+ Meer informatie

Ter overweging

3 minuten leestijd

B. de Groot, De Anabaptisten. Nonconformisten in de zestiende eeuw. Uitg. Kok Kam¬pen. 276 blz. f. 45,—.

In dit vlot en boeiend geschreven boek, waarin de leraar die vertelt en uitlegt zich laat herkennen, wordt een duidelijke schets gegeven van de geestesstroming - om een bena¬ming van wijlen dr. Woelderink te gebruiken - die doorgaans als „anabaptistisch” of „dopers” wordt aangeduid, maar die zo gecompliceerd en bont geschakeerd is, dat één aanduiding eigenlijk niet toereikend is om deze stroming te typeren. Naast de reforma¬tie van Luther en Calvijn heeft het anabaptisme in de zestiende eeuw een brede impact - zoals dat tegenwoordig wordt genoemd - gehad in Zwitserland, Duitsland en vooral in ons land, een inwerking die tot de dag van vandaag haar sporen heeft nagelaten. De schrijver die naar hedendaagse stijl het accent nogal legt op het streven naar vrede en en gerechtigheid (vandaar „nonconformisten”), wijst erop dat toen plm. 1550 het cal¬vinisme hier doordrong, de vele anabaptisten die zich erbij aansloten, „niet met lege handen” zijn gekomen, maar „veel van hun leer en vooral van hun levensstijl” hebben meegebracht (blz. 208). Aan het eind van het boek komt hij hierop terug. Hij ziet de invloed van de „stille dopers” in de Nadere Reformatie en de Afscheiding (255v.). Maar - is het betoog - het is natuurlijk niet zo „dat de afgescheidenen strikt dopers, de hervormden strikt calvinistisch en de dolerenden strikt neo-calvinistisch waren”, want zo „simpel liggen de zaken nooit. In de afscheiding bleef zeer veel calvinistisch erfgoed werken”. Helaas hebben wij daaraan minder deel! „De doperse, piëtistische tendenzen zetten zich voort bij de christelijke gereformeerden en vooral in de gereformeerde ge¬meenten en bij de oud-gereformeerden”. Trouwens Kuyper „de stoere neo-calvinist, heeft ook wel doperse trekjes”. Genoemd wordt dan o.a. zijn „moeite met de kinder¬doop die hij alleen kan funderen op de gewrongen constructie van de veronderstelde wedergeboorte, die de kinderdoop tot een ongeveer twintig jaar vervroegde volwassen-doop maakt” (257). De schrijver had natuurlijk ook kunnen wijzen op de doperse in¬vloed die meespeelt in de Schriftbeschouwing die tegenwoordig in de Gereformeerde

Kerken hoe langer hoe meer geijkt wordt (rapport „God met ons…..over de aard van het Schriftgezag”). Of bedoelt hij dat wanneer hij opmerkt dat Hans Denck „al met al” zijn tijd „ver vooruit” was in „wat hij zegt over de bijbel” (73)? Denck schrijft nl.:

„De heilige schrift heb ik hoog boven alle menselijke schatten, maar niet zo hoog als het woord van God, dat levend en krachtig is en onbesmet van alle elementen der we¬reld. Want omdat het God zelf is, is het geest en geen letter, zonder pen en papier ge¬schreven, zodat het niet kan worden uitgedelgd. Daarom is de zaligheid niet aan de schrift gebonden, hoe nuttig en goed ze daarvoor mag zijn”. Wat dat met zijn-tijd¬vooruit-zijn te maken heeft? Is het ook mogelijk nù, alle „relationele waarheid” ten spijt, van „achteruit-gaan” te spreken? Eerlijk, had Denck iets anders dan de Bijbel be¬schikbaar om weet te hebben van „het woord van God”, van „God zelf”, van „de zalig¬heid”? Is het vooruitgang of achteruitgang naar „iets anders” verwezen te worden? Al met al, een interessant boek over een interessante tijd in onze kerkgeschiedenis!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.