+ Meer informatie

HULPVERLENING AAN DRUGVERSLAAFDEN

10 minuten leestijd

Het gebruik van drugs was tot voor kort voorbehouden aan opium schuivende Chinezen of coca-bladeren kauwende Indianen. Dat wisten we, omdat we daar wel eens iets over gelezen hadden in een boek of tijdschrift. We zijn dan ook nog niet over de verbazing heen dat in amper vijf jaar de drugs - en de daarmee gepaard gaande handel - Nederland veroverd hebben.

Het begon allemaal zo mooi aan het eind van de zestiger jaren. Een nieuw elan leek de jeugd te bezielen. De flower-power nam in korte tijd een grote vlucht. Bloemen in plaats van ruzie, liefde in plaats van haat. De jeugd was internationaal, keek verder dan de eigen neus en het eigen land lang was. En vooral in Amsterdam was dat te merken. Het leek wel of de halve wereld hier vertoefde. De argeloze voorbijganger kreeg bij het passeren van de Dam in vele talen een bloem aangeboden. En de goede raad luidde: make love, not war. In de zomer sliepen deze internationale gasten in het Vondelpark, verbaasd aangestaard door moeders met spelende peuters en oude mensen op hun ochtendwandeling.

Maar het duurde niet lang of de eerste stickies werden gerookt. Om dat „happy-feeling” langer te laten duren. En nog maar nauwelijks was Amsterdam aan zijn gasten gewend, of de handel in drugs stortte zich op deze potentiële klantenkring. In een paar jaar was het gebeurd. De bloemen werden verwisseld voor de spuit. Voordat het nieuwe jeugdelan had kunnen beginnen, hadden de drugs al gewonnen.

Nu weet iedere Nederlander wel iets over drugs. Want duizenden jonge landgenoten gebruiken drugs. En via de krant en de t.v. leven we mee met de statistieken: zoveel hero-inedoden dit jaar, zoveel kilo drugs gevonden door de politie, zoveel misdrijven gepleegd om aan geld voor drugs te komen, zoveel heroïhehoertjes, zoveel……… Die statistieken worden werkelijkheid en menselijk in televisie-reportages, in boulevard- en dagbladen. Kortom dit alles vindt plaats voor de kerkdeuren, bij u in het park om de hoek, in de straat waar u woont of wandelt, bij de buren, soms bij ons.

De gemeente van Jezus Christus wordt intern en extern met dit probleem geconfronteerd. Zo ontstaat de behoefte aan hulpverlening. Niet hulp in het algemeen, maar heel duidelijk hulp door christenen. Niet zozeer omdat christenen iets extra’s zouden hebben wat anderen missen. Maar omdat christenen in deze wereld staan met een visie, geent op de bijbel. En die visie op mens, samenleving en verslaving maakt hulpverlening door christenen niet alleen mogelijk maar ook noodzakelijk.

Christenen weten dat verslaving niet alleen zielig is voor de betrokkenen of ontstaan door allerlei maatschappelijke factoren. Verslaving is, hoe dan ook, in de eerste plaats zonde tegen het eerste gebod, want het is afgoderij. Vanuit die kijk hebben christenen een eeuw geleden meegedaan in de strijd tegen de alcoholverslaving. Het bezig zijn met andere goden is trouwens ook nooit helemaal bij onszelf weg. Er wordt, ook in eigen kring, weer heel wat gedronken, gerookt en gegokt. In principe is dat, zeker als er sprake is van „niet kunnen stoppen” ook verslaving en dat is dan niet iets anders dan ver-slaving aan drugs. We kunnen wel mooi praten over getolereerde (roken, alcohol) en niet-getolereerde (drugs) drugs. Voor christenen is het allemaal afgoderij!

Een ander aspect van die visie is dat christenen weten dat het met de mens niet best is gesteld aan de ene kant. Maar met diezelfde mens is er de andere kant, dat het niet hopeloos met hem is. Wij zijn zondaren, maar er is redding mogelijk door Jezus. Dat maakt verschil met b.v. een pessimistische kijk op de verslaafde. In dat geval is een heroïne-verslaafde een hopeloos geval. Er is geen kans meer dat hij weer een gewoon mens wordt. Het beste is dus dat de overheid maar gratis heroine verstrekt, want dood gaat hij toch. In een wat optimistischer kijk heeft men de gedachte dat verslaving niet zo erg is, als de verslaafde maar wat maatschappelijk kan functioneren. Maar kan een verslaafde dat niet meer, dan dienen we hem op te sluiten of verplicht af te laten kicken. Hulpverlening door christenen in dit veld is enerzijds werk met veel verwachting, maar anderzijds met weinig illusies.

Drugs - evenals alcohol - vertroebelen onze kijk op de werkelijkheid. Dat is satanisch. Alle gepraat over hoeveel gram mensen wel of niet mogen hebben voor eigen gebruik miskent die demonie. De wat angstige tolerantie waarmee we in dit opzicht door de jaren zeventig zijn gehuppeld, heeft het druggebruik niet verminderd. Er is onvoldoende ingezien hoe onmenselijk het is als mensen letterlijk hun ziel en zaligheid verkopen voor drugs. Verslaafd zijn is afgoderij en in dat opzicht is drugverslaving niet anders dan nicotineverslaving. Maar verslaafd zijn aan b.v. heroïne betekent wel het binnengaan van de hel op aarde. Mensen worden gedepersonifieerd. Niet voor niets worden door linkse en rechtse dictaturen dit soort middelen gebruikt om mensen „kapot te maken”. Alles wat een mens minder mens maakt is voor christenen niet te accepteren. We komen dan ook in beweging als het gaat over b.v. abortus. We gaan zelfs de straat op en demonstreren en protesteren. We zijn - jammer genoeg - nog niet zover dat we hetzelfde doen als het gaat om het kwaad van de drugs en b.v. de bewapening.

Juist die verschillende visies op mens en samenleving maken verschillen als het aankomt op de praktijk van de hulpverlening. Als men de demonie van drugs miskent is de hulpverlening veel meer gericht op „het iemand leren omgaan met zijn druggebruik” dan op „losmaken van drugs”. Als de visie op de mens optimistisch is, dan hebben de samenleving en de ouders schuld aan het druggebruik van een kind. Die samenleving moet dan veranderen en die ouders dienen wat minder autoritair en wat meer tolerant te worden. Omdat we in Nederland nog zo kort met dit alles te maken hebben, is met name de visie van de overheden op drugs en hulpverlening nog erg onaf. Gevolg is dat het nog niet goed mogelijk is de hele problematiek in één beleid te overkoepelen. Gevolg is wel dat de één meer kijkt naar politieke en economische kanten (laat ze verplicht afkicken). Een ander ziet het meer van de kant van de openbare orde (geef gratis heroine, dan hoeven ze niet meer te stelen). De hulpverlener ziet het dan weer vanuit de kant van de verslaafde. En die verschillende belangen botsen met elkaar zodra het aankomt op praktische uitwerking.

Verslaafden hebben hulp nodig. In zijn eentje kan een verslaafde niet loskomen van zijn verslaving. Die hulp moet echter deskundige hulp zijn, want verslaafden spelen een spel. Om zijn zin te krijgen is een verslaafde tot alles bereid, zelfs tot bekering. Maar zodra hij zijn zin heeft, verbreekt hij de relatie tot hij een volgende keer weer hulp nodig heeft. Verslaafden zijn meesters in het uitspelen van de ene mens tegen de andere. Dat doen ze dan ook. Immers de wereld van de drugs kent nog maar één norm: waar haal ik mijn volgende hoeveelheid drugs vandaan en wie kan me daarbij van „dienst” zijn?! Hulpverlenen aan verslaafden kent dan ook geen snelle en goedkope successen. De hulpverlener moet een doorzetter zijn, die zich aan de ene kant niet moet laten gebruiken, en aan de andere kant, telkens als de verslaafde faalt, moet laten merken dat hij die verslaafde niet laat vallen. Hulp aan verslaafden, zeker als die niet gemotiveerd is tot afkicken, is een zaak van deskundigheid. De pastorale bedoelingen en bekwaamheden van ouderlingen en predikanten zijn geen garantie voor deskundigheid. Het helpen van een gemeentelid met een drugprobleem kan ook betekenen dat je beseft zelf niet te kunnen helpen en dus anderen inschakelt. Een deel van het werk vindt plaats in de wereld waar de gebruikers zijn. In kroegjes, kraakpanden of gewoon op straat. Daar wordt contact gelegd door de helper. Daar wordt vaak heel concrete hulp verleend, zonder dat er bij de verslaafde direct de be-hoefte is om te stoppen met gebruik. Die hulp kan bestaan uit kleding, eten, zoeken naar huisvesting, het krijgen van een sociale uitkering. Dus hulp bij de eerste levensbehoeften van de verslaafde. Als zo vertrouwen gewonnen wordt in de loop van de tijd, ontstaat de mogelijkheid dat de verslaafde eens bij je op bezoek komt. Zo wordt één of meerdere avonden per week aan verslaafden waar contact mee is gegroeid, een gezellige avond aangeboden. Er is de mogelijkheid om te douchen, er wordt samen gegeten. Vooral is er de andere sfeer dan die van het drugwereldje, want er is die avond contact met mensen die geen drugs gebruiken. Hier kunnen - getrainde - christenen concreet iets doen.

Wanneer een verslaafde te kennen geeft te willen stoppen met zijn gebruik, ontstaat er een periode van ‘intensief contact tussen helper en verslaafde. Het is nodig de verslaafde te blijven motiveren tot „afkicken”. Hij moet het niet zomaar willen of om de helper een plezier te doen, want dan is hij na een week weer opnieuw verslaafd.

Ook wordt diepgaand besproken waarom hij drugs is gaan gebruiken. Zonder zicht op en werken aan de oorzaak van het gebruik blijft de mogelijkheid tot terugval groter. Tenslotte is een verslaafde vaak helemaal losgeraakt van zijn oude vrienden en zijn familie. De enige mensen waar hij nog mee omgaat zijn de kameraden uit de drugwereld. Wanneer er geen brug geslagen wordt naar die oude relaties, heeft de verslaafde na het afkicken alleen zijn drugvrienden om op terug te vallen. De stap tot opnieuw gaan gebruiken is dan natuurlijk erg klein. Ook hier ligt voor christenen de mogelijkheid voor verslaafden iets te doen.

Een volgende stap is dan het proces van afkicken. Hierbij gaat het om de lichamelijke ontwenning van de drugs. Dit kan met of zonder medicijnen gebeuren, afhankelijk van het advies van de arts. Tijdens die ontwenningsperiode is aanwezigheid van een helper nodig, zeker bij een ontwenning zonder medicijnen, de zogenaamde cold-turkey. Na de afkick begint het „nieuwe leven”. Bijna altijd is dat ergens op het platteland, ver van de wereld van de drugs in elk geval. Want de geestelijke ontwenning is niet zo eenvoudig en duurt ook lang. Opnieuw leren leven betekent b.v. weer leren omgaan met jezelf: een goede verzorging van het lichaam, op tijd weer opstaan, regelmatig en afwisselend eten. Het gaat ook om leren leven met de dingen, zoals bed opmaken, afwassen, een deur verven, de tuin spitten. Verslaafden dienen weer te leren leven met de natuur, vaak spelen dieren daar een grote rol bij, omdat ze soms vervreemd zijn van mensen. Maar ook met andere mensen moeten ze weer leren omgaan, vandaar dat er vaak een groep verslaafden in één boerderij langzamerhand samen, onder begeleiding van de helpers, leert omgaan met elkaar, met ruzies incluis.

De laatste fase is die van de resocialisatie. Wanneer mensen weer hebben leren leven, moeten ze een weg zien te vinden in de samenleving. Zo wordt het bestaan in het ontwenningscentrum afgebouwd, doordat de ex-verslaafde weer gaat werken, aan sport gaat doen, een vereniging gaat bezoeken en dergelijke. Dus een eigen normale plaats in de samenleving weer gaat innemen. Als die plaats gevonden is, gaat hij zelfstandig verder. Van de kant van de hulpverlener wordt, zeker in het begin, wel contact onderhouden. Om bij moeilijkheden niet weer naar drugs te grijpen, vraagt hulp en ondersteu-ning, ook van anderen dan de „officiële” helpers.

Dit werk en de mensen in dit werk kunnen niet zonder hun dagelijkse gebed. Ze kunnen ook niet zonder de voorbede van de gemeente van Jezus Christus en die van u. Omdat Jezus alle macht heeft in hemel en op aarde, mogen wij vragen dat Hij dat waar maakt ook in die wereld waar nu nog de demonen het voor het zeggen hebben.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.