+ Meer informatie

(HOE) BEREIKT DE PREEK DE JEUGD? I

8 minuten leestijd

Inleiding

De redactie van „Ambtelijk Contact” heeft met de titel van dit artikel niet alleen een interessante, maar - pastoraal gezien - vooral een indringende vraag opgeworpen. Het is bovendien een actuele vraag. Wat is er de laatste maanden al niet via allerlei kerkelijke en niet-kerkelijke bladen afgepraat over „de preek”. Ik denk aan wat in „De Wekker” is geschreven al of niet naar aanleiding van onderwerpen op conferenties voor ambtsdragers of op classisvergaderingen. Te noemen valt ook het artikel in het Nederlands Dagblad van 4 juli jl. „Wat is een goede preek?” gevolgd door enkele ingezonden stukken. En, om niet meer te noemen, de artikelen in Trouw van 18 en 23 mei jl. naar aanleiding van de studie van Van der Ploeg over „jonge kerkverlaters”. Hoewel het in deze laatste artikelen niet specifiek over de preek gaat, zijn de aan de orde gestelde zaken uitermate relevant voor de vraag die „Ambtelijk Contact” zich gesteld heeft; het gaat hier immers om de relatie Woord en jeugd, en dat zonder twijfel vanuit het perspectief van de toekomst van het (ons) kerkelijk leven.

Aangenomen mag worden, dat de vraag niet was opgeworpen als er niet van bezorgdheid met name onder ambtsdragers sprake was. De alarmerende berichten over het vertrek van jongeren uit met name de Gereformeerde Kerken zetten ook de zorg over de eigen kerkelijke situatie in dit opzicht onder druk: hoe zit het met onze eigen jongeren? Nu is schrijver dezes noch theoloog, noch ambtsdrager. Mijn bijdrage is door de redactie gevraagd - naar ik meen - op grond van mijn regelmatige contacten met jongeren in onderwijssituaties. Mijn opmerkingen en kanttekeningen hebben dus voor de lezers van dit blad iets van de bijdrage van een buitenstaander. Dat geeft me de vrijheid „voor mijzelf” te spreken. Echter, de zaak waar het hierover gaat, raakt me wel zo zeer, dat ik van harte hoop op een gezamenlijke ernstige bezinning op „preek en jeugd” door allen die (ambtelijk) bij het werk áán en vóór kerkelijke jongeren betrokken zijn. Het is duidelijk dat hier niet op alle aspecten van de probleemstelling kan worden ingegaan.

In het kort geef ik hier de lijn aan die ik verder wil volgen:

I - de herkenning: om welke „nood” gaat het en vanuit welke situatie(s)?

II - meningen van jongeren. Ill - commentaar en mogelijke conclusies.

Vooraf eerst nog dit: met het oog op een enigszins actuele aanpak van de zaak ontwikkelde ik een kleine enquête ten behoeve van ons onderwerp. Deze enquête voert geen enkele wetenschappelijke pretentie. Ze is gehouden onder tachtig kerkelijk betrokken jongeren in de leeftijd van 18 tot plm. 22 jaar. Het betrof jongens en meisjes uit hoofdzakelijk Ned. Herv., Gereformeerde, Chr. Geref. en Ned. Gereformeerde kring. Het aantal beantwoorde enquêteformulieren bedroeg vijfenzeventig. Nu is het van belang van dit soort onderzoekjes in veel opzichten discutabel. Natuurlijk ben ik me dat bewust; maar dat wil nog geenszins zeggen dat er niet veel uit te leren valt.

Ik hecht eraan nog op te merken, dat de geënquêteerde jongeren zowel qua opleidingsniveau als qua milieu een redelijk homogene groep vormden. De enquête-uitslagen geven daardoor zeker een gunstiger beeld dan elders mag worden verwacht.

1. De herkenning

De preek? „Soms heb je het idee, dat je niet in de kerk, maar in een lyceumklas zit. Het klopt allemaal als een bus, maar wat neem je ervan mee… voor de komende week?” Aldus één van de reacties van lezers op het hiervoor genoemde artikel over de preek in het Nederlands Dagblad. Wie niet alleen „uit gewoonte” in de kerk zit en daar - onder meer - de preek hoort, zal toch zeker van tijd tot tijd zich de vraag stellen: „komt deze preek nou over?” Of, in andere variaties: „Had deze preek me nu echt wat te zeggen?” „Wat heeft dit alles met mijn dagelijks leven te maken? Verander ik ervan? Sluit die preek werkelijk aan bij mijn verhouding tot God of bij mijn vragen over God en Zijn bestuur?”

Wellicht is het vooral de middelbare leeftijd voorbehouden om op zulke vragen te reflecteren. Jongeren echter, ervaren deze vragen eveneens, maar zullen eerder en anders reageren. Bij voorbeeld zoals één van de door Van der Ploeg geïnterviewden; „…En dan kwam er nog een preek achteraan, die je ook totaal niet interesseerde, of over een ontzettend droog onderwerp, een beetje een ontzettend - ver-van-mijn-bed-show”.

Eind 1981 begin 1982 verscheen er in het cultureel supplement van de N.R.C. een serie gedocumenteerde artikelen onder de titel „Preken in Nederland”. Het was een onthullende bloemlezing van vormen, inhouden en stijlen van preken zoals die in ons land te horen zijn. De schrijfster begint haar reeks onder meer met deze zin: „Wekelijks beklimmen zo’n 5000 (!) dominees, van vrijzinnig-hervormd tot oud-gereformeerd, de kansel om het Woord Gods aan hun gemeente door te geven”. Bij zo’n getal is het goed even stil te staan. In een land ter grootte van een duimnagel op de wereldkaart met een bevolking die al met al 1/360 deel van de wereldbevolking uitmaakt, wordt 5000 maal per week, zegge 250.000 maal per jaar gepreekt! En dat jaar in jaar uit, zelfs eeuw in eeuw uit! Men zou geneigd zijn te vragen naar de produktiviteit van dit uitzonderlijke voorbeeld van „intensieve akkerbouw”! Die vraag - waaraan ook huiveringwekkende kanten zitten - moet hier blijven rusten, maar het minste wat we kunnen doen, is ons de realiteit van dit „gebeuren” in Nederland bewust te zijn. En zeker: dat kan ons ook enig besef van relativiteit geven: God houdt gelukkig niet op bij Nederland.

Daarmee is echter de vraag of al die preken onze jeugd bereiken alleen maar even in een breder kader geplaatst. En dat is op zichzelf niet overbodig. Want stèl nu eens even dat na diepgaand onderzoek als antwoord kort en goed zou komen vast te staan: Nee, de preek bereikt de jeugd niet! Wat dan…? Anders gezegd: waarom stellen we de vraag toch met zoveel klem? Waarom schrikken we zo als we een jongere tegen Van der Ploeg horen zeggen: „Ik ging naar de kerk en ik kwam er net zo weer uit. Er gebeurde gewoon helemaal niets!”

Ik doe een poging tot het inventariseren van antwoorden zoals die bewust of onbewust de mate van onze ongerustheid bepalen:

- „In de kerk gaat het om de preek en als die al niet meer overkomt…….”

- „De preek is de verkondiging van het levende Woord en daar moeten we het allemaal van hebben, ook de jeugd ”

- „Veel jongeren houden er zo heel andere opvattingen op na, dat ik me afvraag of ze nog wel horen wat de Schrift ons leert…….”

- „Ik schrik steeds weer van het gebrek aan kennis van de Schriften. Hoe kan een jeugd dan staande blijven?…….”

- „Er zijn blijkbaar honderd-en-een dingen die ze interessanter vinden. Zou de „kerkdienst” ze echt niet meer pakken?

- „Als ze preek en kerk verwerpen, gaan ze voor eeuwig verloren. Dan zeg je „nee” tegen God……..”

- „Ik mis steeds meer de jongeren in de kerk, bij kerkdiensten, maar ook bij allerlei kerkelijk werk. Waar blijven ze……..?”

In al deze „antwoorden” (zeker nog aan te vullen) klinkt iets gemeenschappelijks en legitiems door nl. dit: het gaat toch om het heil, om leven en dood en daarom zijn we zo ongerust! En dat is zeker waar. Maar eerlijkheidshalve dient gezegd, dat er ook een heel andere kant aan onze vraag zit. Immers, de bovenstaande „antwoorden” laten de brenger buiten schot en leggen als het ware de bewijslast bij de jeugd. Het is niet uitgesloten, dat jongeren die bovenstaande uitingen van onze zorg lezen, min of meer verbaasd zouden reageren met: „Zo ligt het helemaal niet. Jullie hebben het veel te zwaar geladen. Ik keer de kerk de rug niet toe en voor mij is het Woord van levensbelang. Dat de preken mij weinig te zeggen hebben, komt gewoon door….” En dan volgt een indrukwekkend scala van argumenten, die alles met de brenger van de preek te maken hebben en/of op de hele kerkdienst betrekking hebben. En daarmee komen we aan de gewetensvraag die gesteld moet worden: „Dominees, ambtsdragers, bent u bereid naar deze argumenten te horen?” Nee, niet ze áán te horen! Het gaat erom hoe serieus u uw eigen ongerustheid over de relatie „Woord en jeugd” neemt. Wie het belang van de Boodschap en het lot van de jeugd werkelijk ter harte gaan, is bereid als eerste vraag onder ogen te zien: ligt het aan mij? Diep respect heb ik voor die dienaren des Woords die zich keer op keer deze vraag stellen. Want preken is - naast andere kwalificaties - mensenwerk. En als enig werk om ootmoed en oefening vraagt dan zal het de last tot verkondiging zijn, die tegelijk een „onmogelijke” last is. Strakker gezegd: wie als predikant niet bereid is met betrekking tot de vorm, de techniek en de stijl van zijn Evangelieverkondiging zich onder kritiek te stellen (óók die van jongeren) die verbeurt volgens datzelfde Evangelie het recht om zelf serieus te worden genomen in z’n ongerustheid over de jongeren…….. Maar, zult u ongetwijfeld zeggen, laat ons dan nu die argumenten eens horen. Daartoe zal ik in wat volgt gebruik maken van de enquêtegegevens.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.