+ Meer informatie

HOE BIEDEN AMBTSDRAGERS TROOST?

8 minuten leestijd

INLEIDING

Het zal niet vaak voorkomen dat vrienden beginnen met zeven dagen zwijgen voor ze proberen te troosten (Job. 2:13). Geen snelle oplossingen, geen goedkope woorden — de vrienden nemen de tijd om op zich in te laten werken wat er met Job gebeurd is. Toch zijn zij niet in staat hun vriend te troosten. Mensen blijken moeilijke vertroosters (Job. 16:2)

VRAAG OM TROOST EN TROOSTERS

Wie als ambtsdrager in de gemeente rondgaat, komt ongetwijfeld in aanraking met situaties waarin mensen om troost vragen. Soms klinkt de vraag naar troost als een diep verlangen (‘ik zou zo graag troost willen ervaren in mijn omstandigheden’). Soms heeft het meer de klank van een verwijt (‘waarom moet mij dit overkomen?’). Ambtsdragers worden geroepen om te troosten. Het staat expliciet in de taakomschrijving van ouderlingen (art. 23 K.O.). Het ligt opgesloten in het herderschap van de predikanten (art. 16 K.O.). Bij de dienst van de diakenen mogen we bedenken dat helpen en bemoedigen waar nood is (art. 25 K.O.) ook een vertroostend element bevat. Vandaar de vraag: hoe bieden ambtsdragers troost? Uiteraard bedoelt deze vraag niet te suggereren dat er geen troost geboden kan worden door anderen dan ambtsdragers. Het gaat er mij in dit artikel om dat ambtsdragers een bijzondere verantwoordelijkheid hebben in de gemeente. Daarom spits ik mijn gedachten toe op de ambtsdragers, in het besef dat er gelukkig vele anderen zijn die hun naaste binnen en buiten de gemeente tot steun en troost zijn.

EEN PAAR BEGRIPPEN OP EEN RIJ

In het algemeen ga ik ervan uit dat de vraag naar troost verbonden is met levens-of geloofsproblemen. Daarmee is dan tegelijk gezegd dat troost een reactie is op verdriet, lijden, pijn ellende en andere vormen van moeite.

In de Bijbel zijn verschillende woorden te vinden voor troosten. Ik beperk me tot een paar hoofdlijnen. In het Oude Testament komen we het Hebreeuwse ’nicham’ tegen. Het betekent: doen opademen in een situatie van benauwdheid. De profeet Jesaja tekent God als Vertrooster van Zijn volk (Jes. 40). Naast het beeld van de Herder (Jes. 40:11) gebruikt de profeet daarvoor het beeld van een moeder (Jes. 66:13). In het Nieuwe Testament wordt voor ‘troosten’ vooral het Griekse woord ‘parakalein’ gebruikt. Opvallend is dat dit Griekse werkwoord twee betekenissen heeft: ‘vermanen’ en ‘vertroosten’. Daarin klinkt door dat vertroosting geen passiefmakende aanleiding tot berusting is. Evenmin roept vermaning om blindelingse discipline. Beide aspecten, vermaning en vertroosting, zijn een liefdevolle aansporing tot volharding in geloof en gebed. De eenheid van vermanen en vertroosten is gegeven met het evangelie dat zowel gave als opgave is. Ontvangers van de troost zijn allen die moeite of verdriet ervaren: bedroefden (Rom. 12:15), zieken en gevangenen (Mat. 25:36,43), weduwen en wezen (Jak. 1:27). Troosters zijn de profeten (1 Kor. 14:3), de medewerkers van Paulus (Kol. 4:11) en de broeders onderling (Fil. 2:1). Daarboven staat de Vader der barmhartigheden en de God van alle vertroosting (2 Kor. 1:3).

TROOST HEEFT VERSCHILLENDE VORMEN

De omstandigheden waarin om troost gevraagd wordt, kunnen heel verschillend zijn: denk aan o.a. ziekte, rouw, teleurstelling, onvervulde verlangens, gemis. De troost die daarbij past, kan ook verschillend zijn. Anders gezegd: troost is niet altijd en overal hetzelfde. Een kind kan troost vinden door bij moeder op schoot te kruipen. Je kunt op een hele verkeerde manier naar troost zoeken in drank en drugs. Beter is de troost die mensen ervaren in muziek en andere kunstvormen. Zulke troost hoeft op zich niets met het christelijk geloof te maken te hebben. Tegenwoordig worden stille tochten gehouden na geweldsmisdrijven. Het samenkomen op de plaats van het misdrijf, bloemen leggen en kaarsen branden wordt ook als troostrijk ervaren. Zo zoeken mensen op verschillende manieren en in verschillende vormen troost.

Wat is de kern van christelijke troost?

Dat roept de vraag op naar het specifieke van de christelijke troost. Naast de grote lijn die ik boven al noemde, heeft christelijke troost alles te maken met de persoon en het werk van Christus. Hij is zelf de Trooster van zijn leerlingen (Joh. 16:7) en nadat Hij is gestorven en opgestaan, stuurt Hij een andere Trooster, de Heilige Geest (Joh. 14:16). Daardoor is de voortdurende nabijheid van Christus voor de gelovigen gewaarborgd (vgl. Mat. 28:20). Ambtsdragers mogen in dienst van Christus en zijn Geest een schakel zijn in de troost die van God komt. Daarbij kan die troost verschillende vormen aannemen. In de kring van gezin, familie en vrienden kan een arm op de schouder of een omhelzing meer betekenen dan duizend woorden. Ambtsdragers moeten rekening houden met het gevaar van ongewenste intimiteiten. Zij kunnen hun nabijheid op andere manieren laten merken.

SERIEUS NEMEN

Uitgangspunt voor troosten is het serieus nemen van verdriet, pijn en gemis. Dat valt niet mee, want het is makkelijker ‘aan de overkant van de weg voorbij te gaan’, dan je werkelijk de nood van je naaste aan te trekken. Een trooster probeert het verdriet niet te ontkennen, maar serieus te nemen als iets dat voor de ander werkelijk een probleem is. Ambtsdragers zullen proberen samen met de mens die troost zoekt, te ontdekken wat de nabijheid van Christus betekenen kan in de omstandigheden waarmee geworsteld wordt. Soms kan dit ook betekenen dat er een weg gezocht moet worden in geloofsvragen als ‘ik ervaar God niet meer in mijn leven’ en ‘hoe kan God al deze moeiten toelaten in mijn leven’. Verstandelijke antwoorden helpen dan niet. Eigen ervaringen van de ambtsdragers (‘ik ervaar toch dat God er wel is’) komen op zo’n moment niet over, laat staan verkapte beschuldigingen (‘geen wonder dat uw geloofsleven zo zwak is, ik zie u bijna nooit meer in de kerk’). Pas wanneer de ander zich ten volle serieus genomen voelt, ontstaat er ruimte om naar een uitweg te zoeken uit de doolhof van verdriet. Daarom is het goed steeds terug te koppelen of de ander zich werkelijk begrepen voelt (‘heb ik het goed begrepen dat u het zo bedoelt, of is het toch nog anders?’). Vragenderwijs kan aan de orde gesteld worden wat de boodschap van het evangelie op dat moment voor de ander betekent (‘heeft u wel eens stukken in de Bijbel gelezen die u troostrijk vond?’ en ‘wat kan de boodschap van toen, nu voor u betekenen?’ of’ als u niets van God ervaart, wilt u dan dat we daar samen voor bidden?’).

NABITHEID

Het serieus nemen van de ander in zijn of haar verdriet, vraagt om aandacht, geduld en tijd. Kortom: je moet erheen als ambtsdrager. Echte troost lukt maar zel den over de telefoon of in een vluchtige ontmoeting. Er zíjn! En daar trouw in zijn — laten zien dat de ander je ter harte gaat. Er kunnen momenten zijn dat alleen al de aanwezigheid op prijs gesteld wordt, zonder veel woorden. Ambtsdragers komen niet uit met Woord-loos pastoraat. Omdat wij geloven dat wezenlijke troost ten diepste verbonden is met Christus, zal Hij als het levende Woord voluit een plaats moeten krijgen. Maar de nabijheid van Christus in zijn Woord is nog niet hetzelfde als een aantal teksten uit de Bijbel oplezen. Eerst zal geluisterd moeten worden naar de levens- en geloofsproblematiek die verdriet geeft. Pas wanneer dat werkelijk serieus is genomen, ligt de weg open om vanuit de Schrift daar licht over te laten vallen. Echte troost wordt in de regel niet geput uit dogmatische uiteenzettingen. Ambtsdragers doen er wijzer aan op het juiste moment er getuigenis van af te leggen dat God troostrijk terzijde staat, ook als men dat allerminst verwacht. Verder kan aangegeven worden dat verdriet, gemis, lijden en pijn soms zo diep gaan dat mensen er niet meer bij kunnen (dat komt alleen eerlijk over als er werkelijk geprobeerd is zich in te leven in de ander), maar dat God mensen kent en doorgrondt (Ps. 139), dat Hij trouw is en dat Hij in Christus zelf de diepste weg is gegaan, zodat wij een Hogepriester hebben die precies weet wat het is om mens te zijn in een gebroken wereld (Hebr. 4:15).

TROOST ONDER HET VOORTEKEN VAN DE HOOP

Ten slotte mag gewezen worden op de Heilige Geest als Trooster, die nooit ver weg is wanneer het Woord open gaat en er gebeden wordt. De Geest wordt als onderpand gegeven van de toekomstige heerlijkheid (2 Kor. 5:5) om het uit te kunnen houden in een wereld waarin die heerlijkheid zo pijnlijk gemist wordt. Het is goed te onderstrepen dat troosten niet gelijk staat aan beter worden, succes hebben, wegnemen van pijn enz. Troost kan ervaren worden terwijl het lijden nog zeer reëel aanwezig is (2 Kor. 12:6–10). Werkelijke troost geeft hoop en uitzicht op de vernieuwing die is toegezegd (Rom. 8:18; Op. 21:1–8). Ondertussen komt het aan op de volharding, die een schakel is van de ketting ‘verdrukking — volharding — beproefdheid — hoop’ (Rom. 5:3–5). De kracht van deze ketting is gelegen in de liefde van God die door de Heilige Geest in de harten wordt uitgestort (Rom. 5:5). Daarmee komen ambtsdragers en gemeenteleden niet bedrogen uit.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.