+ Meer informatie

DE KERKELIJKE POSITIE VAN DE PASTORALE MEDEWERKER I

13 minuten leestijd

Reeds lang lag er het verzoek iets over deze zaak te schrijven. Het lijkt er op dat ze ook in de kerkelijke weg aan de orde komt. Wat hier geboden wordt zijn enkele overwegingen, die geenszins bedoelen een kerkelijke behandeling voor te bereiden laat staan te beïnvloeden. Het materiaal ervoor lag reeds geruime tijd gereed.

De figuur van de pastorale medewerker is in onze kerken niet meer onbekend. In enkele gemeenten heeft men de gelegenheid gehad om ervaring op te doen. Daarvan is reeds in Ambtelijk Contact een kort overzicht gegeven. Dit is te vinden in de 20e jaargang, no. 8, blz. 672 v. Prof. Velema gaf op deze bladzijden een overzicht van de gegevens, die hem op dat moment ter beschikking stonden. Sommige kerkeraden bezaten reeds een min of meer duidelijk beeld van wat de taak van een pastorale medewerker zou moeten zijn en formuleerden dit in een instructie. Andere kerkeraden zagen de zaak min of meer in een ontwikkelingsfase en konden daarom nog niet een goed geformuleerde instructie overhandigen. Het is de vraag of er op dit moment niet wat meer gegevens beschikbaar zouden zijn. Het blijkt wel, dat het catechetisch onderwijs centraal staat en dat de pastorale zorg voor de jeugd veel aandacht ontvangt. Daarnaast is er ook sprake van het bezoek aan zieken en bejaarden. Soms is het de opdracht van een pastorale medewerker om gemeentelijke activiteiten te ontwikkelen en te helpen bij het organiseren van deze.

De begeleiding van een pastorale medewerker is blijkbaar verschillend geregeld. Altijd is het de kerkeraad die verantwoordelijkheid draagt, maar hoe deze wordt gedelegeerd is niet overal gelijk. Er is sprake van een geregelde rapportage aan de predikant en via deze aan de kerkeraad of aan een commissie van de kerkeraad. Soms is er een aparte begeleidingscommissie, die vrij zelfstandig kan optreden, soms loopt het contact met de kerkeraad alleen via de predikant. „Hoofdzaak is hulp bij het geven van catechisaties, pastorale bezoeken aan verschillende groepen van gemeenteleden of evangelisatiecontactadressen, helpen bij de opbouw van de gemeente”.

Het kan bekend zijn, dat de pastorale medewerker niet alleen in onze kerken voorkomt, maar ook in andere kerken. En dat men niet alleen vandaag over dergelijke helpers spreekt, maar dat men vroeger reeds in het kerkelijke leven de hulp inriep van helpers van allerlei soort (vgl. A.C., 21e jaargang, blz. 88).

In het nu volgende beperken we ons tot drie zaken. Eerst zien we naar de theorie en de praktijk bij andere kerken. Vervolgens slaan we een blik in het verleden. En ten slotte bezien we de mogelijkheden die zich eventueel zouden kunnen voordoen om de kerkelijke positie van de pastorale medewerker kerkordelijk te regelen.

Ook bij het eerste willen we ons beperken tot het voorbeeld, dat we aantreffen in de Gereformeerde Kerken. Vrij uitvoerig heeft men zich daar met de zaak bezig gehouden op de synode van Delft (1979). Er diende een deputatenrapport, waarin werd verwezen naar het besluit van de synode van Amsterdam (1967) om jonge mensen aan te sporen de opleiding voor kerkelijk werker te volgen, te voorzien in hun opleiding en contact op te nemen met de deputaten van de Christelijke Gereformeerde Kerken voor de evangelisatie, opdat deze kerken officieel bij de opleiding van zulke kerkelijke werkers zouden worden betrokken.

In het deputatenrapport wordt onderscheid aangebracht tussen een kerkelijk werker en een pastoraal werker. De omschrijving die men geeft van een kerkelijk werker is: „Een kerkelijk werker is iemand die met een sociaal-wetenschappelijke, agogische of onderwijskundige opleiding een dienstverband met de kerken heeft”.

De definitie van een pastoraal werker is: „Een pastoraal werker is iemand die een vast dienstverband heeft met een gemeente, werkend in een team waarin ook een predikant is opgenomen, vooral ingezet in het pastoraat al dan niet in combinatie met andere taken, zoals het leiden van kerkdiensten en het verzorgen van de catechese, zonder een theologische opleiding in de zin van art. 5 K.O. gevolgd te hebben”.

Wat de kerkelijk werkers betreft, hun werkterrein ligt voornamelijk op het gebied van het city-pastoraat, begeleiding van vrijwilligers in het evangelisatiewerk, pastoraat onder buitenkerkelijken, toerusting van gemeenteleden, recreatiewerk en dergelijke meer. Moeilijk is hun positie ten aanzien van het kerkelijke leven omdat zij niet kunnen participeren in het werk van de kerkeraad. Ook regionale werkers voelen zich meer staan aan de periferie van het kerkelijke leven.

Hun opleiding bestaat dikwijls in een hogere beroepsopleiding, in een vorming aan een pedagogische academie, sociale academie of lerarenopleiding. Vastgelegd dienen te worden hun sociale en hun kerkelijke positie. In de arbeidsovereenkomst moeten dan bepalingen opgenomen zijn omtrent het kerkelijk orgaan waaraan zij verantwoording schuldig zijn. Hun opdracht moet duidelijk omschreven worden, waarbij gedacht is aan een definiëring van de kerkelijk werker als lid van een team, met een eigen specifieke functie. De deputaten stelden voor hun kerkelijke positie zó te regelen, dat hij vanwege zijn functie deel gaat uitmaken van de kerkeraad. „Hij draagt immers de verantwoordelijkheid voor een wezenlijk deel van het werk van de kerk en moet van daaruit betrokken blijven bij het geheel van het beleid”.

Het lijkt vrij duidelijk dat de taakomschrijving van de kerkelijk werkers zoals deze wordt geboden in dit gereformeerde deputatenrapport voor onze kerken weinig punten biedt die in een vergelijking betrokken zouden moeten worden. Hun werk ligt te veel op een specialistisch vlak, dat door ons eerder zal worden beschouwd als een sociale sector van het brede leven, dan als een zuiver kerkelijke zaak.

Van belang zijn wel die punten die als knelpunten worden aangemerkt: de inpassing in het werk van de kerk en de invoeging in de kerkeraad. Belangrijk lijkt ook de regeling van de sociale positie. Er dient een arbeidsovereenkomst te zijn, die bepalingen bevat ter veiligstelling van de rechtszekerheid.

Wat de pastoraal werker betreft heeft men binnen de Gereformeerde Kerken enige ervaring opgedaan. Zijn werk is dat van het pastoraat ten behoeve van de gehele gemeente. Vaak geschiedt dit in combinatie met andere zaken, zoals het leiden van kerkdiensten en de catechese. Men onderscheidt hier tussen studenten in de theologie en pastorale werkers zonder een universitaire theologische scholing. De eersten verrichten hun arbeid in zekere zin binnen het geheel van hun theologische vorming. Het merendeel van de overigen bezit het diploma van een bijbelschool. De Reformatorische Bij-belschool en het Nederlandse Bijbelinstituut leveren een aandeel.

Problemen voor deze werkers zijn vooral dat hun functie niet erkend is. Dit raakt hun kerkelijke positie. Ambtelijke handelingen mogen zij niet verrichten. De bediening van de sacramenten staat niet voor hen open. Zonder dat men een opleiding voor predikant heeft gevolgd, vervult de pastoraal werker een belangrijk deel van de functie van een predikant.

In eerste instantie heeft het aanstellen van een pastoraal werker een financiële achtergrond. Veelal is een gemeente niet in staat om een predikant te bekostigen. Deze oplossing lijkt dan voor de hand te liggen uit financiële motieven. De vraag die zich aandient, is of er binnen een kerkelijke gemeente pastorale taken zijn aan te geven, die door andere werkers dan een predikant op een verantwoorde wijze gedaan kunnen worden.

De deputaten wijzen in hun rapport op een aantal overwegingen die in het volgen van een goed beleid noodzakelijk zijn. Men kan daarbij op twee manieren het probleem benaderen. De eerste is, wanneer men er van uit gaat dat een pastoraal werker zo veel mogelijk het werk van de predikant verricht, met uitzondering van de bediening van de sacramenten. Maar dan doet zich de moeilijkheid voor dat men in feite spreekt over een „tweederangs predikant”. Zulk een kerkelijk werker kan niet worden geplaatst in wat de kerkorde zegt over de ambten. Men schept een soort „lagere geestelijkheid”, de zgn. clerus minor. Afgedacht van een noodsituatie lijkt dit in het geheel niet in te passen in de kerkordelijke opvatting en omschrijving van de ambten.

De tweede manier om het probleem te benaderen is, wanneer men de pastoraal werker beschouwt als een functionaris die zijn werk verricht in het verlengde van de predi-kantstaak. Hij werkt dan op heel het brede terrein van het gemeentelijke leven. Terwijl een kerkelijk werker meer een specialist is, die op één terrein bezig is met een mate van specialistische deskundigheid, is de pastorale werker iemand die in de breedte bezig is. Een groot bezwaar is, dat men een besef van „tweederangs geestelijkheid” op deze manier moeilijk kan ondervangen. Dit kan leiden tot frustraties, tot scheve verhoudingen en wat dies meer zij. Tegelijk moet wildgroei voorkomen worden. Een regeling is wenselijk, waarbij capaciteiten en bekwaamheden moeten worden vastgesteld, waarbij de sociale positie moet worden geregeld en waarbij ook de kerkelijke positie duidelijk moet worden.

Uit het gereformeerde deputatenrapport blijkt de bijzondere situatie die ontstaan is door het „samen-op-weg” met de Hervormde Kerk.

Wat de kerkelijke positie betreft, merken de deputaten op, dat het wenselijk is, dat de pastoraal werker deel uitmaakt van de kerkeraad.

„De vraag is in hoeverre dat mogelijk is door hem in een van de in onze kerken bestaande ambten te benoemen — eventueel met een bijzondere opdracht. Alleen dat van ouderling zou daarvoor in aanmerking komen, maar het werk van de pastoraal werker verschilt aanmerkelijk van datgene wat een ouderling wordt opgedragen.

Zijn positie is geheel anders doordat hij door de gemeente is vrijgesteld en zijn werk dus beroepsmatig verricht. Benoeming in het ambt van ouderling zou ook betekenen dat de pastoraal werker als ouderling kan worden afgevaardigd naar meerdere vergaderingen en daar dan min of meer als een soort clerus-minor-figuur zou gaan functioneren (lerend ouderling), terwijl de functie van een ouderling op een meerdere vergadering een geheel andere is”.

Als aanvullende opmerkingen geven de deputaten de volgende overweging: de classis moet medewerking verlenen als een kerk een pastoraal werker wil gaan aanstellen. Niet zonder meer moet de classis in deze zaak bewilligen. Zij dient zich te vergewissen of het verzoek goed gemotiveerd is. „Is die kerk er inderdaad op aangewezen, dat er een pastoraal werker komt? Ligt het beroepen van een predikant niet binnen haar bereik? Of is de kerk al zo lang teleurgesteld in het beroepingswerk dat het hoog tijd wordt dat er iemand anders wordt aangesteld voor het predikantwerk dat blijft liggen?”

Als een tweede knelpunt binnen de overwegingen wijst het deputaatschap op de relatie met het ambt. Als pastorale medewerkers het als een probleem ervaren, dat zij geen ambtelijke handelingen mogen verrichten, mag dit punt niet onbesproken blijven. In de kring van deputaten werd overwogen de pastoraal werker alleen die ambtelijke handelingen te laten verrichten, die direct voortvloeien uit zijn bijzondere opdracht.

Zoals gebruikelijk werd het deputatenrapport door een synodale commissie besproken. Deze commissie was van oordeel, dat men het instituut „pastoraal werker” diende te accepteren. Het zou van weinig realiteitszin getuigen, wanneer men het wilde laten verdwijnen. Een stimulerend beleid zou niet goed zijn, maar wel een regulerend beleid. In het „samen-op-weg” ligt in zekere zin een rem. De Hervormde Kerk schafte de hulppredikers af. Daarom moet men zeker niet aandringen op een uitbreiding in deze zin.

Toen de kwestie van de pastoraal werker op de synode zelf werd besproken, bleek ook daar de vrees te leven tegen een z.g. „clerus minor”. „Eigenlijk behoren er geen pastoraal werkers te zijn, behoudens uitzonderingen in noodgevallen. In tegenstelling tot de Rooms-Katholieke Kerk behoort een deugdelijke predikantenopleiding zowel voor stadskerken als voor plattelandsgemeenten een duidelijke voorkeur te hebben”.

Deze stemmen op de synode gaven aan, dat een ontwikkeling in deze richting ongewenst was. Men zou daarom geen kerkelijke status moeten verlenen aan dit instituut. In geval van nood zou men van een pastoraal werker gebruik kunnen maken. Maar dan zou dit ook als een tijdelijke noodmaatregel zijn te beschouwen. Als men noodsituaties gaat regelen, zou dit op zichzelf weer stimulerend kunnen werken, wanneer gemeenten in financiële moeilijkheden zitten.

Uiteindelijk besloot de synode, dat er in het kerkelijke leven van de Gereformeerde Kerken geen blijvende ruimte bestaat voor een z.g. pastoraal werker, die de predikants-taak grotendeels op zelfstandige wijze vervult.

Wanneer er van een noodsituatie sprake is, moet ten minste aandacht worden geschonken aan drie dingen: a. capaciteiten en bekwaamheden; b. kerkelijke positie en c. sociale positie. In een regeling moet het samenwerkingsverband worden omschreven, en ook de werkbegeleiding. Het initiatief om bevoegdheid in deze te verkrijgen moet van de werker zelf uitgaan. Hij moet vanwege zijn functie deel uitmaken van de kerkeraad. Een arbeidsovereenkomst moet worden aangegaan, waarin de rechtspositie wordt geregeld. Er moet een register komen, waarin bevoegd verklaarde pastoraal werkers moeten worden ingeschreven.

Ten aanzien van de pastoraal werker werd een minder positieve uitspraak gedaan als ten opzichte van de kerkelijk werker. Voor de laatste figuur was men, mogelijk gezien zijn specialisatie minder bevreesd dan voor de eerste.

Maar in 1982 werd, blijkens Kerkinformatie, januari 1983, een benaming ingevoerd, die beide categorieën omvat. De synode sprak toen uit, dat de aanduiding „kerkelijk werker” zou gelden als een gemeenschappelijke functienaam voor allen die — niet predikant zijnde — in dienst van een of meer kerken, een classis of particuliere synode werkzaam zijn ten behoeve van onderricht en opbouw van de gemeente en/of verbreiding van het evangelie daarbuiten en/of dienst aan kerk en samenleving, hetzij in taken met pastorale gerichtheid, hetzij in taken op het gebied van diaconaat, evangelisatie, toerusting, jeugdwerk e.a.

Een kerkelijk werker bekleedt geen kerkelijk ambt. Hij staat in dienst van de kerkelijke vergadering die hem heeft aangesteld, onder verantwoordelijkheid aan en met begeleiding vanwege die vergadering.

De kerkeraad — zo werd besloten — kan voor de uitvoering van niet ambtelijk kerkelijk werk medewerkers aanstellen die als zodanig geen ambtelijke positie bekleden. Deze bepaling werd in de kerkorde opgenomen (artikel 99).

Op de boven geschetste wijze heeft men in de Gereformeerde Kerken een kerkordelijke mogelijkheid om kerkelijke werkers aan te stellen.

Uit het geheel is wel duidelijk geworden dat het niet een gemakkelijke weg was, die tot dit besluit heeft geleid. Verschillende knelpunten deden zich voor. Maar uiteindelijk kwam het toch tot deze positieve beslissing.

Wij plaatsen daarbij nu de volgende korte opmerkingen. Ofschoon men eerst onderscheid maakte tussen een kerkelijk werker en een pastoraal werker, blijkt dit in het laatste besluit te zijn weggevallen. Het begrip kerkelijk werker is een verzamelnaam geworden, waaraan de duidelijkheid ontbreekt. De eerder gemaakte onderscheiding was wel duidelijk. Een kerkelijk werker was een specialist ter begeleiding van projecten in de gemeente en via de gemeente in de maatschappij. Een pastoraal werker had een veel bredere taak. De eerste figuur werd vrij spoedig geaccepteerd. De tweede niet. Zag men in de tweede, de pastoraal werker, een zwaardere concurrent voor de theologisch gevormde pastor dan in de eerste?

Er is een bezwaar tegen het wegvallen van dit onderscheid. Het bestaat hierin dat de kerk min of meer geruisloos betrokken raakt bij niet-pastorale, niet-diaconale taken in de maatschappij. Of dit strookt met haar directe roeping, is wel de vraag.

Een tweede opmerking is, dat men in het bovengenoemde besluit een paar knopen heeft doorgehakt. De kerkelijk werker vervult geen ambt. Hij bekleedt geen geestelijk ambt. Daarmee is er wel duidelijkheid gekomen ten aanzien van zijn positie. Maar de frustraties, waarvan eerder sprake was, zijn daarmee in het geheel niet terzijde gesteld. Kan men in de praktijk voorkomen, dat er zich toch een soort „lagere geestelijkheid” vormt? Op deze manier is weliswaar voorkomen, dat allerlei agogisch geschoolde kerkelijke werkers zonder een minimum aan theologische vorming voor hun werk zich op hun kerkelijke status kunnen beroepen. Maar daarmee is tevens in de hand gewerkt, dat pastorale werkers hun werk zo zelfstandig kunnen gaan opvatten, dat op den duur een vervreemding van de ambtsdragers en de kerkelijke vergaderingen niet te voorkomen is. Een pastoraal werker is iemand anders dan een sociaal werker. Dit verschil komt niet meer uit. Daardoor kan een verzelfstandiging plaats grijpen ten opzichte van ambt en gemeente. De pastorale werker wordt zo meer en meer de kant opgedrongen van de sociale werker.

De vraag, die vanuit het verleden tot ons komt is deze: kan de kerk hulpkrachten inschakelen, die niet direct als ambtsdragers worden of kunnen worden beschouwd? Wat daarover gezegd moet worden is echter te veel om dit in dit artikel nog ter sprake te brengen. We hopen een volgende keer met deze zaak verder te gaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.