+ Meer informatie

Verslagen Diakenenconferentie 1967

14 minuten leestijd

Waarde Broeders, hartelijk welkom in Apeldoorn! We zijn hier om elkaar te ontmoeten, en om van die ontmoeting wijzer te worden.

Dit is de 25-ste Landelijke Diaconale Conferentie in een jaar, waarin wij óók het 75-jarig voortbestaan van onze kerken gedenken.

Geen vlaggen, geen bloemen, geen toespraken! Alleen een dankbaar constateien van deze beide feiten.

Veel is veranderd in deze 25 jaar. Het diakonaat in het algemeen is nauwelijks meer te vergelijken (zo het schijnt) met de periode voor de tweede wereldoorlog. Graag wilde ik op deze 25ste verjaardag, bij de opening der conferentie met u de vraag onder ogen zien, of we nu in 1967 nog wel op de goede weg zijn met he” diakonaat.

Ik dacht dat deze vraag zeer belangrijk was.

Er zijn symptomen in de diakonale wereld van vandaag die deze vraagstelling wettigen!

M.i. in andere kerkformaties evenzeer als in eigen kerken. Het kerk van Jezus Christus zijn, is vandaag volop in gesprek, u weet dat, en het diakonaat der kerken ontkomt daar niet aan.

Als Chr. Geref. Kerken hebben we ook ten deze een eigen verantwoordelijkheid en we hebben ons zeker op diakonaal terrein te hoeden, voor wat ik zou willen noemen „een aanleunen tegen algemeen geldende principe’s” in ons goede vaderland.

Aanleunen is wel gemakkelijk misschien, maar je kunt je „deze kunst” zo eigen maken, dat je tenslotte niet meer op eigen benen kunt staan.

Begrijp me goed! Wij hebben als diakonieën, in onze betrekkelijk kleine kerken, zeer veel te danken aan datgene wat vanuit andere (grotere) kerkformaties, met meer mankracht, wellicht ook meer denkkracht, werd en wordt gesproken en geschreven en vastgesteld.

Maar het gevaar van „aanleunen” wordt dan levensgroot.

Daarbij komt (de eerlijkheid gebiedt dit eveneens te constateren) dat wij als diakonieën een goed gehoor vinden, als vanuit onze kerkelijke positie er informaties worden gedaan, of om lectuur wordt gevraagd, of andere contacten worden gezocht met deputaten en andere instanties op diakonaal terrein; met name wel van de Geref. Kerken.

Met dankbaarheid vermelden we dit.

De G.S. der Geref. Kerken heeft o.a. officieel opdracht gegeven aan deputaten, om deze contacten met onze kerken te bevorderen. En wij van onze zijde hebben (zij het op ander niveau als waarin wij heden samenzijn) zelfs veel meer officieel, aan deze dankbaarheid uiting gegeven het vorig jaar, toen het diakonale conferentie-werk in die kerken 75 jaar bestond.

We hopen van harte dat deze onderlinge verbondenheid ook in de toekomst minstens zo zal blijven.

Maar dat neemt niet weg, dat we onze eigen verantwoordelijkheid als nummer één moeten blijven bezien en desnoods alleen durven en kunnen staan op vitale punten.

Of die vitale punten er dan werkelijk zijn? Ik dacht van wel; en vandaar de vraag: „Zijn we nog op de goede weg.”

Ik laat de verhouding van onze kerken,alleen en uitsluitend met de Geref. Kerken op diakonaal gebied los, maar constateer dat eralom in de kerkelijke wereld tendenzen zijn waar te nemen, die tot de genoemde vraagstelling aanleiding geven. Op een jaarlijkse ontmoetingsdag als deze (en nog wel een bij verrassing jubileum-dag, zonder bloemen) moeten we dit elkaar duidelijk kunnen zeggen.

Het diakonaat is vandaag een kwetsbare aangelegenheid!

Kwetsbaar dacht ik omdat het gevaar dreigt dat heden voor ambtelijke diakonale arbeid wordt aangezien, wat op de keper beschouwd niet veel meer is dan „een soort humaniteit, met een kerkelijke tint!”

In zulk een tijd staan we nu eenmaal als kerken, en als diakonieën, en als we dan met meer geleerd hebben dan „lekker aan te leunen” en niet voldoende visie hebben op de Bijbelse boodschap, dan zijn we daardoor onverantwoordelijk bezig als ambtsdrager in de kerk.

Dat is nog al wat, zegt u?

Inderdaad!

Het gevaar wat ons bedreigt is niet in de eerste plaats dacht ik, dat we als diakonieën blind zouden zijn voor de vragen van vandaag. Dat valt nog wel wat mee. Hoewel niet al te optimistisch ten deze.

Blind voor de hedendaagse vragen op diakonaal gebied dus niet, maar „bijziende” dacht ik wel enigermate.

Wat is „bijziende?” Raadpleeg Kramers Woordenboek maar, en dan leest u dat bijziende iemand is, die alleen zeer nabij alles ziet maar op enige afstand alles wazig ontdekt.

Ik dacht dat het diakonaat anno 1967 daar een goede klap van te pakken heeft. We zien het diakonaat te veel op een afstand, en we komen er te weinig heel dicht bij.

Met andere woorden; we staan (met alle goede bedoelingen natuurlijk) met ons diakonaat te ver van de Bijbelse boodschap af. We verwijzen heel gemakkelijk naar (om bij het onderwerp van heden te blijven) b.v. de maatschappelijk werker of werkster, naar allerlei specialisten, en menen daarbij van de zaak af te zijn. Daarom wordt er, ook in de kerk vandaag, zo ontzettend veel gesproken over „[a-z]e medemenselijkheid” veel meer dacht ik dan over „het grote gebod.’

Het eerste en het grote gebod toch is: God liefhebben bovenal, en als vrucht daarvan de naaste dienen.

Theoretisch zit het nog wel goed. Wat dacht u. We zijn toch gereformeerd. Maar praktisch!

Lees en luister maar vandaag. De medemenselijkheid is „je van het.” Allerlei lectuur, radio en televisie preken het van de daken.

Het wordt dan ongeveer zo: Veel doen voor de medemens, in en buiten de kerk, dan is dat tevens het bewijs dat het met de dienst van God wel goed zit.

En dat terwijl God ons leert in Zijn Woord, dat aan twee geboden de ganse wet en de profeten hangt!

Met het tweede gebod zit het wel aardig goed, althans daar doen we wel zeer beslist ons best voor, en als we niet goed uitkijken, voeden we daar als diakenen, onze kerkleden ook wel goed in op. Het z.g.n. gemeente-diakonaat gaat dan op in dat tweede gebod, de naaste liefhebben.

Maar nogmaals, de ganse wet en de profeten, met andere woorden, het ganse evangelie van Jezus Christus hangt aan twee geboden, waarvan het eerste is: God liefhebben bovenal!

Ons kerklid zijn en ons diaken zijn krijgt vandaag iets vanzelfsprekends, zo lijkt het althans zeker, en er is zo weinig plaats voor de verwondering. Deze ver-wondering n.l. dat wij een God hebben en bij die God in dienst-betrekking staan, Die allereerst zegt, als het over de naaste gaat. „Wat staat er in de wet geschreven, hoe leest gij?”

Ik dacht dat we juist vanuit ons ambt beide geboden waaraan het evangelie hangt duidelijk moesten betrachten.

Het gevaar dreigt, dat we als kerkelijk Nederland, en als Chr. Geref. ambtsdragers, ongemerkt van de Bijbelse boodschap afdwalen en dan wordt alles wazig.

Niet omdat Gods boodschap niet duidelijk zou zijn, maar omdat wij aan bijziendheid gaan lijden, en we al doende steeds meer bijziende worden.

Dat brengt een zekere humaniteit op kerkelijke grondslag, en juist het diakonaat, dat vanuit haar positie nu eenmaal veel met de enkeling te maken heeft, staat hier levensgevaarlijk. Want we hebben wat dat betreft de tijdgeest tegen.

Er zit ook nog wel een beetje romantiek in. Maar het diakonaat heeft met romantiek niet veel uitstaande.

We zouden zelf ook gaan geloven, dat de dienst aan de medemens die God naast Dns heeft geplaatst, zonder meer een bewijs is, dat het met het grote gebod wel in orde is.

Men heeft het dan ook heel druk over het „daad-Christendom” enz. Of wij als jiakenen dan dat tot daden komen niet hebben te betrachten, voor te leven en te verkondigen?

Nou en of! Maar niet en nooit met verwaarlozing van het eerste en grote gebod. God liefhebben bovenal, spreekt lang zo goed niet aan (schijnt het).

God is zo ver en soms zo vreemd. „God is dood” dat zeggen we nog niet in de kerk. We passen wel op, maar het is zo moeilijk vandaag met die vragen rondom God en Zijn geboden en Zijn leiding in het mensenleven.

Het evangelie is een verrassing, iets wat in geen mensenhart is opgekomen, dat moet ons uitgangspunt zijn, ook diakonaal, en als vrucht daarvan de broeder enzuster dienen; dat wordt een knoop die we ook als diakenen haast niet meer kunnen ontwarren. Als gevolg van onze bijziendheid, dacht ik.

Wat ik bedoel te zeggen mag ik misschien even illustreren, met een door mij pas gehoorde preek over de gelijkenis van de arbeiders in de wijngaard.

Het thema van de preek, (meer zal ik er niet van zeggen) was: God is anders, want God is goed!

We hebben er dacht ik, in de kerk ook als ambtsdragers-diakenen te weinig zicht op dat God anders is.

Anders dan wij ooit bevroeden kunnen. God is anders omdat God goed is.

En ook wat „goed zijn” betekent kunnen wij ons niet voorstellen. Maar de diakonale boodschap aan mensen in allerlei nood, moet allereerst zijn: dat God anders is omdat God goed is.

Daar kunnen we mee aankloppen in de huizen van allerlei personen en gezinnen waar we als diaken komen.

Ja maar, zegt men tegenwoordig: geef eerst maarfl 100,— of bemiddel eerst maar eens voor een huis, dat is tenmiste naast de mensen gaan staan; en als dat dan gebeurt en opgelost is, zeg dan ook gerust maar dat God goed is. Ons bevestigings-formulier schijnt ons daarin, naar de letter gezien, ook nog voor te gaan.

De uiterlijke gift, dat niet alleen, neen ook troostrijke redenen, en we lezen het in onze bijziendheid zo: eerst de uiterlijke gift en daarna ook de troostrijke redenen, want dat is ook zeer goed, zegt het formulier.

Broeders mag ik u opwekken om dit anders te verklaren?

Niet alleen met de uiterlijke gift, want dat was blijkbaar ook toen al het gevaar, maar ook met troostrijke reden.

En wat is er nu een grotere troost voor mensen die in de knoop zitten dan het evangelie dat God anders is omdat God goed is. Hij geeft luie mensen die 11 uur verslonsd hebben en 1 uur gewerkt, evenveel loon als hen die 12 uur hard gewerkt hebben. Dat is niet rationeel, dat is niet zakelijk, dat is niet economisch, dat is niets; maar dat is de anders zijnde en anders doende God en Hij doet dat omdat Hij goed is.

Dat is de diakonale boodschap allereerst, en dan het tweede daaraan gelijk is: We zullen onze naaste liefhebben; en als diakenen dat onze kerkleden inscherpen, als we bij hen in huis zijn, en als we met hen onderweg zijn.

Moet dan een diaken een halve dominee zijn, of een driekwart ouderling? Neen, niet een halve of een driekwart maar een hele, en toch op zijn terrein blijven.

Dat verstaat de doorsnee kerkmens niet meer, maar dat zullen we hem toch moeten leren.

Ik spreek toch geen wartaal? U begrijpt hoop ik de bedoeling in deze situatie; want hiermede onderschrijf ik even zo goed voor 100 % dat de ambten welonderscheiden zijn maar niet gescheiden.

Broeders diakenen, we vragen slechts, gezien de hele samenhang, ook op kerkelijk en diakonaal gebied, en gelet op het gevaar van de bijziendheid, ook in onze Chr.Geref. kerken: „Zijn we nog wel op de goede weg.”

Mag ik een ouderwetse vraagstelling hier in 1967 lanceren, n.l. deze „Hebben we de oude paden” nog wel in het oog?

Ik las u en mezelf met opzet uit Deuteronomium 6 en uit Lucas 10 van dat oude pad voor

Maar zegt u, kunnen we m 1967 de gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan nog wel gebruiken als voorbeeld voor het diakonaaf Kunnen we daar nog mee op stap’?#X2019;

Ik dacht van wel, als we tenminste maar de zaak waar het om gaat, juist zien Waar het in deze gelijkenis om gaat is

1ste Om de naaste

2de Om de innerlijke barmhartigheid

Deze twee zaken moeten ons als diakenen bezig houden

Daarmee zijn we tevens in het spoor der vaderen, (om deze versleten term nog eens op te halen)

Ik wil u dat nog even aantonen

We zeiden al dit jaar is het 75 jaar geleden dat wij als kerken bleven staan op de basis van 1834, en niet zijn meegegaan met de vereniging van 1892

Het grootste gedeelte der kerken van de Scheiding en die uit de Doleantie gingen toen samen op m de Gereformeerde Kerken in Nederland

Tijdens de voorgeschiedenis tot die vereniging, is ook het diakonaat der kerk volop in gesprek geweest

Het beroemde Diakonale Congres van 1888 gehouden te Utrecht op 2 en 3 februari IS hiervan het bewijs

Dit congres werd gehouden in opdracht der G S van 1887

Het motto van dat congres was „Olie en wijn in de wonden ”

Het persverslag zegt „Onder de 250 aanwezigen merkten we op de heer Ds Hendrik de Cock, als afgevaardigde van de Chr Geref Gemeente te Kampen pEen groot overzichtelijk persverslag is m bewaring gebleven 10 volledige pagina’s in het Diakonale Handboek

Enkele van de zeer vele resolutie’s wil ik u niet onthouden

1 De eigenlijke taak der diakonie is niet het uitreiken van geld dat komt pas in de tweede plaats, de eigenlijke taak is, het bezoeken van de leden der kerk door de diakenen om hen met troost bij te staan

2 Door getrouw bezoek moeten de diakenen op de hoogte zijn van de noden der gemeente, en olie en wijn, dat is, vertroosting brengen in de huizen en harten van de hulpbehoevenden m de breedste zm

3 Een juiste bediening van het diakenschap, is die alleen welke in de huizen der armen getuigenis aflegt, en beeld is van het Hogepriesterlijk ambt van de Here Jezus Christus zoals Hij Zich geeft om verlorenen te redden

U merkt dat zijn heel andere beginselen dan heden in het algemeen gelden voor het diakonaat

De geschiedschrijver zegt „Een hoge geloofsbezielmg ging er van dit congres uit”

Natuurlijk diaagt dit congres het teken van de tijd waarin het gehouden werd Zeer vele mogelijk wel de allermeeste daar geponeerde stellingen zijn niet houdbaar gebleken m de loop der jaren

40 jaar later schreef de bekende br. Hoek over dit congres:

Tenslotte is het luisteren naar de klanken van de vroegere tijd ook dienstig om onze geloofsgroei te bevorderen en om diakenen te bezielen tot hun heerlijk werk.

Veel is verouderd, het voornaamste is gebleven.

Wij leven nu nog weer 40 jaar later, en wij moeten constateren dat nogmaals heel het diakonaat der kerken een wijziging heeft ondergaan.

Aangepast en nog eens aangepast. Het diakonaat schijnt alleen horizontaal nog aantrekkingskracht te hebben.

Of het alles tot op de bodem verantwoord is?

Dit weten we echter wel: „Waakzaamheid blijft geboden.”

Het aanleunen zit ons in het bloed. Het schipperen met oude principe’s, de hele kerkelijke wereld gonst er van.

Zou het diakonaat der kerken er dan niet door worden bedreigd?

De oude diakonale boodschap natuurlijk in een nieuwe stijl.

De kerk mag geen antiek museumstuk worden.

Ambtsdragers op uw posten. Diakenen, let op uw zaak, die Gods zaak is. Verblijdend is het dat onze kerken ook de diakonale aangelegenheden een ruime plaats geven op hun bredere vergaderingen.

Maar willen ze dat doen, dan zullen de diakenen (kerkeraden) de agenda-stukken moeten leveren.

Niet nadoen wat anderen doen; maar zoeken naar de weg die verder omhoog voert.

De dienst van God is een zaak van het hart. De zaak van elk hart. God liefhebben bovenal. Dit is een troostboodschap door de diakenen af te geven daar waar nood is, en daarbij de uiterlijke gift waar nodig, opdat Gods kerk ook ten deze een aanbevelingsbrief is voor de wereld, en de kerkleden, en allen die met haar in aanraking komen, kunnen zien, wie God in Christus is.

Dat God anders is, omdat God goed is.

Laten we zo onze 25ste conferentie houden. En dan samen spreken hoe de verhoudingen liggen met andere instanties, die op hulp aan hulpbehoevenden het oog gericht hebben.

Maar ieder met zijn eigen verantwoordelijkheid.

Dat Ds. Harder ons heden wil voorlichten over de verhouding, met name tot het Maatschappelijk Werk, stemt ons dankbaar. Vorig jaar deed hij dit bij ons B.O.C. De daar aanwezigen, hebben kunnen ervaren zijn bewogenheid met deze materie, en we hopen dat hij ons vandaag onder Gods zegen een jubileum-geschenk zal mee geven op onze 25ste conferentie, waar én de ambts-dragers mee gediend zijn, én de kerken hun profijt van zullen kunnen trekken. We zijn in zoverre op de goede weg, dat we in dienst staan bij Hem Die ons geroepen heeft tot deze dienst. Die weg is dus een goede weg.

Ik wil tenslotte herinneren aan een mij steeds bijgebleven uitlating van onze Prof. W. Kremer (toen nog Ds. Kremer) tijdens een opwekkings rede: „De gang van de kerk van onze Here Jezus Christus door de wereld is niet te vergelijken met een tocht over de afsluitdijk. De afsluitdijk dat is recht uit, recht aan… daar is geen verandering van rij-richting mogelijk. De gang der kerk door dit leven komt telkens bij aftakkingen, en dan blijft aan ons te onderzoeken, waar de hoofdweg verder gaat, en waar de aftakkmg ons brengt ”

Het diakonale pad heeft (laten we dicht bij huis blijven) sinds 1892 tientallen aftakkingen en zijwegen gezien en aangeprezen Blijft voor ons de vraag en nu in 1967 Staan we nu nog op de goede weg”

En als we de Bijbel raadplegen dan zegt die ons vandaag weer als antwoord „[a-z]at staat er in de wet geschreven, hoe leest gij”’

En als we dan de twee geboden noemen, waaraan de ganse wet en de profeten hangen, zegt dat zelfde Woord van God ook nu tot ons „Ga heen en doe gij evenzo ”

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.