+ Meer informatie

Catharijneconvent: monument met een zinvolle toekomst

Expositie in Utrechts Centraal Museum

7 minuten leestijd

Tot 30 november a.s. is in de tuinzaal van het Centraal Museum te Utrecht de tentoonstelling ,Het Catharijneconvent, monument met toekomst" te bezichtigen. Deze expositie is gewijd aan reeds eerder in het nieuws geweest zijnde vroegere kloostercomplex van de Johannieters aan de Lange Nieuwstraat in de Domstad. In dat nu te restaureren complex zal binnen enkele jaren het unieke Museum van de christelijke cultuur in al haar facetten worden ondergebracht

De tentoonstelling is opgezet als een samenwerkingsproject tussen het Aartsbisschoppelijk en het Centraal Museum, het Gemeentearchief en de dienst openbare werken van de stad Utrecht.

Wij maakten reeds melding van dit museum, waarin op den duur de diverse musea van het bisdom opgaan en waarin ook een aantal Protestantse kerken via een gemeenschappelijke stichting participeren. 
In het oude Johannieterklooster — niet ver van het huidige Centraal Museum. dat voor een deel is gehuisvest in het vroegere Agnietenklooster — komt dan dit Rijksmuseum Het Catharijneconvent.

Wat nu tot tot eind november kan zien is de bouwgeschiedenis van rat Wooster, de functie ervan in de loop der eeuwen en de restauratie, die uitmondt in de nieuwe bestemming. Een aantal lezingen, voor een deel reeds gehouden, vullen aan wat de tentoonstelling niet allemaal kan tonen. Op 28 oktober a.s. spreekt bijv. G. T. Haneveld over „Het Catharijneconvent als Gasthuis".

Vereniging

Om meer bekendheid aan het nieuwe museum-in-oprichting te geven is een Vereniging van Vrienden van het Catharijneconvent in het leven geroepen. Voorzitter daarvan is oud-staatssecretaris dr. F. H. M. Grapperhaus en dr. G. A. Wellen te Utrecht beheert het secretariaat. De expositie wordt vergezeld van een zeer fraai geïllustreerd boekwerkje over de geschiedenis van het gebouwencomplex.

De heer D. P. Snoep van het Centraal Museum zet daarin bijv. uiteen, wat de Johannieters — de spelling „Johanniters" lijkt ons minder juist — met het Catharijneconvent te maken hebben en wat belde weer hebben uit te staan met het weinig verheffende moderne bouwsel dat als winkelcentrum Hoog-Catharijne bekend staat.

Op die plaats vestigden zich namelijk de kruisridders van de Johannieter orde, stichters van vele hospitalen en gasthuizen langs de routes naar en van het Heilige Land. De Utrechtse vestiging was deel van het groot-prioraat van Duitsland, één der acht „naties" of „tongen", waarin het ganse gebied van de orde was verdeeld. Aan het hoofd stond de grootmeester van Malta.
Elk grootprioraat was onderverdeeld in prioraten of balijenen de Utrechtse balije bestreek de gehele Noordelijke Nederlanden.

Balijer

Die balije had aan haar hoofd weer een balijer en hij bestuurde, in samenwerking met een prior, vanuit Utrecht de Johannieter vestigingen: kloosters en kloosterboerderijen, die elk op zich een commanderij heetten. Nu was het Utrechtse Catharijneconvent zo'n klooster van de Utrechtse balije en in dit klooster had de balijer zijn onderdak, tevens als commandeur van het hospitaal.

De vestiging der Johannieters moet vóór 1231 reeds zijn beslag hebben gekregen in Utrecht, maar van het voormalige Catharijneveld moesten zij verdwijnen omdat daar het kasteel Vredenburgh werd opgetrokken om de Domstedelingen rustig te houden. De Johannieters verhuisden naar een vroeger Carmelietenklooster aan de Lange Nieuwstraat (het Catharijneconvent) en de Carmelieten werden verdreven naar een nieuwbouw bij de Nicolai- of Klaaskerk.

De huidige Catharijnekerk bij het klooster — straks ook deel van het museum, maar daarnaast in gebruik voor de RK-eredienst — is niet erg spectaculair, maar wel liggen er de balijers en kloosterlingen en ook gasten van de Johannieter orde begraven, bijv. de kunstschilders Gerard van Honthorst en Anthonie van Bloklandt.

R.-K. verboden

Kerk en klooster gingen hun aftakeling tegemoet toen in en na 1580 te Utrecht de R K godsdienstoefening verboden werd. De laatste Johannieter balijer Berck, verzette zich tegen de Staten, maar moest het tenslotte verliezen: de overheid naastte langzaamaan alle vroegere RK bezittingen en in 1582 kreeg Hendrick Berck opdracht, de Catharijnekerk in gereedheid te brengen om als stadsbibliotheek te worden gebruikt.
Het klooster bestond toen nog, maar op zeer smalle basis.
De „reor
ganisatie" — die uiteindelijk toch neerkwam op onteigening — ging door en in 1588 werd de laatste balijer van zijn ambt ontheven. 
Het convent 
blijft ook dan nog voortbestaan, maar vooral als een hospitaal en gasthuis. 

Nadat de Catharijnekerk vervolgens voor diverse zaken is benut — onder meer een smederij en een aanmonsteringskantoor voor Franse soldaten — komt in 1635 de kerk in handen der aanhangers van de nije leere. 
In mei 1636 volgde de eerste Gereformeerde kerkdienst en aan de Johannieters en hun roemrucht verleden herinnerden toen nog slechts wat wapenschilden in glasvensters.

Gasthuis

Kerk en kloostercomplex hebben een lange bewogen geschiedenis. Wij zullen die niet in de breedte schetsen; de tentoonstelling geeft er een goede indruk van. G. T. Haneveld schrijft over de historie van het gasthuis. 
Zo'n middeleeuws gasthuis was niet — wat men wel denkt — allereerst voor arme zieken opgericht, maar primair ook bedoeld als logiesmogelijkheid voor reizigers en pelgrims. 
In de middeleeuwen geloofde men, aldus Haneveld, trouwens helemaal niet dat een zieke baat zou hebben bij opname in een gasthuis.

De oude gasthuizen waren Godshulzen, waar men hongerigen herbergde en spijzigde, maar pas tegen de 15e eeuw krijgt zo'n gasthuis ook de betekenis van verpleeghuis voor zieke doorgaande reizigers en vandaar ook ziekenhuis. Hoe zo'n ziekenhuis er in de middeleeuwen uitzag is niet geheel bekend, maar een Utrechts paneel over het Catharijnegasthuis — van vóór 1635 — geeft toch een aardig beeld. 
Patiënten liggen vaak twee aan twee in één bed en de kleine bedsteden worden naar de voorkant toe afgesloten met zware gordijnen om de zieke en mogelijk ook de „buitenwacht" — te beschermen tegen schadelijke invloeden.

Snijzaal

Het gasthuis won aanzienlijk aan betekenis toen in 1636 de Illustere School werd verheven tot academie en er een faculteit der geneeskunde ontstond met als hoogleraar de stadsgeneesheer Willem van der Straaten, die vooral als anatoom zijn kunde overdroeg. 
Zij betekende ook veel voor de ontwikkeling van het klinisch onderwijs aan het ziekbed, een praktijkervaring, die men elders nog niet zó kon opdoen, weshalve Leidse studenten bok naar Utrecht dreigden te snellen.

Ook het theatrum anatomicum of snijzaal — eerst in het koor van de Catharijnekerk, later in het gasthuis — had een goede naam. Hier werden o.a. opgehangen dieven en andere misdadigers voor het oog der mensen ontleed. In de 18e en I9e eeuw kwam het verval van dit gasthuis; in 1811 was het afgelopen met deze verpleeginrichting en het werd een inkwartieringskazerne en militair logement en in onze eeuw o.m. gymnastiekzaal, opbergruimte etc. Nu wordt het in oude luister hersteld, maar een museum is wel gastvrij, doch geen gasthuis.

Kathedraal

Ondertussen zal het niet de eerste museumfunctie worden van het gasthuis, wanneer in 1978 het Catharijneconvent kan worden geopend. In diverse zalen en vleugels heeft of had het al de volgende musea onder zijn hoede: het Brandweermuseum, het Museum van Nieuwe religieuze kunst, het God- en  zilver- en klokkenmuseum en het nationaal museum Van Speeldoos tot Pierement, waarvan er diverse inmiddels naar andere bestemmingen zijn verhuisd. 
De Catharijnekerk — wij lieten haar straks achter bij de overname door de Gereformeerde religie in 1636 — heeft eveneens een tamelijk bewogen ontwikkeling doorgemaakt. Op 8 mei 1842 — na ruim twee eeuwen — fewam de kerk weer in bezit van de R K gemeente van Utrecht, door toedoen van koning Willem II, die het de Rooms-Katholieke medeburgers medelijk maakte, hun schuilkerk aan de Catharijnesteeg in te ruilen voor dit oude bouwwerk.

Erg fraai en opvallend is het niet, maar na het herstel der bisschoppelijke hiërarchie in 1853 wordt deze kerk verheven tot de RK kathedraal van het aartsbisdom Utrecht en Metropolitaankerk van de Nederlandse kerkprovincie.

Kruisbasiliek

Uiteraard konden de Rooms-Katholieken, kerk, nog altijd treurend over de teloorgang van „hun" Domkerk, het niet laten zitten bij een dergelijk tamelijk onooglijk Godshuis, gelegen naast een verwaarloosd gasthuis. 
Zo ontstonden sinds medio 1850 allerlei fraaie plannen om van de kerk inderdaad een echte kathedraal te maken, die niet zou onderdoen voor de grote Franse monumenten er middeleeuwen.

Dat was toen wel erg hoog gegrepen en wie de tekeningen van destijds aanschouwt, glimlacht een weinig over zoveel naïviteit. Maar zelfs in 1946 was er sprake van een tamelijk rijk Roomsch leven. Zo kon architect ir. G. M. Leeuwenberg in dat jaar zijn plannen voorleggen.

Welnu, die waren niet mis: hij ontwierp een bijna geheel nieuwe kruisbasiliek met grootscheepse torenpartijen en in een Romaanse-Gotische stijl, waarin de oude Catharijnekerk is opgenomen als een zijbeuk. 
Kardinaal De Jong zou een prachtige bisschopskerk krijgen.

Er kwam van de plannen niets terecht — de lasten zouden onvoorstelbaar hoog worden. De eenvoudiger restauratie van 1955 heeft er een kerk voor teruggegeven, die dank zij Pieter Saenredams tekeningen er uitziet als in de 17e eeuw.
De toegangsprijs tot de expositie over het convent is één gulden.


Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.