsdrager totaal niets zonder Christus, de grote Ambtsdrager. Maar daarom is de verkiezing van ambtsdragers dus ook iets heel anders dan de verkiezing voor b.v. een wereldlijke vergadering. Christus regeert in zijn gemeente. En daarom kunnen we volkomen onderschrijven wat Bavinck stelt in zijn Gereformeerde Dogmatiek (Dl. 4, 4e dr. blz. 36): „De kerk is geen vereniging, die door de wil van mensen tot stand komt, maar een stichting van Christus. Alle macht welke der gemeente toekomt, is haar daarom door Christus geschonken; zij is geen recht maar een gave. De gemeente is geen democratie, waarin het volk zichzelf regeert. Christus regeert in haar, en de keuze der gemeente heeft geen andere betekenis, dan dat zij de gaven opmerkt en de personen aanwijst, welke Christus voor het ambt heeft bestemd. Vandaar dat de gemeente wel kiest, maar die keuze staat onder leiding van hen, die reeds in het ambt zijn. Voorts is die keuze niet volstrekt vrij, maar gebonden aan voorwaarden en vereisten, die door Christus voor het ambt zijn aangegeven.”

Een van de peilers, waarop het Gereformeerde Kerkrecht rust is deze opvatting van het ambt. Daar wordt alle mensverheerlijking volkomen uitgesloten. Calvijn spreekt ergens over de ambtsdrager als van een mensje uit het stof opgerezen, dat ons de naam van God predikt. Hier past voor de ambtsdragers een heilige schroom, en tegelijk een diepe verwondering, om tot deze dingen verwaardigd te worden. Hier past voor de gemeente inderdaad het in ere houden, om huns ambtswil van de ambtsdragers.

Vooral blijkt uit de Kerorde de grote betekenis van het ouderlingen-ambt. Wanneer men zou willen, zou men dit het lekenelement kunnen noemen, dat bij Rome uit het zicht was verloren. In de ouderling roept Christus de gemeente tot zich. In zijn arbeid komt naar voren het feit, dat ons Gereformeerde Kerkrecht niet kent de onderscheiding van geestelijken en leken, zoals bij Rome gevonden wordt. Christus roept die Hij wil, om te dienen. En dan geldt hier hetzelfde als wat we opmerkten ten aanzien van de verkiezing van de Dienaren, de gemeente kiest niet. Maar de gemeente herkent onder leiding van de kerkeraad hen, die door Christus zijn aangewezen voor het ambt.

Het is de grote verdienste van het Gereformeerde Kerkrecht geweest, dat het met name aan de ouderlingen een zo grote plaats heeft gewezen in de regering van de kerk. Daarom wordt het Gereformeerde Kerkrecht ook genoemd het presbyteriale Kerkrecht. In de kerk heerst geen dominocratie, geen overheersende positie wordt aan de dienaren des Woords toegekend. In de kerk heerst alleen Christus. Daarom staan naast de dienaren des Woords de ouderlingen, die toe te zien hebben, dat de dienaren getrouw hun ambt waarnemen. Kortom, in het Gereformeerde Kerkrecht dienen de bepalingen omtrent de ambten in de kerk nergens anders voor, dan om duidelijk te laten uitkomen, dat er slechts één Koning is, één Wetgever: De Christus Gods.

Hetzelfde geldt, wanneer de Kerorde spreekt over de kerkelijke vergaderingen. Ons kerkrecht wordt ook wel genoemd het presbyteriaal-synodale kerkrecht, omdat er sprake is van kerkelijke vergaderingen, waarin en waardoor Christus zijn kerk regeert. De meest primaire kerkelijke vergadering is die van de kerkeraad. De kerkeraad vormt de cel, waaruit heel het kerkelijke leven voortkomt, alle andere vergaderingen zijn tijdelijk van aard, en worden ná de samenkomst terstond ontbonden. Er is geen blijvend kerkbestuur dat blijvend lopende zaken zou kunnen behandelen. Er is slechts één vergadering, die blijvend van aard is: waar het in het Gereformeerde Kerkrecht om gaat: de heerschappij van Christus te verzekeren. Daarom worden de besluiten niet genomen door één persoon, door de vergadering van de kerkeraad. En ook hier komt duidelijk het beginsel uit, een laat ik zeggen dominerende figuur uit de kerkeraad. Maar daarom worden besluiten genomen door de kerkeraad als geheel. Christus regeert door middel van het presbyterium. Dat betekent wat anders, dan dat een kerkeraad in hoogmoedige heerszucht aan een gemeente eigen wil op moet dringen. Regeren wil volgens het Nieuwe Testament niets anders zeggen, dan dat er ruimte komt voor wat Christus zegt. De regering van het lichaam van Christus, waartoe de kerkeraad is geroepen is, beoogt niets anders dan de stichting der gemeente, d.w.z., de opbouw van de gemeente op het fundament van profeten en apostelen.

Daarom heeft iedere kerkeraad haar taak wel te verstaan. Regeren is wat anders dan heersen over de gemeente. Het is echter ook wat anders dan door de gemeente opgejaagd te worden. In de kerk is niemand anders dan Christus koning. De kerkeraad heerst niet. Maar de gemeente evenmin. Bij de opvatting van het Congregationalisme berust het besturend gezag bij de gemeente, die dat echter uitoefent door middel van de kerkeraad. Daarom moet de gemeente bij deze opvatting over alles haar oordeel laten gaan, en moet zij over alle zaken bij stemming beslissen. De kerkeraad voert dan de wil der gemeente uit, maar regeert haar niet. (Verg. Kerkel. Handboekje, Uitg. Biesterveld en Kuyper, 1905, Inl. XIV).

Maar dat is naar Gereformeerde opvatting niet mogelijk. Natuurlijk zal een kerkeraad om het met de woorden van het huwelijksformulier te zeggen, niets anders willen dan de gemeente naar haar vermogen verstandiglijk te leiden; alle onverstandige drijven is uit den boze — maar de leiding berust bij Christus, die regeert door middel van de ambtsdragers. Daarom mag een gemeente aan haar kerkeraad het regeren niet onmogelijk maken, zoals een kerkeraad aan de gemeente het gehoorzamen niet onmogelijk moet maken. Wanneer alle kerkeraads-besluiten staan onder het regiment, dat Christus uitoefent dan zullen al te menselijke bepalingen achterwege blijven, dan zal er ook mildheid zijn in de beoordeling van allerlei situaties. Dan zal ook terecht gezegd kunnen worden: „Dit doende, elk in het zijne, zult gij van de Heere ontvangen het loon der gerechtigheid.”

Het spreekt haast vanzelf, dat we over de andere kerkelijke vergaderingen kort moeten zijn. Het is hier niet de plaats om breed in te gaan op de taak en de bevoegdheid der meerdere vergadering. Alleen het volgende zij opgemerkt: in de meerdere vergaderingen wordt het kerkverband als zodanig zichtbaar. In de meerdere vergaderingen demonstreert zich, dat Christus zijn kerk niet alleen vergadert in één plaats, in één classis, in één provincie, of zelfs ook maar in één land, maar dat Christus zijn kerk vergadert, als het Ene lichaam, onder het Ene Hoofd. De zichtbare eenheid van het Lichaam van Christus demonstreert zich niet in een z.g. plaatsvervanger van Christus op aarde, maar zij dient uit te komen op de z.g. meerdere vergaderingen. Zoals we zeiden: hier wordt het kerkverband zichtbaar.

Het kerkverband wordt niet gemaakt, maar het ís er, rondom het ene Woord van God en rondom de ene belijdenis. Daarom zijn de belijdenisgeschriften accoord van kerkelijke gemeenschap: Schrift en Belijdenis — zij vormen het fundament, zij ook alléén, van het kerkverband. Het kerkverband wordt nooit ofte nimmer gevormd door een eenheid in middelmatige dingen. Het wordt alleen gevormd door de eenheid in Schrift en belijdenis. Daarom kan het kerkverband ook nimmer, door welke kerk ook verbroken worden ter oorzaak van middelmatige dingen, doch alleen, wanneer Schrift en Belijdenis op het spel staan. Maar dan kán een breuk met het kerkverband ook gebiedende eis zijn, zoals ook juist omgekeerd dan ook het kerkverband corrigerend moet werken.

Deze paar opmerkingen zijn voldoende, om duidelijk te maken, dat het Gereformeerde Kerkrecht er niet naar streeft om de synodetafels zo vol mogelijk te maken, en om allerlei beslissingen, die op de mindere vergaderingen genomen kunnen worden door de meerdere vergaderingen te laten nemen. Van harte kunnen we daarom onderschrijven wat Bavinck in 1882 schreef in de Vrije Kerk (Overdruk in Kennis en Leven, Opstellen van artikelen uit vroegere jaren, Kok, Kampen, z.j., blz. 77) „Nooit mag worden vergeten, dat de ware band, die ons saam verbindt, zedelijk van aard is; het is de belijdenis des geloofs, niet de Kerkorde. Zij blijve ons heilig pand, ons gemeenschappelijk goed en worde door geen tal van wetten en reglementen omzwachteld en onttrokken aan het oog. Het gevaar om in onze tijd alles te centraliseren en alzo de kerk in een kerkgenootschap van reglementen te doen overgaan is zo groot, dat waarschuwing niet overbodig mag heten. Ook onze kerk staat aan dat gevaar bloot. Wij zijn een bond van vrije Gereformeerde Kerken — dat vergete men nooit. De autonomie der particuliere gemeenten moet dus zo veel mogelijk gehandhaafd worden. Men regele, condificere niet alles. Er zij vrijheid, verscheidenheid; in de burgerlijke, zo ook in de kerkelijke gemeente. Een Zeeuw is een ander dan een Fries, ook in het godsdienstige. Dat verschil worde niet uitgewist, die rijkdom worde geëerbiedigd. Het is volstrekt geen vereiste, dat in alle gemeenten alles op dezelfde leest geschoeid zij.”

Het koningschap van Christus openbaart zich daar, waar men getrouw is aan zijn Heilig Woord, en waar men de belijdenis van dat Woord ongeschonden bewaart. Daarom zou het een gevaarlijke ontwikkeling zijn in de richting van de synodocratie, wanneer alles werd geregeld en gewettificeerd, ook datgene, wat niet in direct verband met Schrift en Belijdenis staat. Een Kerkregering, die dát voorbijziet maakt zichzelf tot een ondragelijke tirannie.

In de derde plaats blijkt het Gereformeerd Karakter van onze Kerkorde duidelijk uit het feit dat de wacht wordt betrokken bij de leer en bij het sacrament, in verband waarmee dan in de laatste plaats in de Kerkorde gehandeld wordt over de kerkelijke tucht.

In het stuk van de kerkelijke tucht gaat het om de proef op de som. Hier moet het Gereformeerde Kerkrecht in zijn geestelijk karakter uitkomen.

Christus vergadert zijn kerk door Woord en Geest.

Die gemeente komt bijeen onder de bediening van het Woord. Daarom staat de preekstoel centraal. Maar die gemeente wordt zeer speciaal zichtbaar in de viering van het Heilige Avondmaal. De viering van het Heilig Avondmaal is niet iets accidentieels, iets van bijkomstige aard. Neen, de viering van het Heilig Avondmaal is wezenlijk voor de gemeente. Daar moet blijken in hoeverre de Bediening van het Woord vrucht heeft gedragen. Christus trekt de zijnen tot zich door zijn Heilige Evangelie, zo, dat het één Lichaam is. En dat wordt zichtbaar aan de dis van het verbond.

Daarom heeft het Gereformeerd Kerkrecht dan ook zeer terecht de wacht betrokken bij die dis van het Verbond. Duidelijk blijkt dit in de strijd, die Calvijn heeft gevoerd in Genève. Toen zijn kerkelijke regering in de werkelijkheid werd getoetst kwam het conflict, dat immers juist uitbrak bij de toegang tot het Avondmaal.

Niet alleen de bediening van het Woord moet zuiver gehouden worden, maar ook de bediening van de sacramenten.

Men zou zich vergissen, wanneer men zou menen, dat dit accent op het Avondmaal in het Gereformeerde Kerkrecht voort zou komen uit een soort sacramentalisme, dat terugvoert in de schoot van Rome. Juist aan het sacrament wordt de kracht van het Woord openbaar. Dat Woord wordt door het sacrament verzegeld. Het wordt ook bij het sacrament beleden. Geweerd dient dus te worden hij, die de kracht van dat Woord niet verstaat, hetzij dat hij de leer van dat Woord verwerpt, hetzij dat hij een leven naar dat Woord niet kent en openbaart. De genade-heerschappij van Koning Jezus, het Evangelie van de zaligmaker wordt nooit heerlijker openbaar dan aan het Heilige Avondmaal. Daarom moeten daarvan uitgesloten allen, die deze leer van het Evangelie miskennen, of die haar met hun leven weerspreken.

Zo betrekt in de kerkelijke tucht de kerkeraad de wacht bij het Heilige Avondmaal.

Dat gebeurt niet alleen, wanneer het gevierd zal worden en dus de tafelwachten worden aangewezen, die hebben toe te zien, wie er aantreden. Maar dat gebeurt al eerder, dán namelijk, wanneer de toegang tot de Dis ontsloten wordt, bij het onderzoek voor de kerkeraad.

Dáár reeds wordt de wacht bij het Avondmaal betrokken. Zij, die de vreze des Heeren niet bezitten kunnen deswege geen belijdenis des geloofs doen, die de toegang tot de dis van het verbond ontsluit.

Hier speelt tweeërlei motief.

In de eerste plaats: opdat het verbond Gods niet ontheiligt zou worden en de heerlijkheid van Koning Jezus geschonden.

Maar in de tweede plaats een medisch motief: kerkelijke tucht bereikt haar doel nimmer met uitsluiting. Zij bereikt eerst haar doel, wanneer ontsloten kan worden. Zodat hier toch wel duidelijk geldt, wat onze vaderen gezegd hebben in de Dordtse Leerregels (III, IV, 17): Daarom dan gelijk de apostelen en de leeraars, die hen zijn gevolgd, van deze genade Gods het volk godzalig hebben onderricht, Hem ter eer en tot nederdrukking van alle hoogmoed des mensen, en ondertussen nochtans niet hebben nagelaten, hen door Heilige Vermaningen des Evangelies te houden onder de oefening des Woords, der sacramenten en der kerkelijke tucht; alzomoet het ook nu ver vandaar zijn, dat diegenen, die anderen in de gemeente leren, of die geleerd worden zich houden vermeten God te verzoeken door het scheiden der dingen, die God naar zijn welbehagen heeft gewild dat tesamen gevoegd zouden blijven. Want door de vermaningen wordt de genade medegedeeld; en hoe vaardiger wij ons ambt doen, des te heerlijker vertoont zich ook de weldaad Gods, die in ons werkt en zijn werk gaat dan allerbest voort.”

Zo komt de kerkelijke tucht dan eerst tot zijn recht, wanneer ook daardoor de genadeheerschappij van Christus wordt erkend. Door de vermaningen wordt de genade medegedeeld.

In grote lijnen hebben we zo trachten aan te geven, hoe ons kerkrecht en als uitvloeisel daarvan, hoe onze Kerkorde geen ander doel heeft dan de leer van het Heilige Evangelie van onze Heere wel te bewaren. Het koningschap van Christus veilig te stellen, of anders: voorzover dat mogelijk is de zuivere bediening des Woords en de bediening der sacramenten te bevorderen.

We willen nu besluiten met enkele practische opmerkingen te maken, die met het voorgaande samenhangen.

Laat het eerst een zeer algemene opmerking mogen zijn. De bestudering van het kerkrecht behoort bij ons niet tot de meest geliefde bezigheden. Misschien is het te danken aan een verkeerde geestelijke instelling tegenover de kerk en haar recht, dat bij ons het kerkrecht en de vragen rondom de kerkorde weinig of geen belangstelling hebben. Voor veler besef wordt de stand van zaken in dit opzicht weergegeven in de bekende stelling van de Duitse rechtsgeleerde, Rudolf Sohm, het wezen van de kerk is met het wezen van het recht in tegenstelling.

Dit standpunt heeft veel aanhangers gevonden in Duitsland onder Lutherse theologen, maar het werkt door tot op de dag van vandaag in de theologie. En het moge dan al niet zo duidelijk geformuleerd worden, velen geven heimelijk Sohm gelijk, ook velen van de onzen. Men drukt dat soms uit, hoewel geheel ten onrechte, met het woord van Paulus: Waar de Geest des Heeren is, daar is vrijheid. Men gevoelt de orde der kerk als ballast. Men beseft niet, dat deze orde er is, om de zuivere bediening van het Woord en de zuivere bediening der sacramenten te verzekeren. En men is veelal onkundig met de les van de historie, die ons duidelijk laat zien, dat een veronachtzaming van de Kerkelijke Orde spoedig zal leiden tot een volkomen ontbinding van alle kerkelijke leven, met als noodzakelijk gevolg het verlies van de waarheid Gods, de volheid van het Evangelie. Wie het kerkrecht veronachtzaamt houdt straks geen genade meer over. Want het is door dit recht der genade, dat de kerk bewaard wordt bij de leer, die naar de godzaligheid is. De studie van het kerkrecht, de beginselen van de Kerkorde, de studie ook van de kerkelijke practijk is ook voor de ouderling onmisbaar.

Onze kerk is presbyteriaal, d.w.z. groot gewicht hangt aan de functie van de ouderling. Men heeft wel gezegd, dat in tijd van oorlog een leger staat of valt met zijn onderofficieren en niet met zijn officieren. Zonder de vergelijking te willen doortrekken moeten we toch zeggen dat een presbyteriale kerk staat of valt met zijn presbyters, dat is met zijn ouderlingen. Dat wil in dit geval dus zeggen ook wat betreft de toekomst ten aanzien van de studie van het kerkrecht. Daar komt een andere reden bij.

Er is een tijd geweest, dat de vragen van de kerkorde en van het kerkrecht geen aandacht hadden. Maar die tijd is voorbij. In Duitsland léven de vragen van het kerkrecht blijkens de stroom van litteratuur. Door de nieuwere exegese worden er vandaag evenzeer vragen gesteld omtrent het ambt, over de verhouding van de ambten, over charisma en ambt, over de functie van het ambt der gelovigen, vragen, waaraan we, hoezeer we dat ook willen, niet aan voorbij kunnen. In ons eigen vaderland heeft de Nieuwe Kerkorde in de Hervormde kerk een totaal ander beeld gegeven van de oude Hervormde kerk, terwijl ook de Gereformeerde Kerken met een andere Kerkorde zijn gekomen. Ook daarmee krijgen we te maken. Voeg daar tenslotte nog bij, dat er een zoeken is allerwege naar nieuwe vormen van gemeenschap, naar een herbouw van het gemeentelijke leven, waartoe van de Pinksterbeweging sterke stimulansen uitgaan ook op de kerken, dan is het dunkt ons wel heel duidelijk, dat we ons hier niet met een toeschouwerspositie kunnen onledig houden. Als wij ons niet met deze vragen bezig houden, zullen de vragen zich straks met ons bezig houden, zodat we dan lijdend voorwerp zijn geworden. Nodig hebben we een ouderlingschap, die genegen is om ook op dit punt Gods Woord naarstig te onderzoeken, en zichzelf gedurig te oefenen in de overlegging van de verborgenheden des Geloofs.

Wie zo de juiste visie heeft op de kerk en op haar ordeningen zal in de ambtelijke practijk sterk staan. Hij wordt bewaard voor een wetteloosheid, die moet uitlopen op de ontbinding van heel het kerkelijk leven. Een kerkelijk leven ís niet dan eerst volmaakt, wanneer er maar geregeld gepreekt wordt. Dat is ongetwijfeld een belangrijk ding. Maar de vruchten van de prediking vloeien af, wanneer er geen stevig kerkelijk leven omheen staat. Hoe veel gemeenten zouden in vroeger tijd op deze wijze aan een volkomen onkerkelijke sfeer zijn uitgeleverd? Een kerk is nog wat anders dan een gezelschap van gelijkgezinden. Er moet gewerkt worden. Getrouw gewerkt, biddende gewerkt. En arbeid in getrouwheid verricht zal vrucht dragen.

Maar al te vaak is een houding van wetteloosheid de voorbode geweest van een ontbreken van het evangelie, in zijn volle zin. Menselijke heerschappij over de conscientie nam daar al spoedig de plaats in.

Aan de andere zijde moeten we oppassen voor een formeel, uiterlijk handhaven van de kerkorde. Zeer terecht is opgemerkt door Prof. Dr. F. L. Rutgers (De geldigheid der oude Kerkenordeningen, Amsterdam 1890, blz. 41), „dat er in de Nederlandse kerken altijd zekere ruimte was met betrekking tot de opvolging der Kerkenordening.”

Daarom werden bij bijna alle uitgaven van de Kerkenorde de woorden opgenomen, dat de kerken zouden arbeiden, of neersticheijt doen, om deze artikelen te onderhouden. Formalisme leidt al evenzeer als wetteloosheid tot de dood voor het evangelie. Dat betekent niet, dat er maar met de kerkenorde kon worden omgesprongen naar bevind van zaken. Maar het wil wel zeggen, dat onze vaderen oog hadden voor het karakter der Kerkorde en dus ook van het kerkrecht.

De kerkorde is er — zeiden we om de zuivere leer van het evangelie te bewaren. Dat moet dan ook de kern van de zaak blijven.

Het gaat om dat evangelie, dat door geen menselijke heerschappij mag worden verdrukt. Anders gezegd, het gaat om de kerk, de gemeente van de levende God, die haar weg vandaag moet vinden in een wereld van spanning en revolutionnaire veranderingen. Het gaat ook vandaag in kerkorde, kerkrecht en kerkregering om de zekerheid, dat Christus Koning blijft van zijn kerk.

Wanneer Hij het regiment aan zijn Vader zal overdragen, dan zal er geen gereformeerd kerkrecht meer nodig zijn.

Maar tot op dat ogenblik zal juist dat gereformeerde kerkrecht levend en krachtig genoeg kunnen blijken om ook in de wereld van vandaag, als gemeente staande, het koningschap van Christus niet alleen te doen prediken, maar dat koningschap van Christus ook te doen uitkomen in de gemeente — de volken tot een getuigenis.

Ik dank u voor uw aandacht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.