+ Meer informatie

EMANUELS ONDERTROUW

5 minuten leestijd

4.

Nu het tweede gedeelte van de eerste brief. Zodat ik van mijnentwege niet anders te doen had dan Hem (zo ellendig, mismaakt en schuldig ik ook was) het jawoord te geven, en dan al mijn schuld en mismaaktheid (zonder enige voorbedachte achterhouding) aan Hem te belijden en vrijmoedig vergeving en genezing te begeren. En dal ik mij daarop verzekeren mocht, dat ik waarlijk vergeving en genezing ontvangen zou, en dat Hij alzo mijn Man en ik Zijn vrouw zou zijn en blijven, en te zijner tijd gebracht worden tot het vol genot van Hem en van al Zijn heerlijkheid. En dat Hij mij ondertussen zoveel kracht en sieraad zou geven, dat ik Hem getrouw zou aankleven en Hem welbehagelijk zijn.

En daarmee had Hij al mijn bezwaren opgelost en zo kon ik niet nalaten Hem het jawoord te geven. Want al was het ook, dat ik nog veel dingen in mij zelf gewaar werd, daar zwarigheid over kon gemaakt worden, zo dacht ik, dat het onnodig, ja dwaasheid ware zwarigheid op te werpen, dewijl ze van Hem (Die mij beter kende dan ik mijzelf) niet opgeworpen werd. En zo was die aanbieding ten enen male met mijn gestalte overeenkomende, want ik had Hem in al die opzichten van node. Ook had ik reeds zoveel genegenheid voor Zijn persoon en manier van leven gekregen, dat ik Hem verkoos boven allen en dat leven voordeliger en vermakelijker dan het leven der koningen en vorsten. En zo geloof ik nu ook, dat ik Hem en Hij mij tot een eigendom ben geworden, en dat de laatste plechtigheid van ons huwelijk eerlang zal worden voltrokken.

Ik kan het u ook niet genoeg uitdrukken, wat belofte Hij mij (behalve de eerst gemelde) nog al heeft gedaan. Hij zal mij geven een witte keursteen en een nieuwe naam, die niemand kent dan die ze ontvangt.

Hij zal mijn naaktheid overdekken met rein fijn en blinkend lijnwaad en omhangen met de mantel der gerechtigheid. Ik zal in gestikte klederen tot de Koning worden geleid. Ja met één woord, ik zal geheel verheerlijkt zijn inwendig en mijn klederen zullen zijn van gouden borduursel. Hij zal op mijn hoofd zetten een onverwelkelijke en onverderfelijke kroon van heerlijkheid en mij voeden met het manna, dat verborgen is, en van de boom des levens, die in het midden van Zijn lusthof gevonden wordt. Hij zal mij geleiden, bewaren, beschermen, genezen, ondersteunen, uithelpen, onderwijzen en troosten. Zodat noch dood, noch leven, noch hoogte noch diepte, noch machten noch overheden mij ooit van Zijn liefde kunnen afscheiden.

Dan zal Hij mij ten laatste brengen in Zijn woning, welke een stad is, die fondamenten heeft, zijnde het kunstwerk van Hem, Die de wereld gemaakt heeft, genaamd het nieuwe en heilige Jeruzalem, welker poorten zijn parelen en haar straten fijn goud en haar licht is de allerkostelijkste steen Jaspis. Ja, het goed is zo groot, zo veel, zo goed, zo heerlijk, dat het niet genoemd kan worden, dewijl het geen oog gezien noch oor gehoord heeft noch ooit in de gedachten is opgekomen. En dat ik u ook de naam van mijn Bruidegom niet verberge, waaruit ge Hem kennende, zekerlijk zult afnemen, dat ik niet genoeg van Hem gezegd heb. Hij heet Emanuël en heeft op Zijn kleed en dij geschreven deze naam: Koning der koningen en Heere der heren. Dan heet Hij nog Raad, Wonderlijk, Sterke God, Vader der eeuwigheid. Vredevorst. De naam Zijns Vaders is Jehova der heirscharen, Die noch beginsel der jaren noch einde des levens heeft. Die grote El-Schaddai, Die bekleed is met majesteit en heerlijkheid. Die de geest der vorsten als druiven afsnijdt en de koningen der aarde vreselijk is. Welks dienstknechten zijn duizendmaal duizend en tienduizend maal tienduizend.

En opdat het volk (’t welk Zijn Zoon gezind is de hand van ondertrouw te geven) door deze majestueuze en ontzaggelijke namen niet afgeschrikt, maar uitgelokt zou worden, zo heeft Hij Zijn eigen naam ook dus uitgeroepen : Heere, Heere, God barmhartig, lankmoedig, groot van goedertierenheid en waarheid. Och! mijn hart verlangt om Hem en mijn Bruidegom eens aangezicht aan aangezicht te zien. Maar mij is gezegd, dat ik nog een kleine tijd wachten moet.

Ondertussen bid ik, dat ge mij helpt danken en u verheugt in mijn blijdschap, en dat ge mijn Bruidegom, wanneer ge Hem spreekt, van mijnentwege verzoekt, dat Hij mij (in mijn uitwoning van Hem en nu ik nog maar in ondertrouw met Hem sta) uit Zijn vrije en overvloedige goedheid alles gelieve toe te zenden, dat Hij Zelf weet mij van node te zijn ommij zelf behoorlijk jegens Hem (overeenkomende met dit huwelijk) te dragen, en dat Hij mij zodanig bereide, dat ik op die grote bruiloftsdag, als Zijn bruid betaamt, met Hem (nevens al de bruiloftskinderen) mag aanzitten, en mij dan voor eeuwig in Zijn liefde en gemeenschap vermake. Vaarwel.

Hiermee eindigt de bruid van de hemelse Bruidegom haar brief aan haar vriendin. Kunnen wij haar volgen en met haar instemmen?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.