+ Meer informatie

Onbescheiden Van der Linde kwetste zijn tegenstanders

"Een meteoor aan kerkelijke hemel"

6 minuten leestijd

Hij is wel genoemd „een meteoor aan de kerkelijke hemel." Antonius van der Linde maakte in korte tijd grote opgang in bepaalde kerkelijke kringen in de vorige eeuw. Hij beschikte over een buitengewone intelligentie, had een grote aanleg voor talen, was een zeer goed schaker en beschikte over een vaardige pen. Toch kan men Van der Lindes carrière niet geslaagd noemen.

Antonius van der Linde werd op 14 november 1833 in Haarlem geboren. Zijn vader zou de zadelmaker Hendricus van der Linde geweest zijn, maar daar hebben onderzoekers toch hun twijfels over. Immers, hoe was het mogelijk dat Antonius later over een enorm vermogen kon beschikken als hij van zo lage komaf was. Heeft hij misschien geërfd van zijn echte vader en was Hendricus alleen in naam de vader? Hetis niet duidelijk. De jonge Van der Linde beschikte over een goed stel hersens. De mogelijkheid om te studeren werd voor hem geopend en in 1854 werd hij onderwijzer in Amsterdam. Hier viel hij Isaac da Costa op, die hem bij Groen van Prinsterer prees vanwege zijn „uitnemende scherpzinnigheid en kunde." Zelfs sprak Da Costa dat hij bij Van der Linde had aangetroffen „een tot de Heere gekeerd en bekeerd gemoed."

Zelfverzekerd
Na een kort verblijf in Alkmaar kwam Van der Linde weer in Amsterdam. Hij sloot zich daar aan bij de afgescheidenen. Het ging er al snel mis. Welke karaktereigenschappen Van der Linde ook gehad heeft, bescheidenheid nam daaronder geen grote plaats in. Integendeel, zijn zelfverzekerdheid was groot, niets kon hem ervan overtuigen dat hij het ook wel eens niet bij het rechte eind had. Dat bleek ook in Amsterdam. Van der Linde trad daar te midden van de afgescheidenen al spoedig op de voorgrond. Het werd hem toegestaan om een woord tot stichting te spreken in de gemeente. Dit optreden als oefenaar wisselde hij af met het kritisch luisteren naar de preken van de Amsterdamse predikant A.G. de Waal en hij bespeurde al zeer spoedig onrechtzinnigheden. Van der Linde legde dat voor aan de verschillende kerkelijke vergaderingen, maar die volgden hem hierin niet, zodat Van der Linde zich geroepen achtte om de zaak wereldkundig te maken in een brochure, die hij op eigen kosten uitgaf

Tijdschrift
De kwestie eindigde in de afsnijding van Van der Linde en de jonge voorganger, die zichzelf nu beschouwde als een martelaar voor zijn pricipes, kwam alleen te staan. Zijn volgelingen beriepen hem als predikant. Probleem was echter wie hem bevestigen moest. Geen afgescheiden predikant zou dit op zich willen nemen en met de kruisdominees wilde Van der Linde niet in zee gaan. Bleef dus over ds. L.G.C. Ledeboer. Met hem werd contact gezocht. Helaas voor Van der Linde, maar gelukkig voor Ledeboer ging dit niet door. De zelfverzekerdheid van Van der Linde, zijn drammerige "gelijkhebberigheid" heeft de ledeboerianen afgeschrikt. Ten slotte heeft een ouderling van zijn gemeente Van der Linde op 17 mei 1859 als predikant bevestigd. Energiek pakte hij een aantal zaken aan. Hij stichtte een tijdschrift, "De Reformatie" genaamd. Hij publiceerde andere werkjes, waaronder een boekje waarin hij Ledeboer en de zijnen de mantel uitveegde, en hij preekte. Ook vond hij nog tijd voor zelfstudie. Zijn uitnemende en kostbare bibliotheek verschafte hem daartoe mogelijkheden genoeg.

"Enige getrouwe"
Twee jaar is dit zo doorgegaan. Makkelijk had Van der Linde het niet. In eigen ogen was hij de enige getrouwe predikant in zijn vaderland. Hij schreef: „Men noeme mij één prediker der waarheid, en ik zal met Gods Woord bewijzen dat hij een dienstknecht der duisternis is. Allen zonder onderscheid die thans leiders des volks zijn, zijn leugenaars en bedriegers der schare." Geen wonder dat dergelijke uitspraken tegenstand opriepen, niet alleen buiten, ook in zijn gemeente. Er kwam een oppositie onder zijn volgelingen, door Van der Linde een lastercampagne genoemd, en in 1861 legde hij zijn ambt neer. Hij vertrok naar Göttingen; daar promoveerde hij op een proefschrift over Spinoza. Ook in latere jaren lachte de rust Van der Linde niet toe. Hij was als predikant in 1860 in het huwelijk getreden, maar deze relatie werd een fiasco. Zelf sprak hij over pogingen tot moord en brandstichting van de kant van zijn vrouw. In 1869 werd de scheiding uitgesproken. Het kostte Van der Linde een bedrag van / 75.000.

Bespottingen
Intussen leefde Van der Linde zich uit in een nieuwe manie: het schaakspel, en met name de geschiedenis daarvan. Het kwam tot een paar boeken, die vanwege hun waarde nog steeds herdrukt worden. Over zijn religieuze ontwikkeling kunnen we verder kort zijn. Een tijdgenoot vatte die samen met de woorden: „Hij liet nu allengs zijn kerkelijk geloofsstandpunt voor een wetenschappelijk oogpunt varen, en gaf alle kerkelijkheid de bons." In 1891 publiceerde hij een boek over Michael Servet, die in het Genève van Calvijn tot de brandstapel veroordeeld werd vanwege zijn lasteringen tegen de Drieëenheid Gods. In het boek ruimde Van der Linde veel plaats in voor zijn eigen bestrijdingen en bespottingen van het leerstuk van de Drieëenheid. Daarnaast gaf hij zijn haat tegen Calvijn en zijn leerstellingen ruim baan. In zijn persoonlijk leven ging het hem opnieuw niet voor de wind. Hij was voor de tweede maal in het huwelijk getreden, maar ook nu weer liep het op een echtscheiding uit. Zijn enorme geldelijke vermogen verloor Van der Linde verder door het ineenstorten van het bankiershuis waar hij zijn geld had ondergebracht. Hij moest nu een baantje gaan zoeken en vond het al spoedig. Van der Linde werd benoemd als bibliothecaris van de bibliotheek in Wiesbaden en hij ging in Duitsland wonen. Daar zette de laatste fase van zijn morele ondergang m.

Onbeschoft
Met iedereen maakte Van der Linde ruzie. Met een verregaande onbeschoftheid bejegende hij bezoekers, notabelen snauwde hij af, het personeel werd op zijn zachtst gezegd onheus behandeld en hun werd opgedragen de mensen bij hem vandaan te houden. Hij zei eens tegen een bezoeker: „Ik beschouw de bibliotheek als privaat eigendom en ik heb die kerels die hier kwamen net zo lang onhebbelijk behandeld tot er niemand meer durfde wagen naar me te vragen." Toen de toestand helemaal onhoudbaar was geworden, werd Van der Linde in 1895 eerst met verlof gestuurd en vervolgens gepensioneerd. Nog twee jaar heeft hij geleefd; hij overleed op 12 augustus 1897. Een sympathiek man is Van der Linde niet geweest. Altijd, zeker in zijn strijdschriften, stond het kwetsen van zijn tegenstanders voorop. Altijd bleef hij overtuigd van zijn eigen gelijk. Alles pakte hij aan en benaderde hij met zijn inderdaad enorme verstand. Zijn grote gaven, niet gerelativeerd vanwege zijn grenzeloze hoogmoed, maakten zijn opgang snel; de afgang achterhaalde hem wel.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.