+ Meer informatie

En Zijn Naam ter ere leven

bondsdagverhaal deel 2

11 minuten leestijd

„Guy Gibson was kommandant van een formatie van negentien vliegtuigen. Negen zullen de möhnedam aanvallen, vijf gaan er naar de Eder en vijf naar de Sorpe. Elk vliegtuig heeft maar één speciaal ontworpen bom bij zich. Hij mag niet van grote hoogte geworpen worden. Twintig meter boven het wateroppervlak is de goede afstand. Na drie bommen bezwijkt de Möhnedam. Meer dan 134 miljoen ton water stort zich in het dal. De sissende stroom overdekt in enkele minuten de hele vallei. Drie kilometer van de dam ligt het dorpje Himmelpforten. De dorpspastoor wordt wakker van de ontploffingen. Hij vermoedt direkt wat er aan de hand is en holt naar zijn kerkje. Daar begint hij de klok te luiden. De vloedgolf verzwelgt het kerkje en het dorp en sleurt in zijn tomeloze vaart verscheidene andere dorpen mee. Ook de Eder-en de Sorpedam bezwijken. Honderden mensen worden gedood en van de negentien vliegtuigen keren er maar negen op hun basis terug. Oorlog is verschrikkelijk, jongens", besluit meneer Jongeling zijn verhaal. Nog onder de indruk van het gehoorde staan ze een kwartiertje later op de enorme dam.

Voor elke rustige nacht

't Is rustig in de huiskamer van de kampeerboerderij. Toch is iedereen thuis. Gebogen over hun bloknotes en schriften werken de derde klassers hun aantekeningen bij. Folders worden geruild, foto's en plaatjes uitgeknipt en geordend. Jacco heeft levensecht het bombardement op de Sorpedam getekend. De beide torens op de dam met het afweergeschut, het aanstormende vliegtuig. Een tweede tekening vertoont de enorme waterzuil die als het ware even in de lucht hing na de laatste voltreffer. Nu is hij bezig aan de vloedgolf die alles in het dal meesleurde. Een auto probeert het aanstormende water vóór te zijn, het angstige gezicht van de chauffeur spreekt boekdelen. Vol bewondering staan een stuk of zes jongens om hem heen. Frits van Manen is er ook bij. , , Maak voor mij ook eens een paar van die krabbels", vraagt hij. Jacco kijkt even op. „Voor elke rustige nacht — 's kijken, dat zijn er nog vier — die je ons bezorgt, lever ik jou een levensgrote tekening van de Sorpedam", stelt hij voor. Frits doet heel verontwaardigd. „Rustige nacht? Wat bedoel je? " „Nou", zegt Jacco bedaard, „een nacht zonder gezeur met die lantaarn, zonder blikjes bier en chips en geen smerige moppen vertellen. Ik heb erg goede oren", voegt hij er lakoniek aan toe. Frits stuift op. „Wie zegt dat wij bier hebben gedronken. Kijk maar eens in de koffer van je slapie, dan zul je wel anders praten".

Jacco legt z'n potlood neer en kijkt Frits recht in z'n gezicht. „Je hebt die blikjes in de verkeerde koffer gestopt, 't Was de mijne sufferd".

Frits krijgt een hoofd als een boei. Er wordt smalend gelachen. „Ga jij even af, Van Manen", grinnikt Karei Versteeg. „Neem je 't aan? ", wil Jacco weten. „Wat", gromt Frits. „Nou vier rustige nachten tegen vier tekeningen".

„Stik", sist Frits woedend, „geef ze maar aan die schijnheilige vriend van je". Jacco trekt verwonderd z'n wenkbrauwen op. „Ten eerste is Mark mijn vriend niet, maar gewoon een klasgenoot en ten tweede is hij beslist niet schijnheilig". Frits geeft geen weerwoord en om zich een houding te geven, wil hij een sigaret opsteken. „Da's tegen de regels", zegt Jacco en wijst op het reglement dat aan de muur hangt. Met een vloek draait Frits zich om. „Artikel 5!" roept Jacco hem na. „In de huiskamer wordt niet gerookt!" Frits is des duivels. „Wacht maar", mompelt hij, „ik krijgjou en die vrome vriend van je nog wel".

Geen avondsluiting

„Morgenochtend gaan we naar de Dillenburg, morgenmiddag heb je vrij en wat er voor de avond op het programma staat, is een verrassing. Welterusten". „Hebben we geen avondsluiting? ", willen een paar meisjes weten.

Meneer Jongeling kijkt op z'n horloge. , , 't Is al laat", zegt hij luchtig, „we slaan vanavond maar over". „Laat Mark het maar doen meneer", schreeuwt Frits, „hij heeft een Bijbel in z'n koffer!" „Houd je grote mond Van Manen. Er wordt jou niks gevraagd", zegt Jongeling boos. „Vooruit, naar bed jullie!" 't Is beneden al gauw stil, zelfs Frits en z'n makkers zijn voor twaal-

ven onder zeil. Op de meisjesslaapzaal wordt nog lang gegiecheld en gepraat, maar tegen halféén is het ook daar rustig en om één uur gaat ook de staf onder de wol.

Excursies zijn verplicht

„Zo", zegt meneer Jongeling als de korveegroep de huiskamer binnenkomt. „Da's gauw geklaard. Ga maar even zitten. We hebben vanavond wat vroeger gegeten, omdat we straks een flinke rit gaan maken. HierinBalve", en hij wij stop de grote kaart van Sauerland, die in de kamer hangt, „hier is een grot. Nee, niet zoals in Attendorn. Deze grot is ingericht als muziekzaal. Daar is vanavond een popconcert dat zal klinken als een klok. Daar gaan we...." Hij wordt onderbroken door een waar indianengehuil. , , 't Begint om half negen", gaat hij verder als de herrie bedaard is. „Omdat het zeker een dik uur rijden is, vertrekken we over tien minuten. Iemand nog iets te vragen? " Met een wit gezicht staat Mark op. „Moet iedereen mee? " „Tuurlijk", zegt de leraar, „excursies zijn verplicht". „Ik, ik kan niet mee", begint Mark moeilijk. Verwonderd vraagt Jongeling: „Je kunt niet mee? Waarom niet? " Mark slikt even. „Daar kun je God niet ontmoeten". Het gezicht van de leraar is één vraagteken. „Leg dat eens uit". „Nou, ik bedoel, eh.... dat wij als christenen daar niet horen. Je doet de Heere verdriet als je daar heengaat". Mark wordt wat vrijmoediger. „Een popconcert is trouwens geen excursie".

In het tumult dat nu losbreekt, overleggen de beide leraren even met elkaar. „Zijn er nog meer die bezwaar maken? ", vraagt dan meneer Stam. Er komen aarzelend een paar vingers. „Jij, Els". „Ik mag eigenlijk ook niet van thuis. Niet om wat Mark zegt, maar mijn ouders vinden popmuziek niet goed". „En jij, Jacco? " „Ik houdt er niet van, ik vind het ronduit afschuwelijk". Mevrouw Stam hakt na veel gediskussieer de knoop door. „Ik blijf wel bij de bezwaarden", zegt ze lachend. „Zorgenjullie maar datje in de bus komt, 't is al tien over zeven".

Een gemeen plan

„Zo kan 't niet missen", fluistert Frits. „Hij ligt altijd eerder in bed dan Jacco". Met een grijns op z'n gezicht verlaat hij samen met z'n trouwe volgeling Martin van Leeuwen de slaapzaal. „Je houdt je snuit hoor", bezweert hij deze. „Trouwens 't kan nooit uitkomen dat wij het gedaan hebben. Er is niemand thuis en wij zijn in 't zwembad". Behoedzaam verlaten ze de slaapzaal via de buitendeur. Ze zijn nog geen drie meter van de boerderij vandaan of Herr Karger, de eigenaar, komt naar hen toe. „Sind sie noch da? ", vraagt hij verwonderd. „Ja, ja, etwas vergessen", mompelen ze gauw. Bah, wat een pech. Enfin, hij weet toch niet precies wie ze zijn.

Maagpijn

„Morgen al vrijdag", zucht Karine, terwijl ze een stapel borden in het afwaswater laat glijden. „Fijne week hé? ", voegt ze er aan toe. Mark die, net als thuis, vakkundig met de theedoek in de weer is, knikt, 't Is hem tot hiertoe enorm meegevallen. Ook gisteravond na het popconcert. Iedereen deed heel gewoon tegen hem. Vreemd eigenlijk dat niemand er enthousiast over deed. Zouden ze dat misschien afgesproken hebben? Ze waren berelaat thuis, ver over twaalven. Er werd gelukkig geen avondsluiting gehouden. Stam en Jongeling vonden dat waarschijnlijk toch te gek. Jacco die ook afdroogkorvee heeft, trekt een pijnlijk gezicht. „Wat heb je? " „O, 'n beetje last van m'n maag. Gaat wel over. Te veel Bratwurst gegeten denk ik. 't Jonge, wat een klus, zo'n afwas. Jij hoeft in veertien dagen je nagels niet te doen, Karine". Deze plonst een handvol lepels in 't water. „Doe niet van die gekke praat", zegt ze kattig. „Let maar opje...." Met een onverwachte beweging grijpt Jacco naar z'n maag. Een bord valt kletterend in scherven. „Ai, verhip nog an toe", kreunt hij. „Ga even liggen" zegt Mark bezorgd. „Nee, 't zakt al. Er ligt een rolletje pepermunt in m'n koffer, 'k Ga het even halen". Binnen een minuut is hij terug, 't Zweet staat op z'n voorhoofd. „Zo, nou zal 't wel gaan. Bij welk bord was ik gebleven? " Maar 't ging niet en of hij wilde of niet, meneer Stam stuurt hem naar bed. „Kruip maar in dat van Mark, hier is je slaapzak. Of nee, 'k weet 't beter, kom maar bij ons liggen, daar is het rustiger. Je kunt wel met Karei ruilen". Meneer Stam mikt de slaapzak en het kussen van Karei even op een ander bed. „Dat breng ik zo wel in jullie slaapzaal". Jacco is blij dat hij ligt, bah wat een afschuwelijke pijn. Toch lijkt het wat af te zakken. Als Karei hoort dat hij voor één nachtje verhuizen moet, vindt hij dat best. „Mag Kees met me mee? ", vraagt hij. „Die kun je niet op 't bovenste bed laten slapen. Hij ligt geen minuut stil, da's niks voor Jacco. Mark zal 't wel goed vinden. Nee, ik verwissel de slaapzakken en de kussens wel".

Net te laat

Frits en Martin zijn die avond de eersten

die de slaapzaal opstormen. „Wat mankeert jullie? " „O, niks, we hebben slaap, mag het? " Ze liggen al lang en breed als Karei en Kees binnen komen. Vanuit hun bed kunnen Frits en Martin de bedden bij de deur niet zien. Dat Jacco op de andere zaal ligt en Karei met hem geruild heeft, interesseert hen niet zoveel, 't Gaat vooral om Mark. Die zullen ze eens goed laten schrikken, die supervrome vent.

„Hé Kees, wat kom jij hier doen", roept Gertjan Plaisier, „heb jij ook al geruild? " 't Duurt even eer het tot Frits doordringt wat er aan de hand is, maar dan schiet hij als een losgesprongen veer overeind. Hij stoot prompt z'n hoofd tegen het bovenbed. 't Wordt een ogenblik zwart voor z'n ogen. „Jó, stommerd", scheldt Martin. Frits kruipt een beetje misselijk z'n bed uit. Net als hij wat bij z'n posideven is, ziet hij Karei in Jacco's bed klimmen. Kees Ugt er al in.

„Pas op! Kijk uit!", wil hij schreeuwen. Maar dan gebeuren er twee dingen tegelijk. Het licht floept uit en met een harde klap valt het bed met Karei en al, bovenop een niets vermoedende Kees.

Bijna thuis

't Is zaterdagmiddag half vier. Op de E-35, de autosnelweg naar het noorden, rijdt een Nederlandse bus. De chauffeur heeft er — ondanks het drukke verkeer — de sokken in. Moeiteloos passeert hij auto na auto. De beide derde klassen van de Julianamavo zijn op de terugweg. Achterin de bus, hun stoelen in slaapstand, liggen Frits en Martin. Ze willen het niet laten merken, maar hoe dichter ze bij huis komen, hoe nerveuzer ze worden. Voorin, naast Jacco, zit Mark. Hij zal blij zijn als hij thuis is. Wat een consternatie was dat donderdagnacht, 't Kwam al gauw uit dat Frits en Martin de schuldigen waren, 't Was hun bedoeling dat alleen het voeteneind van het bovenste bed zou losschieten, maar 't kwam heel anders uit: het hele bed dreunde naar beneden. Toen ze Kees bevrijd hadden, zagen ze pas hoe erg het was. Zijn arm lag in een vreemde houding buiten het bed en op z'n hoofd, vlakbij z'n slaap, verscheen een vreemde, blauwe bult. Binnen een half uur was er een ambulance en nu zijn ze zonder hem op de terugweg. Kees ligt in Olpe in het ziekenhuis. Mark huivert even. Daar had hij kunnen liggen. Als Jacco geen maagpijn had gehad, dan.... „Nog tien kilometer, jó". Karine van Liere geeft Mark een por. „Je zit te dromen, geloof ik".

, , Hè, wat? " Mark schrikt op. „Ik zei: nog tien kilometer, dan zijn we er".

De chauffeur meerdert wat vaart, haalt een lelijk Eendje in en gaat dan weer op de rechter baan rijden. Vijf minuten later rijden ze Groningen binnen.

Gij doet duizend wonderheên

't Is stil in huize Van Driel. Iedereen slaapt. Mark ook. Op het stapeltje naast z'n bed ligt z'n Bijbeltje. Het ligt opengeslagen bij psalm 86: HEERE mijn God, ik zal U met mijn ganse hart loven en ik zal Uw naam eren in eeuwigheid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.