+ Meer informatie

DE ZONDEN DER VADEREN BEZOCHT AAN DE KINDEREN

8 minuten leestijd

VERLEGENHEID

Sinds zij in Leiden haar studie rechten is begonnen, komt Thea het weekend lang niet altijd meer thuis. Maar nu wel. Best fijn om zo samen met mijn ouders, broers en zusje hier weer in de kerk te zitten, denkt ze. De dienst begint. Na het zingen van de eerste psalm leest de dominee de wet. Daar heeft ze zo vaak naar geluisterd, die kan ze wel dromen. Maar in één keer - waar het aan ligt weet ze niet - hoort ze het tweede gebod als had ze het nog nooit gehoord. ‘Die de ongerechtigheid der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde en vierde geslacht..’. En tot haar schrik flitst het haar door de gedachten: maar is dat wel eerlijk? Tijdens de preek dwaalt ze geregeld af, moet ze er steeds weer aan denken.

Weer thuis, tijdens de koffie, komt ze: Pa, wat vindt u daar nu van? Als kinderen gestraft worden om wat een vader of opa deed, is God dan nog wel rechtvaardig? Tsja, lastige vraag, mompelt vader. Deze week krijgen we net huisbezoek, zullen we het aan de ouderling voorleggen, oppert moeder. (…) Dominee krijgt een telefoontje, van ouderling Pieterse, net terug van een goed huisbezoek. Alleen dat slot van het tweede gebod, zou dominee daar niet eens apart over willen preken? Oei, denkt dominee…

BEPERKING

De bovenstaande casus staat niet ver bij de werkelijkheid vandaan. Vraag een gemiddelde kerkganger wat het betekent dat God tot in het derde en vierde geslacht straft, en hij/zij heeft het er moeilijk mee. Het is niet mogelijk in dit artikel in te gaan op de veel bredere problematiek van collectieve straffen in het Oude Testament (bijv. de executie van Achans familie of de gevolgen van Davids volkstelling). We zullen ons vooral beperken tot de uitleg van het tweede gebod, deze zo door-en-door bekende tekst die toch voor veel Bijbellezers inhoudelijk een struikelblok vormt.

ONZE LEESBRIL

Wie zijn die Bijbellezers? Dat zijn Nederlanders die leven in de 21e eeuw, en die allemaal kind van hun tijd zijn. Onze Europese geschiedenis heeft in de laatste eeuwen een geestelijke en sociale ontwikkeling doorgemaakt van een collectieve maatschappijvorm naar een veel meer individualistische maatschappijvorm. De agrarische samenleving met zijn kleinschaligheid, sociale nabijheid en strijd om het bestaan is verleden tijd. De moderne tijd is fundamenteel anders: leven in steden, mobiliteit, emancipatie, technische hulpmiddelen. Het accent is verschoven naar persoonlijke zelfontplooiing, individueel recht op zelfbeschikking en de autonomie van het individu.

Hier kun je veel van zeggen, ten positieve en ten negatieve. Maar één ding is duidelijk: dit individualiseringsproces heeft ons allemaal diep beïnvloed. Niet alleen onze normen en waarden, maar onze hele ‘perceptie’, de manier waarop we tegen de wereld en het leven aankijken. Dit laten we echt niet achter ons als we uit de Bijbel lezen. Onze vraagtekens bij die collectieve straffen in het Oude Testament zeggen evenveel van onszelf als van de Bijbel. Onmiskenbaar weerspiegelt de Bijbel een denkwereld en cultuurvormen die veel meer oog hadden voor de gemeenschap, voor collectieve verbanden, voor solidariteit in schuld en zegen, dan wij met onze manier van denken. Dit zullen we bij het lezen van de Bijbel en zeker ook bij het horen van teksten als het tweede gebod, steeds voor ogen moeten houden.

TAAL VAN HET VERBOND

In de wereld van het Oude Testament werd een verdrag of verbond besloten met een tweevoudige bekrachtiging: zegenspreuken en vloekspreuken. Zegen voor wie het verbond houdt, vloek voor wie het verbond breekt. Deze structuur heeft ook het tweede gebod, dat Gods verbondsvolk wil afhouden van de beeldendienst. Buigen voor beelden (van afgoden of van God) botst met de erkenning van de Here als de ene Opperheer van het verbond. Hijzelf bekrachtigt en garandeert het verbond met woorden van vloek en zegen, straf en genade, bezoeking en barmhartigheid: ‘Ik, de HERE, uw God, ben een naijverig God, die de ongerechtigheid der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde en aan het vierde geslacht van hen die Mij haten, en die barmhartigheid doe aan duizenden van hen die Mij liefhebben en mijn geboden onderhouden.’ (Ex. 20:5v.; Deut. 5:9v.).

Hier zien we de twee kanten van het verbond, maar in een geweldige onbalans. Straf tot in het 3e en 4e geslacht, genade tot in het 1000e geslacht (vergelijk Deut. 7:9). Zo laat het tweede gebod het licht vooral op Gods goedheid vallen: de straf blijft beperkt, de barmhartigheid overschrijdt alle grenzen.

HET DERDE EN VIERDE GESLACHT

In de wereld van oud-Israël leefden de generaties samen in een huis of huizengroep: grootouders, ouders, kinderen, kleinkinderen. Letterlijk vier geslachten. Het betrof een sociale eenheid met een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid, waarin de oudste huisvader een centrale rol speelde. Het is heel goed mogelijk dat de aanduiding ‘tot in het 3e en 4e geslacht’ hiernaar verwijst. Dat betekent dan dat het hele huisgezin de straf draagt voor wat een vader deed. Ook is het mogelijk dat de Bijbelschrijver meer gedacht heeft aan de lijn van de geschiedenis: de straf op de zonde van de vader kan vele jaren later, nog tot in het derde en vierde geslacht, gedragen worden. Dus: zowel in het heden als in de toekomst. Maar hoe is dit nu precies bedoeld, dat het derde en vierde geslacht gestraft worden? Ook hier zijn twee mogelijkheden.

Ten eerste, dat het nageslacht de gevolgen van de straf draagt, die de voorvader met zijn zonde verdiend heeft. De jongere generatie is dan als het ware de dupe van de zonde van de voorvader, en deelt in de negatieve effecten van diens kwaad (vgl. Ex. 22:24; Spr. 15:17,17:13). Dit herkennen we direct: hoeveel kwaad kan iemand met zijn ‘private’ zonde zijn gezin niet aandoen (bijv. fraude, incest): kinderen en kleinkinderen ondergaan het leed er nog van. Zo gezien waarschuwt het tweede gebod voor de gevolgen van de zonde: kijk uit, want niet alleen jezelf, maar ook je nageslacht kun je ermee in de diepste ellende storten.

Toch gaat het niet alleen om de gevolgen van de straf. God brengt, ten tweede, de straf voor het kwaad van de vaderen zelf ook over de kinderen en kleinkinderen. De schuld wordt óók het nageslacht aangerekend. Het is op dit punt, dat een moderne Bijbellezer blijft steken - maar laat hij/zij de tekst helemaal uitlezen!

VAN WIE MIJ HATEN

Zegt het tweede gebod dat het nageslacht ook als het onschuldig is en de Here wel dient, toch nog voor de zonden van het voorgeslacht gestraft kan worden? Is het een soort automatisme? Dit is stellig niet het geval, evenmin als het duizendste nageslacht van wie God liefhebben en zijn geboden onderhouden, automatisch zijn barmhartigheid ondervindt. Het tweede gebod dreigt met de bestraffing tot in het derde en vierde geslacht van wie Mij haten. Het gaat dus om nageslacht dat in het spoor van de vaderen gaat. Het Duits heeft hiervoor het woord ‘Gesinnungseinheit’. Het tweede gebod veronderstelt solidariteit in de schuld: zo vader, zo zoon. Vandaar het bijzondere werkwoord ‘bezoeken’, dat een controlerend element in zich heeft: God gaat de ongerechtigheid der vaderen na en straft dit. Hij ziet hoe het kwaad der vaderen zich voortzet in de kinderen, en gaat dit met zijn verbondsvloek tegen.

De Targum Jonathan, een oude Aramese vertaling, heeft de tekst als volgt: ‘vergeldend de zonden der vaderen aan de kinderen als zij voortgaan te zondigen na hen’. Treffend is ook de kanttekening van de Statenvertaling bij het woord ‘kinderen’ in Ex. 20:5: ‘Dat is, nakomelingen; te weten, zoodanigen, die de voetstappen van hun vaders navolgende, ook de zonde der afgoderij begaan’. Hiermee spoort de NBV naadloos, met de vertaling: ‘Voor de schuld van de ouders laat ik de kinderen boeten, en ook het derde geslacht en het vierde, wanneer ze mij haten; maar als ze mij liefhebben en doen wat ik gebied, bewijs ik hun mijn liefde tot in het duizendste geslacht.’

Er is dus geen sprake van dat God unschuldigen straft voor de schuld van het voorgeslacht. Er is naast een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid met alle gevolgen vandien, ook een persoonlijke, individuele verantwoordelijkheid. Dat wordt bijvoorbeeld door Deut. 7:9 met een soort omkering van het tweede gebod krachtig onderstreept: ‘.. opdat gij zoudt weten, dat de HERE, uw God, de enige God is, de trouwe God, die het verbond en de goedertierenheid houdt jegens wie Hem liefhebben en zijn geboden onderhouden, tot in duizend geslachten; maar aan ieder persoonlijk van hen die Hem haten, oefent Hij vergelding door hem te gronde te richten; Hij stelt het niet uit voor wie Hem haat, aan hem persoonlijk vergeldt Hij het’ (vgl. Jer. 32:18v.!).

VOORBEELDEN

Het Oude Testament toont op vele plaatsen de uitwerking van het tweede gebod. We sluiten af met twee treffende voorbeelden. In Klaagl. 5 klinkt de klacht: ‘Onze vaders hebben gezondigd, zij zijn niet meer, wij dragen hun ongerechtigheden’ (vs 7). Maar in hetzelfde hoofdstuk belijden deze klagers: ‘De kroon van ons hoofd is gevallen, wee ons, dat wij gezondigd hebben!’ (vs 16). Jeremia antwoordt het volk dat vraagt waarom God onheil over hen brengt: ‘Omdat uw vaderen Mij hebben verlaten .. en omdat gij nog erger hebt gedaan dan uw vaderen .. daarom zal ik u wegslingeren uit dit land naar een land dat gij niet hebt gekend, gij noch uw vaderen’ (Jer. 16:11v.).

Prof.dr. H.G.L. Peels (1956) is hoogleraar Oudtestamentische vakken aan de TU Apeldoorn

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.