+ Meer informatie

Van de Heere ontvangen

11 minuten leestijd

Want ik heb van den Heere ontvangen, hetgeen ik ook u overgegeven heb, dat de Heere Jezus in de nacht in welke Hij verraden werd, het brood nam. En als Hij gedankt had, brak Hij het en zeide: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam dat voor u gebroken wordt, doet dat tot Mijne gedachtenis. Desgelijks nam Hij ook de drinkbeker, na het eten des Avondmaals en zeide: Deze drinkbeker is het Nieuwe Testament in Mijn bloed. Doet dat zo dikwijls als gij die zult drinken tot Mijne gedachtenis: Want zo dikwijls als gij dit brood eten zult en deze drinkbeker zult drinken, zo verkondigt de dood des Heeren, totdat Hij komt. Zo dan, wie onwaardiglijk dit brood eet, of de drinkbeker des Heeren drinkt, die zal schuldig zijn aan het lichaam en bloed des Heeren. 1 Cor. 11 : 23—27.

Het is misschien goed bij deze voorbereiding voor het Heilig Avondmaal nog eens terug te keren tot de instellingswoorden, tot het A.B.C. van het Avondmaal. De instellingswoorden vinden wij namelijk bij geen van de evangelisten, maar alleen in de eerste Corintherbrief. Zij zijn ons gegeven door die apostel, die dat eerste Avondmaal bij verre niet heeft meegemaakt. Er zijn heel wat jaren verlopen, eerdat Paulus in de apostelkring werd opgenomen, daartoe geïntroduceerd door Barnabas, die hem in Tarsen was gaan opzoeken. Hoewel deze apostel niet op de weg van Damascus, waar hij bekeerd werd, maar in de tempel, bij een vertrekking van zinnen tot het apostelschap door de Heere geroepen was, hoewel reeds in Damascus aan Ananias werd bekend gemaakt, dat deze een uitverkoren vat zou zijn, om Zijn naam te dragen. Dit is wonderlijk geweest in Paulus' leven, dat hij opgetrokken geweest is in de hemel en dat hij onuitsprekelijke dingen gezien heeft, die het een mens niet geoorloofd is uit te spreken. Daar behoren de dingen van onze tekst niet toe, maar wel is het een wonderlijke zaak, dat de man, die niet bij het eerste Avondmaal geweest is, de instellingswoorden na jaren ontvangen heeft van de Heere.

De ten hemel gevaren Christus heeft dus apart met Paulus over het Avondmaal gehandeld. U behoeft dus niet te twijfelen of niet het Avondmaal een hemelse zaak is. Wij lezen over de Doop niet, dat die in de hemel zal zijn, maar wel van het Avondmaal.

U kunt er dit uit leren: a. dat Gods knechten in een levend contact staan met de Heere; b. dat de Heere vanuit de hemel Zijn knechten begeleidt; c. dat de sacramenten heilige instellingen van Christus zijn.

„Hetgeen ik ook u overgegeven heb." Dit schrijft Paulus aan de Corinthiërs en aan geen van de andere gemeenten, hoewel vanuit Corinthe deze instellingswoorden overal bekend geworden zijn, terwijl van de Pinksterdag af het Avondmaalvieren in de gemeente terstond in gebruik geraakt is en gebleven is.

Zo menigmaal komen grote dingen in de kerk door eenvoudige poorten binnen. Corinthe was toch niet de eerste gemeente en waarlijk ook niet de beste, 't Is de gemeente geweest, waar Paulus de meeste zonden gevonden heeft en waar hij de meeste moeite mee gehad heeft. En zie, van hieruit is een gebruik sinds jaren tot een inzetting geworden. Niet vanuit Jeruzalem liep het bevel, maar vanuit Corinthe. Paulus heeft het overgegeven! Als trouwe dienstknecht heeft hij dit al in zwang zijnde gebruik tot een instelling in de kerk gemaakt. Ook u overgegeven, zo is het gegeven van gemeente naar gemeente, van oord tot oord, van eeuw tot eeuw.

„Dat de Heere Jezus in de nacht, in welke Hij verraden werd, het brood nam." Het is een instelling van Christus, een heilige instelling van Christus. Heilig doordat Hij het zeide, heilig omdat Hij het niet in de wereld, maar in Zijn duurgekochte kerk instelde < — bij een volk met bloed gekocht — heilig omdat het in de nacht geschiedde, waarin de wereld Hem verried en waarin Zijn gemeente werd gekocht.

Toen heeft de Heere het brood genomen. Hoewel het de Paasmaaltijd was, waarin in de eerste plaats het geslachte lam gegeten werd — bloedige voorafschaduwing van Zijn offer — nam Hij het brood — onbloedige herinnering aan Zijn offer voor de kerk der na-eeuwen — brak het, zoals Zijn lichaam gebroken werd. Hij deed dit echter niet, dan nadat Hij gedankt had. De Borg dankte hier voor het offer, dat Hij voor Zijn volk brengen gaat, brengen mag. Straks in Gethsemané bidt Hij, worstelt Hij, hier dankt Hij de Vader, dat Die Hem in Zijn eeuwige raad verkoren heeft, toegestaan heeft en nu in de tijd gezonden heeft, Zijn ure heeft doen komen, om zo'n kostelijk werk te gaan doen en zo'n kostbaar geschenk aan Zijn Vader te kunnen wederbrengen. De Borg dankt voor te breken brood, voor een te brengen offer, voor een te breken lichaam. In dit danken zit tegelijk een zegenen!

En dan, na dat danken en breken — Hij breekt het Zelf, Hij offert Zijn lichaam Zelf — zegt Hij: „Neemt — eet — dat is Mijn lichaam, dat voor u gebroken wordt — doet dat tot Mijne gedachtenis." Het is zo persoonlijk in de discipelkring gedaan en het is zo persoonlijk tot de discipelkring gesproken. Dit is Mijn lichaam! Wel verre van de transsubstantiatie, die het brood in het lichaam van Christus doet veranderen, want de Heere staat er Zelf lichamelijk bij. Dit stelt Mijn lichaam voor! Het is een teken en een zegel van Mijn offer, dat voor u gebracht wordt. Een offer houdt altijd ten nauwste verband met degenen, voor wie het gebracht wordt en dat is nooit anders dan doodschuldige zondaren. Wie de zonde vergoelijkt, wie de zonde niet telt, wie de zonde niet gevoelt, betreurt, belijdt, geldt dit offer niet. Daarom zegt de Heere ook zo persoonlijk: „Neemt — eet!" Het is bij de gelovige, bij de boetvaardige zondaar een toestaan: Neemt! Het is hun geoorloofd. En om alle schuchterheid weg te nemen, is het ook een bevel. Neemt. Dit geldt hen allen. Het is een meervoudig bevel. Maar het is ook een meervoudsbevel in deze kring van gelovigen. Zij moeten nemen, want zij mogen nemen. Maar ook: zij mogen nemen en daarom moeten zij nemen. Het is een nieuwe mode, dat soms een predikant het brood op de tong van de Avondmaalvierder legt, als die knielt bij het altaar of bij de tafel. Een Rooms inkruipsel! De Heere schakelt de gelovige zelf in en zegt: Neemt. En dat nemen is

niet zo maar nemen, maar geheel in zich opnemen, zodat hij eet. En zoals bij het eten het brood door het gehele lichaam verspreid wordt, zo neemt de gelovige het brood, het lichaam van Christus en het wordt geheel met hem verenigd.

Zo wordt hem dit tot een gedachtenis, een gedachtenis aan Hem! Een gedachtenis, die hem geheel doortrekt, vervult, Hij gebroken, opdat ik geheeld zou worden van de zonde en haar gevolgen. Hij gebroken, opdat ik leven zou.

Evenzo nu gaat het ook met de drinkbeker, na het eten van het Avondmaal. Jezus nam die en zeide: „Deze drinkbeker is het Nieuwe Testament in Mijn bloed. Doet dat, zo dikwijls, als gij die zult drinken, tot Mijn gedachtenis. Want zo dikwijls, als gij dit brood zult eten en deze drinkbeker zult drinken, zo verkondigt de dood des Heeren, totdat Hij komt."

De Heere zegt hier: het Nieuwe Testament in Mijn bloed, om duidelijk te tonen, dat het bloedig offer van het Oude Testament opgehouden heeft. Zijn bloed dekt al het bloed. Nu dan brood en geen vlees. Nu dan wijn en geen bloed. Nu voor het Oude Testament een Nieuw Testament. En dat Nieuwe Testament duurt, totdat Hij komt, totdat Hij wederkomt. Nu niet een dagelijks offer, nu niet een jaarlijks offer. Nu een eeuwig blijvende gedachtenis aan dat ene offer, dat Ik brengen ga.

En gij zult dit niet alleen gedenken, maar gij zult het ook verkondigen. Mijn dood gedenken, maar ook Mijn dood verkondigen. Zo dikwijls als gij zult eten van dit brood, zo dikwijls als gij zult drinken van de drinkbeker, zult gij Mijn dood, die enige dood, die eenmalige dood verkondigen tot aan de wederkomst toe. Dus wel verre van een dagelijks herhaald misoffer!

Zo dikwijls als. Gij weet, dat de eerste christengemeente dagelijks Avondmaal vierde. Calvijn stond voor een wekelijkse viering. Thans staan zij, die de verkondiging almaar willen beknotten, ook een wekelijkse Avondmaalviering voor. Onder ons is de gewoonte ontstaan om viermaal 's jaars de dood des Heeren bij brood en beker te verkondigen. Het werd zo meer een hoogtij in het godsdienstig leven. Ik meen, dat het volk Gods er goed aan doet, deze gewoonte aan te houden, opdat het niet tot een sleur worde, maar tevens te gedenken de woorden des Heeren en de woorden van de apostel Paulus: „Zo dikwijls als...!" Wij staan niet voor een gedachtenisviering op zijn veelvuldigst, opdat de bediening des Woords niet in de verdrukking kome, maar ook niet een gedachtenis op zijn smalst, opdat de heilige inzetting des Heeren niet in onbruik rake. Zo dikwijls als gij... en Hij is het toch waard, dat in stille, ernstige diensten in alle rust en vrede Zijn gezegend lijden en sterven herdacht worde. Laat ons toch de tijd, daarvoor genomen, gaarne offeren aan de gedachtenis aan Zijn lijden en sterven. Wij treden dan niet minder dan aan het altaar des kruises:

Dan zult gij recht naar 't outer (d.i. altaar) treden, En off'ren God een rein gemoed, Het offer der gerechtigheden. En 't zuiv're reukwerk der gebeden: Betrouwt op Hem, want Hij is goed. Daar velen twijfelmoedig vragen: Wie zal ons 't goede toch doen zien? Doe Gij, o HEER', na 't angstig klagen. Ons 't lieflijk licht Uws aanschijns dagen, En wil Uw rijke gunst ons biên.

Totdat Hij komt!

Dan komt Christus tot Zijn duurgekochten. Dan komt Hij tot Zijn ware gelovigen. Dan komt Hij tot Zijn in het geloof gevoeden en gelaafden, tot hen, die in dit enig geloof bevestigd en versterkt zijn: Hij voor mij, omdat ik anders de eeuwige dood zou moeten smaken.

„Zo dan, wie onwaardiglijk dit brood eet, of de drinkbeker ; , des Heeren" drinkt, die zal schuldig zijn aan het lichaam en bloed des Heeren."

Het oordeel komt en het oordeel gaat over geloof of ongeloof. Het oordeel komt en gaat over gerechtigheid of ongerechtigheid. Het oordeel komt en gaat ook over wat wij met Christus gedaan hebben, of wij Hem gekruisigd hebben, of door Zijn kruis gezaligd zijn. Het oordeel komt en gaat ook over onze godsdienst. Die waardiglijk niet gegeten en niet gedronken hebben, omdat zij niet in Hem geloofden, hebben Hem, dat gezegend Godslam, de hoogste onwaardigheid aangedaan. Zij hebben het ten enenmale versmaad. Die zullen zelf de straf des eeuwigen doods moeten dragen. Wee dan hen!

Die onwaardiglijk niet gegeten en niet gedronken zullen hebben, omdat zij wel wisten van Zijn offer, maar wie de zonden te lief waren, om die te laten reinigen en verzoenen, die zullen met dubbele slagen geslagen worden, omdat zij de weg geweten hadden, maar hem niet hebben willen bewandelen. Dat zijn degenen, die er de bekering niet voor over hadden, terwijl zij wel degelijk wisten, dat die er voor nodig was, om tot Jezus te komen en alzo deel te hebben aan het Avondmaal. Hun waren de zonden te hef.

Maar men kan ook eten en drinken en dat onwaardig doen. Dat is wèl van Jezus wéten, wèl van Zijn offer weten, wèl van uw zonden weten, ze niet laten verzoenen, u niet bekeren en dan toch aan de tafel komen, om een geloof te laten sterken, wat gij slechts veinst te hebben.

Deze speciaal worden hier bedoeld. Niet waardig, terecht niet eten, — ook niet onwaardig terecht niet eten, - — maar ook niet onwaardig wèl eten. Dan zijn wij toch eigenlijk een Judasfiguur. De geveinsden zijn toch maar de ergste zondaars: die doen de zonde, doen net of zij geen zonden hebben en doen dan bovendien nog net, of zij tot Jezus komen om schuldvergeving, waar zij met al niet naar haken en doen dan ook nog net, of zij de schuldvergeving hebben, die zij nu precies nooit gevraagd hebben. Het lijkt ingewikkeld. Dat is het ook, want een geveinsde doet anders dan hij is en hij is anders dan hij doet. Zulke mensen zijn eigenlijk nooit te vatten. En dan vieren zij het Avondmaal mee en eten en drinken zich een oordeel: het oordeel van de weg geweten hebben en niet bewandeld hebben, alleen net gedaan hebben, alsof ze hem wel bewandelden. De geveinsden zijn de grootste zondaars.

Alleen zij eten zich geen oordeel en drinken zich geen oordeel, die met hun zonden tot Jezus kwamen ter verzoening, en die verzoening werd tot een spijs en drank. Zij wisten: „Mijn vlees is waarlijk spijs en Mijn bloed is waarlijk drank." Zij zijn de waardige medegenoten van de tafel des Heeren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.