+ Meer informatie

De Pelgrimsreis is voor Oud en Jong

7 minuten leestijd

29

„Intussen was de pelgrim weer aan het prieel gekomen, waar hij zich een ogenblik neerzette om te wenen”.

Gekomen op de plaats waar hij de vertroostingen van de Heilige Geest door Zijn getuigenis in het hart voor het laatst mocht smaken, gaat hij nu niet zitten om te rusten, doch om te wenen. Hier heeft hij de slaap der zorgeloosheid geslapen tot grote schade van zijn geestelijk leven. Dat doet hem nu het kwaad bewenen voor het aangezicht des Heeren. De liefde die door de Heere werd uitgestort in zijn hart doet hem nu zo innig wenen in het stof der verootmoediging. Vanuit de Heere Jezus, vanuit Zijn wenen over de daad der zonde, leren wij wenen op Zijn leerschool.

Maar weldra stond de Pelgrim op want hij moest de rol terug hebben, en begon naarstig te zoeken tot hij haar eindelijk vond onder de bank. Hij greep ze schielijk en bevend van blijdschap verborg hij haar weer in zijn boezem. Wie kan zijn vreugde beschrijven toen hij die rol weer in zijn bezit had! Want zij was voor hem het onderpand van zijn behoudenis, de zekerheid van in de gewenste haven te zullen aanlanden.

De Pelgrim kon bij het vinden van zijn rol de vreugde van zijn hart niet in woorden uitdrukken. Nu mag hij weer delen in de zalving en verzegeling van de Heilige Geest,, het licht van Gods vriendelijk aangezicht aanschouwen. Als opnieuw ontvangt hij het onderpand des Geestes in zijn hart, de voorsmaak van het eeuwige leven, de zekerheid van eenmaal gesteld te zullen worden in het huis des Vaders.

De Heilige Geest heeft het hart van de Pelgrim door Zijn zalving weer gesteld in een heilige vaardigheid, door Zijn verzegeling in een innige vrijmoedigheid en door Zijn onderpand in de hartelijke blijmoedigheid van het leven des geloofs.

„Hij drukt de rol weer aan zijn harten dankt God Die zijn schreden gericht had naar de plaats waar zij zich bevond en onder het storten van vreugdetranen zet hij nu zijn tocht voort”.

En zo leeft deze reiziger naar Sion weer in de zoete en zalige harmonie met zijn God en Vader. De vaderlijke kastijding was hem tot smart en droefheid. Want in de grond der zaak had de Heere hem het gebruik van de rol ontnomen. En daarom was die kastijding voor hem een zo smartelijke kastijding.

Maar is die kastijding nu ten einde? Ja, enerzijds is deze kastijding voorbij. De Heere gedenkt dat kwaad waarin hij gekastijd werd niet meer. Maar anderzijds wat de gevolgen van dat kwaad betreft, behoort zij nog niet tot het verleden. Het kwaad der zonde, al is de schuld der zonde verzoend, laat altijd nog zijn sporen na.

„De pelgrim liep met vlugge tred, maar in weerwil daarvan neigde de zon reeds ter klimme en zijn droefheid ontwaakte met nieuwe kracht, zodat hij wederom treurig uitriep: O, zondige slaap, hoeveel nadeel heb ik mijzelf door u berokkend! Ik mis het liefelijke schijnsel der zon, duisternis omringt mij, het geluid der roofdieren klinkt mij in de oren!”

Zie, wat heeft het nalatig zijn in het goede toch verstrekkende gevolgen voor de Pelgrim. Opnieuw wordt hij vanuit zijn geheugen en vanuit de duisternis, die de roofdieren tevoorschijn roept, herinnerd aan zijn zondigeslaap. Al die verschrikkingen zijn de bittere gevolgen van zijn nalatigheid, daar hij de voorzichtigheid der rechtvaardigen niet in acht had genomen. „Nu herinnerde hij zich ook wat Wantrouwen en Beschroomd hem verteld hadden, hoe zij bevreesd waren geweest op het gezicht van de leeuwen”. Wat de ongeloofspredikers hem gezegd hadden, was echt waar, hij heeft op zijn pad met roofdieren temaken. Roofdieren, die hij met zijn kleine kracht niet onschadelijk kan maken. Wat de tien ongeloofspredikers vertelden van het beloofde land was wel waar. Als uit één mond hebben zij loffelijk van dat land gesproken. En om het zichtbaar en tastbaar te bewijzen, dat het land goed was, brachten zij van deszelfs vrucht mee. En eveneens was het waar dat Israël niet instaat was dat te veroveren. Maar wat deze predikers verzuimden te zeggen, was nu juist het voornaamste, daar de Heere Zelf Zijn beloften zou vervullen. En dat werd door Jozua en Kaleb krachtig gepredikt. En zie, de Heere heeft de weg door deJordaangebaandendetoegangspoort geopend.

Wie aan het bezit van de belofte genoeg heeft, bedriegt zich, en die denkt ze zelf te moeten vervullen, komt ook niet in het beloofde land, maar keert terug naar Egypte. De Heere wil dat wij vanuit de belofte Hem bidden om de vervulling. En daar dat door Wantrouwen en Beschroomd verzuimd werd, zijn zij op de vlucht geslagen toen zij tot de ontdekking kwamen dat zelf niet te kunnen.

Maar bij de Pelgrim was er altijd in een meerdere of mindere mate een leven uit en een hopen op de vervulling van Gods beloften en dat deed hem hoe bezwaard hij dan ook was, de Heere aankleven. Wetende dat de wilde dieren zich des nachts opmaken om hun prooi te zoeken, rees de vraag:„Hoe zal ik het aanleggen om niet door hen te worden verslonden?” Een vraag die met al haar kracht op hem afkwam vanwege de verschrikkingen waarin hij verkeerde. Maar de Pelgrim zette inmiddels zijn reis voort en betreurde zijn zonde. Vanuit de beloften wordt het treurende hart vastgehouden door de Heere. De Heere begeeft en verlaat hem niet. Had hij niet geslapen, dan was hij naar de mens gesproken in de verschrikkingen van deze duisternis niet gekomen. En in dat besef treurt hij nog steeds over de zonde van nalatigheid. Terwijl hij in deze zorgen gebogen over de aarde ging, hief hij eensklaps de blik op en daar zag hij vóór zich een statig paleis en dat was het Paleis Liefelijkheid. Het stond juist ter zijde van de weg. Vanuit de duisternis met zijn vele verschrikkingen aanschouwt hij nu een lichtpunt. Het Paleis Liefelijkheid roept bij de bedroefde man aangename herinneringen op. Maar kent hij dan het Paleis Liefelijkheid? Is hij er wel eens in geweest? Voor zo ver mij bekend is hij er nog nooit in geweest. Maar hoe is het dan voor hem een lichtpunt, daar hij niet eens weet hoe het in het Paleis Liefelijkheid gesteld is? Het zal de vraag zijn of het wel voor hem toegankelijk is. En toch is het hem bekend hoe het in dit zo statige paleis gesteld is. U kunt u toch zeker nog wel herinneren hoe Uitlegger hem in dat schone paleis heeft laten bhkken? En bij dat gelovig zien van al die liefelijkheid nam het zijn hart in, hij mocht er zelfs iets van smaken in zijn gemoed. En aan de voet van het kruis heeft hij van de Gekruiste, door Zijn verheerlijking aan des Vaders rechterhand, recht van toegang verkregen. Hij draagt dezelfde klederen en heeft dezelfde tekenen en zegelen van Gods liefde in zijn hart, gelijk als de bewoners van het statige paleis. U weet toch zeker wel dat de man de adeldom van Gods genade heeft verkregen in zijn hart? U kunt er zeker van zijn dat de Pelgrim een medeburger der heiligen is en een huisgenoot Gods. Als hij daar binnen geleid wordt, is hij terstond thuis. Die heilige familie ontvangt hem als met open armen om van hart tot hart met elkander te spreken van de wegen des Heeren. En ik verlang er naar dat mee te mogen maken, want daar gaat wat van uit.

In dat statige paleis wordt in beginsel de liefelijkheid van het zalig hemelleven gesmaakt. Liefelijk is daar de samenleving en liefelijk is daat het gezang tot verheerlijking van de Heere.

De Pelgrim is, nadat hij gekleed is met reine klederen, wel met verschillende reizigers in aanraking gekomen, maar dat waren helaas reizigers die het hemelleven niet kenden. En toch verstootte hij die mensen niet. Hij heeft hen met kracht en klem vermaand en gezegd wat gekend moet worden tot zaligheid. En al heeft de Pelgrim het ons nog niet verteld, de bede Gods kinderen te mogen ontmoeten tot onderhouding van de gemeenschap der heiligen leeft zijn hart.

A.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.