+ Meer informatie

Openingswoord landelijke ambtsdragersconferentie in de ichthuskerk te amersfoort op zaterdag 22 april 1989

7 minuten leestijd

Allerlei gebeurtenissen en ontwikkelingen die zich mondiaal en nationaal aan ons voordoen, kunnen ons het gevoel geven, dat we ons met onze kinderen in de laatste fase van de geschiedenis van mens en wereld bevinden. Sommige mensen hebben daarover een uitgesproken mening. Zij stellen dat we ons zeer dicht moeten bevinden bij het moment waarop God de belofte van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde gaat realiseren.

Nu is er inderdaad veel dat beangstigt, veel ook dat associaties oproept met wat Jezus Christus heeft gezegd over de signalen van de eindtijd. Maar we weten ook dat we met de taxatie van deze dingen in deze zin voorzichtig moeten zijn, dat ook vroeger tijden door de meest verschrikkelijke dingen gekenmerkt zijn geweest. Aan honger zijn ook in vroeger eeuwen miljoenen mensen doodgegaan, aardbevingen hebben ook in het verre verleden miljoenen slachtoffers geëist; oorlogen zijn naar intensiteit en omvang in het verleden vreselijker geweest dan waarvan de laatste veertig jaar sprake is geweest, al mag men niet geringschattend denken over wat op kleinere schaal hier en daar gebeurt. We hebben onze zorg over de ziekte aids en we zijn onthutst over de steeds sterker om zich heen grijpende ziekte kanker, die een duidelijke relatie lijkt te hebben met ons westerse milieu- en leefpatroon, maar we weten dat er tijden zijn geweest waarin de gesel van ziekten als pest en tyfus over de mensheid ging en miljoenen levens, al op zeer jonge leeftijd, opeisten.

Wat al deze en nog andere dingen betreft, kan niet worden gezegd dat vroegere tijden beter en anders waren dan de onze. De bijbel zegt zelf trouwens ook dat we zoiets niet uit wijsheid zouden zeggen. Wie zegt dat hij of zij liever in vroegere tijden zou hebben willen leven, moet goed weten wat hij of zij zegt. Schepping en milieu waren toen nog ongerept, zeggen jonge mensen, die blijkens krantenberichten steeds meer met psychische stoornissen en depressies door zorg over het milieu bij psychiaters belanden, en sommigen onder hen zijn van mening dat zij op de zelfvernietiging van de mens maar vast een voorschot moeten nemen door zelf voortijdig „uit te stappen”.

Vroeger waren het weer andere dingen die mensen beangstigden en in vrees deden leven. Er zijn ook in vroegere tijden omstandigheden en ontwikkelingen geweest, die mensen het gevoel gaven dat het met deze wereld op een einde moest lopen. Zelfs in de bijbeltijd was daarvan al sprake, in de eerste christengemeenten, die onder druk van buitenaf de hoop en de gedachte hadden dat zij de verlossende terugkomst van Christus nog zouden meemaken.

Natuurrampen, epidemieën, honger, roerige toestanden in het volkerenleven, onderdrukking van mensen door mensen, het was er allemaal en het is er nog, met golfbewegingen mens en wereld teisterend en elke generatie het gevoel gevend, dat het allemaal niet erger kan en dat, als de nood het hoogst is, de verlossing nabij moet zijn.

Dat wil intussen niet zeggen, dat we niet alert zouden moeten zijn. Er zijn wel degelijk signalen die ons bevestigen in ons vermoeden dat wij het laatste hoofdstuk van onze menselijke geschiedenis schrijven. Eén signaal - en dat hebben we nog niet genoemd - moet ons al erg veel te zeggen hebben en dat is dat de mens van een primitief natuurbestaan, aan het begin waarvan we blijkens de bijbelse boodschap ook al als God wilden zijn, zich heeft weten op te werken tot een niveau van leven waarop hij zich bijna als God voelt, onder sterke afneming van het besef dat hij met zijn leven in alles op God is aangewezen. De geëmancipeerde mens, die het geheimenis van de omgang met God via het Woord dat God door mensen aan mensen gaf, heeft verloren, weet niet meer goed of helemaal niet meer hoe hij met het duizenden jaren geleden te boek gestelde Woord in een moderne wereld moet omgaan. En dat laatste manifesteert zich niet alleen buiten, maar ook in de kerk. Wie praat over ontkerkelijking, over afval van het geloof (ook een signaal van de eindtijd) moet niet allereerst denken aan ontbrekende of gebrekkige geloofsoverdracht door ouders op kinderen, ook niet aan hang van jongeren naar een werelds leven en een afkeer van wat een muf en duf geloofsleven zou zijn. Ten diepste knaagt aan de wortel van de levens van veel mensen de vraag of God, zoals het christelijk geloof die belijdt, er werkelijk is en of wij werkelijk in alles tot deze God in een verhouding van persoonlijke verantwoordelijkheid staan. Er is twijfel of het Woord van God, die oude bijbel, toch niet méér mensenwoord is dan waarvoor de orthodoxie het altijd heeft gehouden. Er is twijfel bij veel jonge mensen of men op dat punt in de kerk wel helemaal eerlijk met zichzelf en met elkaar omgaat en of niet veel christenen tussen orthodoxie en vrijzinnigheid zweven en met ambivalente gevoelens rondlopen. Wat is vandaag nu nog wèl voluit en wat is niét meer helemaal waar? Als het boek „De oude bijbel in een moderne wereld” van een gereformeerd theoloog uit Kampen in essentie waar is en niet voor tegenspraak vatbaar is, dan zal de traditionele gereformeerde visie op de Heilige Schrift moeten worden bijgesteld. Dit boek legt er naar mijn mening in elk geval dynamiet onder.

Misschien ook wij nog, maar zeker onze kinderen, zullen steeds sterker voor de vraag komen te staan of in een wereld als de onze de orthodoxe geloofsinventaris nog langer onverkort kan worden mee- en overgedragen. Het zal er steeds méér op aankomen een keuze te maken tussen eenvoudig en kinderlijk geloven op de wijze waarop het voorgeslacht met de dingen omging, of geloven op een „eigentijdse” manier, waarbij het geloof steeds wordt bijgesteld op de Produkten van de wetenschap en van het analytisch menselijk denken. Geen gemakkelijke keuze. In elk geval geen keuze die het een mens in deze tijd gemakkelijk maakt.

In elk geval zal er voor hen, die voor het eerste kiezen, erop aankomen te ontkomen aan de vanzelfsprekendheid waarmee in de kerk met wat we geloven wordt omgegaan. Die vanzelfsprekendheid hindert veel jonge mensen en doet hen twijfelen aan de waarde van het geloof. Toen Jezus bij zijn leven op aarde zich afvroeg of Hij bij zijn terugkomst nog geloof zou vinden op aarde, zal daarmee niet bedoeld zijn geweest of er aan het eind nog mensen zullen zijn, die een aantal rechtzinnigheden in theorie overeind hebben weten te houden, maar dan zal bedoeld zijn geweest een geloof, waarmee mensen in aanbidding van en verbazing en verwondering over het „ongelooflijke” van het Evangelie in alle sferen van hun bestaan geloof, hoop en liefde uitstralen; als mensen aan wie de genade ten deel is gevallen door de Geest van Pinksteren te ontstijgen aan doodse en dodelijke vanzelfsprekendheid, waarmee de kerk van Christus en ook veel levens van individuele christenen tot de rand toe zijn gevuld. Is er daarom zo weinig toekomstverwachting? Zou de afwezigheid daarvan misschien het meest sprekende signaal van de eindtijd kunnen zijn? Over de terugkomst van Jezus Christus, over de vernieuwing van hemel en aarde, wordt weinig of niet gesproken. Er wordt ook weinig om gebeden. Maar juist als niemand het verwacht, beter gezegd inwacht, zou het wel eens kunnen gebeuren. Het zou zo maar kunnen gebeuren dat ons verantwoording wordt gevraagd, ook van ons rentmeesterschap, waarover het vandaag in deze conferentie zal gaan. Zullen we proberen onder de klem van die ernst over het thema van deze conferentie na te denken?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.