+ Meer informatie

Moeizame start van discussies over toerusting tot zending

Zendingsconferentie Geref, Oecum. Synode

5 minuten leestijd

KAAPSTAD — Ook op de tweede dag van de zendingsconferentie der Gereformeerde Oecumenische Synode, die van 2 tot en met 6 augustus hier in Kaapstad werd gehouden, zat er nog niet zoveel vaart in. De lezingen waren grondig genoeg, maar de discussies kwamen eerst moeizaam op gang.

Nu is dat, zo verzekerde ons de Apeldoomse Chr. Geref. hoogleraar dr. J. P. Versteeg, niet iets bijzonders. Ook op de vorige conferenties was dat het geval. Het thema is trouwens belangrijk genoeg: de training van zendingswerkers," maar ook de vorming van de ambtsdragers en gelovigen in de zogenoemde jonge kerken.

Deze zijn op deze derde zendingsconferentie meer dan ooit te voren vertegenwoordigd. Van de naar verwachting 75 deelnemers zijn er heel wat afkomstig uit o.a. Malawi, Nigeria, Zambia, maar ook uit Indonesië, Japan en Sri Lanka, het vroegere Ceylon, waar nog altijd een Nederlandse Gereformeerde Kerk is.

Bijbelstudie

De Bijbelstudie, die dinsdag en de rest van de week werd verzorgd door prof. J. P. Versteeg, had als uitgangspunt: de Geest en de Zending (of de opdracht). Versteeg — die naast Nieuwe Testament ook inleiding in de zendingswetenschap doceert — ging hierbij uit van passages uit Handelingen 2, met name het laatste gedeelte van de rede van Petrus. Er is, aldus Versteeg, in het Nieuwe Testament een nauwe relatie tussen de Heilige Geest en de zendingsopdracht en het is van groot belang, dat die uitstorting op het vroegere oogstfeest, Pinksteren, plaats had.

In de Nieuwtestamentische tijd was het echter vooral het feest geworden, waarop de Wetgeving op de Sinai herdacht werd. Volgens een Joodse traditie waren de Tien Woorden van God op Sinai bestemd voor alle volkeren. Dit werd dan met Pinksteren vervuld.

Zo staat ook voor de christelijk kerk de komst van de Geest in nauwe relatie tot het Sinaiverbond, dat op Pinksteren in vervulling ging.

Een kerk, die haar zendingstaak verwaarloost, keert terug naar de schaduwdienst van het oude verbond, maar een kerk, die leeft uit de Geest, zal vanzelfsprekend leven voor en uit haar zendingsopdracht, aldus Versteeg, die zijn studie met een aantal op de praktijk gerichte vragen besloot.

Vorming

Het eerste referaat op de tweede conferentiedag werd geleverd door dr. Eugene Rubingh, uitvoerend secretaris van de raad voor de uitwendige zending van de Christian Reformed Church in de VS. Rubingh ging de huidige stromingen en opvattingen na m.b.t. de vorming voor het zendingswerk. De discussie daarover is, zoals hij met voorbeelden duidelijk maakte, overal in volle gang. Een grote Amerikaanse zendingsraad heeft bijv. gesteld, dat haar zendingswerkers niet meer predikers zijn, maar sociaal werkers, zakenlieden, landbouwkundigen, technici enz.

Het onderricht is trouwens altijd al in zendingskringen in bespreking geweest; de zendingsconferentie van Edinburgh was er in 1910 al mee bezig. Toch hebben noch de oude noch de jonge kerken zich steeds voldoende gerealiseerd, dat voorbereiding voor de zending en de vorming voor zending (missionary preparation and education for mission) integraal met elkaar samenhangen.

Rubingh ging ook, mede n.a.v. Verkuyls recente boek over de zendingswetenschap, in op het probleem van het zogenoemde "cross-cultural witness": in West-Afrika heeft een Nigeriaanse kerk bijv. bereikt, dat een 120 gezinnen van een bepaalde stam werden uitgezonden tot in Niger en Tsjaad toe. Zulke praktijken zijn hoopgevend, meende Rubingh.

In zijn laatste paragraaf wees hij o.m. op de noodzaak van de training ter plaatse, op de voorname rol van de vrouw van de zendingsarbeider, op het opleiden van kortverband-zendingswerkers en op de christelijke „leken", die overal in de wereld ook hun bijdrage aan de evangelieverkondiging leveren.

Kritiek

Ds. A. Vos van het Geref. zendingscentrum te Leusden — dus nauw bij de vorming voor dit werk betrokken — leverde een korte respons op Rubinghs referaat. Hij had nogal wat kritiek op het feit, dat er een aparte zendingsconferentie van de GOS nodig was, om deze onderwerpen boven tafel te krijgen. Op de GOS-agenda zelf prijken ze niet en dat vond hij zeer merkwaardig. Nogal geëmotioneerd betoogde Vos: hoe kunnen we in deze tijd nog kerken van Gereformeerde signatuur en geloofwaardig zijn als we ons nog bezig houden met Sabbath of Zondag?

Voor het betoog van Rubingh had hij verder wel waardering, al miste hij de nadere uitwerking van bepaalde opmerkingen over de zending, die niet mag worden ontkoppeld van de evangelisatorische taak der gemeente. Vos gaf een uiteenzetting van zijn eigen werk en benadrukte ook, dat zendelingen uit de derde wereld die naar het westen toe komen, eveneens een goede vorming nodig hebben. De zendeling, die vroeger meende de chauffeur te zijn, ontdekt nu steeds meer, slechts het reservewiel te zijn, zo citeerde Vos een missionaris.

Discussie

In de plenaire discussie werd eerst rapport uitgebracht door de zes groepsleiders. Daarna had een verdere gedachtenwisseling plaats.

Ds. Vos ging in op de gemaakte tegenstelling tussen individuele bekering en maatschappelijke verlossing. Hij bestreed die. Er is geen prioriteit van eerst een persoonlijke bekering en dan ook maatschappijhervorming. Wie gered is, is automatisch met de sociale vragen bezig, anders is hij geen echte christen, meende Vos.

Anderen, die aan het debat deelnamen, waren o.m. ds. Murdo McLeod van de Schotse Free Church. Hij keerde zich tegen ds. Vos en vond, dat diens verwijten over de agenda der GOS niet opgingen. Ligt de geloofwaardigheid der kerken in de methodologie der zending of in hun theologie? zo vroeg hij. Dr. Rubingh ging er op in en citeerde nogmaals Verkuyl. Hij meende ook, dat niet alle securalisatie heilloos was: bepaalde afgoden werden er door onttroond.

Prof. David J. Bosch, zendingshoogleraar aan de Universiteit van Pretoria, vond dat de westerse kerken het recht niet hebben, de niet-blanke kerken eisen te stellen, ook al hebben de blanken dan geld en macht. De jonge kerken moeten naar het criterium van Anderson zichzelf leren bedruipen, zelf hun uitgaven regelen en zichzelf besturen. Wij denken nog teveel in termen van "Wij sturen geld en kennis naar die jonge kerken". Dat patronaatsidee van het kolonialisme moeten we afleren en beseffen, dat de Kerk van Christus één Lichaam is met wederzijdse verantwoordelijkheid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.