+ Meer informatie

HOE KERKELIJK TE HANDELEN BIJ ECHTSCHEIDING EN HUWELIJKSSTOORNIS?

21 minuten leestijd

Het comité dat deze conferenties organiseert, heeft vandaag een wel zeer actueel onderwerp aan de orde gesteld. Het gaat om een zaak die ons allen raakt en een zaak die ons steeds vaker raakt als kerken, als kerkeraden, maar ook als ouders, als echtgenotes en echtgenoten, als kinderen, als familie en vrienden.

De ondertitel van het thema luidt: “Hoe hebben kerkeraden te handelen in situaties van echtscheiding en huwelijksstoornis binnen de gemeente van Christus?”

Dat is een vraag die we allemaal in ons hoofd hebben, wij allemaal en ik dus ook. Probleem is alleen dat ik er vandaag een antwoord op moet geven. Toch hoop ik dat u niet verwacht dat u na deze dag terug kunt gaan naar uw kerkeraad en gemeente en dat u op de eerstvolgende kerkeraadsvergadering alle hiermee verbandhoudende kwesties zult kunnen oplossen. Juist bij deze vragen gaat het om een voortdurende inspanning van biddend luisteren naar de HERE en Zijn Woord en pastoraal gespannen luisteren naar de mond en het hart van hen die met deze moeiten in aanraking zijn gekomen. Graag wil ik proberen nu enkele opmerkingen te maken ten einde de discussie op gang te brengen.

De problematiek

De zaak die ons vandaag bezighoudt, is bepaald niet nieuw. Huwelijksproblemen zijn bijna zo oud als het huwelijk zelf. Bijna zo oud zeg ik met nadruk, want het huwelijk was er al voor de zondeval en pas met de zondeval kwamen ook de huwelijksproblemen. Het lijkt wat overbodig om dit zo nadrukkelijk te zeggen, maar toch is het noodzakelijk te benadrukken dat huwelijksmoeiten niet zo oud zijn als het huwelijk zelf om te voorkomen dat wij huwelijksstoornissen en zelfs echtscheiding normaal gaan vinden.

In ieder geval, de zaak van vandaag is niet nieuw, de omvang echter waarmee deze zaak op ons afkomt, is wel ongekend. In de bijlage van het Reformatorisch Dagblad waarin het 25-jarig jubileum van de krant gevierd werd, bevond zich een pagina vol met gefallen en grafiekjes. Daarbij werden ook getallen gegeven over huwelijk en echtscheiding. Kort gezegd kwam het hierop neer dat er in 1995 75.000 huwelijken werden gesloten, terwijl er 38.000 echtscheidingen tot stand kwamen. Dat betekent dat op elke twee huwelijken er één stuk loopt. Nu zijn er geen cijfers bekend van hoe de verhoudingen onder kerkleden liggen, maar ieder die in de kerk om zich heen kijkt, weet dat je hooguit kunt zeggen dat het onder ons minder slecht is dan het landelijk gemiddelde. Ik hoed mij ervoor te zeggen dat het onder ons beter gaat, daarom dus minder slecht. De dingen die in de wereld gebeuren, gebeuren evenzo in de kerk, maar wat moet je daar nu mee als kerk?

Huwelijksstoornis

De ondertitel van vandaag biedt ruimte om eerst in te gaan op de aspecten van kerkelijk handelen bij huwelijksstoornis en daarna op de vragen random echtscheiding. Het grootste probleem bij al deze moeiten is dat ambtsdragers veelal pas van huwelijksproblemen in kennis gesteld worden, als de zaak zo vastzit of zelfs zodanig geëscaleerd is, dat herstel van de relatie bijna onmogelijk is geworden. Als ambtsdrager heb je het gevoel slechts nog als een soort scheidsrechter te mogen functioneren, die de hoofdschuldige moet aanwijzen.

Een vraag die wij ons zeker moeten stellen, is hoe huwelijksmoeiten eerder gesignaleerd kunnen worden. Natuurlijk is het zo dat, wanneer een echtpaar deze moeiten kent, men het zo lang mogelijk zelf zal proberen op te lossen, maar waarom doet men dat? Wellicht omdat het bepaald niet aangenaam is bekend te maken dat het in jouw huwelijk niet goed gaat. Maar zou je deze moeiten ook niet verteilen aan de ouderling? “Waarom zou ik?”, hoor ik zo een gemeentelid zeggen, “Ik ken die man nauwelijks. Hij komt één keer per jaar op huisbezoek en na vier keer is hij weer weg”. Of een andere klacht: “De ouderling komt wel, hij praat zoveel over z’n gezin, z’n werk en over de kerk, dat ik er met mijn verhaal nauwelijks tussen kan komen”. Of weer een ander: “Mijn wijkouderling begint altijd zo’n geestelijk gesprek en vraagt zo door over ons persoonlijk geloof, dat hij niet eens in staat is even naar ons te luisteren en je het niet waagt om zoiets ongeestelijks als huwelijksmoeiten aan de orde te stellen”.

Als deze situaties inderdaad de werkelijkheid zijn, en ik vrees dat het in heel wat gevallen zo is, dan moet er nog heel wat gebeuren voordat wij over tuchtoefening bij echtscheiding spreken. Misschien is het zelfs beter om eerst te spreken over tuchtoefening over de kerkeraad zelf. Ouderlingen en diakenen, evenzeer als predikanten, zij moeten toch hun kudde kennen, zij moeten toch weten wat er in de gezinnen van hun wijk leeft, wie er wonen, wie ze zijn. Ambtsdragers komen toch namens Jezus Christus, ja in hen komt Christus de Opperherder der Schapen toch zelf? Hij kent de zijnen, kennen wij de zijnen ook? Zeker in onze tijd kun je niet meer volstaan met een keer per jaar huisbezoek afgezien al van het feit dat de kerkorde eist dat we het voor en na elk avondmaal doen. Regelmatig horen wij bij de mensen over de vloer te komen, na afspraak of, vaak nog beter, zo even; er moet een band van vertrouwen groeien. Probeer man of vrouw regelmatig even alleen te spreken als je het gevoel hebt dat het niet helemaal gaat zoals’t zou moeten. En de ambtsdragers hoeven op de bezoeken niet zoveel te zeggen; wij hebben niet zozeer sprekers als wel luisteraars nodig.

Hier en daar zal nu wel iemand beginnen te steigeren en zeggen: mooi ideaal maar praktisch absoluut onuitvoerbaar. Een praktisch probleem is inderdaad dat in veel gevallen de wijken te groot zijn. Ik denk dat het aantal adressen waar ouderlingen en diakenen zorg voor hebben, drastisch omlaag zal moeten willen wij ons ambt goed kunnen uitoefenen. Ook dit klinkt mooi, maar, zal iemand zeggen: is het nu niet al moeilijk genoeg om ambtsdragers te krijgen? Maar is het niet ook denkbaar dat er best broeders zijn die het ambt durven aanvaarden als hun werkgebied overzichtelijk is. Bovendien zouden we in onze wijken meer gebruik moeten maken van de andere gemeenteleden. Het is toch taak van ambtsdragers om juist niet alles zelf en alleen te doen, maar de gemeente in te schakelen in Gods Koninkrijk. Met enige inventiviteit en flexibiliteit is het mogelijk om in de wijken zo’n structuur te krijgen dat ouderlingen en diakenen zich meer op de moeilijke situaties kunnen richten.

Maar dan nog, hoe trouw je ook in je bezoeken bent, hoe goed je ook naar de mensen luistert, hoe prachtig je structuur ook is, dan nog gebeurt het dat je ineens voor het voldongen feit van een ernstig huwelijksconflict wordt geplaatst. En dat dan?

Wat dan?

Bedacht moet worden, bij wat we nu ook ondernemen, dat alles afhankelijk is van de situatie, dat wil zeggen ieder geval is weer anders en vereist een andere aanpak. Eén van de grote bedreigingen voor het pastoraat is het gevoel van machteloosheid, het gevoel van, nou ja, ik zal d’r heengaan maar d’r zal toch wel niets meer aan te doen zijn. De vele gevallen van echtscheidingen, het gemak waarmee mensen soms uit elkaar gaan, het vroege stadium waarin familie, vrienden en maatschappelijke instellingen soms zeggen: zet er maar een punt achter, kan ook een verlammende werking op het pastoraat hebben. Daarbij wordt er dan van uitgegaan alsof pastoraat op hetzelfde niveau werkt als andere vormen van zorg. Vergeten wordt dat pastoraat meer is dan intermenselijke contacten, maar dat er hier een heel duidelijk verticale dimensie aanwezig is. Ambtsdragers komen met een boodschap van Boven, zij komen met de boodschap van verzoening, zij komen met het evangelie van schuldbelijden en van unschuldig schuld dragen, zij komen gewapend met het gebed. Denk dus niet te snel: dit wordt niets meer. Wie zich ervan bewust is vertegenwoordiger en gezant van Christus te zijn, hoeft niet op wonderen te rekenen, maar mag wel in de verwachting van wonderen aan het werk gaan. Daarbij moet er intensief en vertrouwensvol gebed zijn voordat we de mensen opzoeken. Met bewogenheid mogen we aandringen op verzoening en daarbij mag je, ja moet je als ambtsdragers soms heel direct zijn in je vragen. Natuurlijk moeten we oppassen dat we niet kwaad worden of gaan dreigen, maar mensen mogen wel heel concreet gewezen worden op het zondige van hun handelwijze en de desastreuze consequenties als ze op hun weg van verharding verder gaan. Het vraagt van ambtsdragers heel veel invoelingsvermogen om te weten wat ze moeten zeggen en wat ze niet moeten zeggen. Maar wees open en voorkom dat, als je straks weer buiten staat, je bij jezelf denkt: ja eigenlijk had ik dit ook nog moeten zeggen.

Zeker, er zijn situaties waarin gewoon niets meer te redden valt en je je als kerkeraad gewoon bij de ontwikkelingen hebt neer te leggen. Maar goed, er zijn ook situaties waarin nog wel wat gedaan kan worden. Wanneer een men en een vrouw nog wel bereid zijn om gesprekken aan te gaan, is het zaak ze zo snel mogelijk in contact te brengen met een professionele instelling. Je moet als ambtsdrager vooral niet gaan proberen relatieproblemen te gaan oplossen, want daarvoor ben je niet aangesteld en de meesten van ons zijn daar ook niet bekwaam voor. In veel gevallen zal er bij dergelijke instanties een wachttijd zijn, zodat er in die tijd veel ambtelijke aandacht zal moeten zijn. Maar ook als de nulpverlening gaande is, moet de ambtsdrager het pastorale contact met echtpaar en gezin onderhouden.

Wat naar mijn idee ook meer zou kunnen gebeuren is het inschakelen van wijze zusters uit de gemeente. Een vrouw die in grote onmin met haar man leeft, zou het moeilijk kunnen vinden slechts met ambtsdragers en dus slechts met mannen te moeten praten. Hoeveel begrip en openheid zal zij ontvangen en welke perspectieven zal dat openen als zij de gelegenheid krijgt haar moeiten met een vrouw te bespreken. Het spreekt voor zich dat wanneer een zuster uit de gemeente wordt ingeschakeld er tussen haar en de betrokken ambtsdrager goede afspraken over het contact worden gemaakt.

Er kunnen zich situaties voordien waarin het goed lijkt dat man en vrouw tijdelijk uit elkaar gaan. Een dergelijke stap heeft grote risico’s in zich, maar kan ook heel heilzaam werken. Wanneer iets dergelijks zich voordoet moet er dus naar woonruimte gezocht worden en zullen er extra kosten zijn. U begrijpt dat er hier een bijzondere taak ligt voor de diaconie.

Nog ongenoemd bleef de gemeente van Jezus Christus. Wanneer het betrokken echtpaar daarmee instemt, zouden ook enkele broeders en zusters uit de directe omgeving ingeschakeld kunnen worden. In feite zou het natuurlijk mooi zijn, dat de gemeenschap der heiligen onder ons zo zou functioneren dat we als gemeentelid dergelijke moeiten bij de ander al hadden gesignaleerd, maar helaas is dat in veel gevallen niet zo.

Wanneer een dergelijk traject een keer is opgestart, vergt het veel tijd en inspanning van de betrokken ambtsdragers. Hij krijgt veel te horen en te verwerken; het betekent gewoonweg een offer voor hemzelf en voor zijn eigen gezin. Een kerkeraad zal in zo’n geval zo’n broeder op ander vlak moeten ontzien.

Tucht?

De vraag is nu of mensen die met huwelijksproblemen zitten en van wie de kerkeraad dat weet, ook Avondmaal kunnen vieren. Het zal u duidelijk zijn dat er op deze vraag niet zo maar een antwoord te geven is. Elk antwoord is afhankelijk van de mate waarin de huwelijksrelatie verstoord is en afhankelijk van de wijze waarop de huwelijkspartners met elkaar omgaan en bereidheid tot verzoening vertonen. Kerkeraden zullen in dezen wijs en barmhartig moeten optreden, omdat er situaties denkbaar zijn waarin, als beide partners Avondmaal vieren, het een heel positieve uitwerking op de toestand in hun huwelijk kan hebben. Anders ligt het natuurlijk wanneer een echtscheidingsprocedure al is opgestart. Hiermee wil ik de overgang maken naar de situatie waarin merkbaar wordt dat het helemaal misgaat of waarin de echtscheiding zelfs al een feit is.

De normen

Onze kerkorde bevat een vrij lange Iijst van bepalingen voor de omgang met echtscheidingszaken. Voor ons vandaag is vooral van belang dat feitelijk slechts overspel als legitieme echtscheidingsgrond erkend wordt. Daarbij wordt opgemerkt dat het niet voldoende duidelijk is uit de Schrift of kwaadwillige verlating ook als zo’n geldige grond kan worden aangemerkt en om die reden wordt kerkeraden geadviseerd in dezen grote voorzichtigheid te betrachten. Zo hebben wij dus anderhalve echtscheidingsgrond. Ons probleem in de kerken is echter dat er talloze gevallen zijn waarbij geen overspel plaatsvindt en ook de één niet bij de ander wegloopt, maar mensen domweg niet meer met elkaar verder willen en de zaak zo muurvast zit dat gesprek onmogelijk is en er toch een echtscheiding wordt aangevraagd. Ook in zulke situaties voorziet de kerkorde, want bepaling 4g van art. 70 zegt dat, indien echtscheiding plaatsvindt op volgens de kerk onschriftuurlijke gronden, de kerkelijke tucht moet worden toegepast op de schuldige partij(en). Voor de kerkeraad rest dus slechts de taak erachter te komen wie de schuldige aan deze onschriftuurlijke echtscheiding is. Vanuit verschillende gemeenten is hoorbaar dat het prachtige dingen zijn die daar geformuleerd zijn, maar dat er nauwelijks mee te werken valt. Immers wie is de schuldige? Zijn er zoveel situaties waarin er maar één schuldige is? Als de vrouw een echtscheiding aanvraagt, is zij dan schuldig? Weet een kerkeraad wat zij bij die man allemaal te verduren heeft gehad? Zal zij dat verteilen of ook uit schaamte juist willen verzwijgen? Het mag duidelijk zijn dat ondoordacht en overhaast optreden bij mensen heel wat schade kan aanrichten. Het is dan ook nog maar de vraag of er überhaupt regels voor deze kwesties op te stellen zijn. Geen geval is gelijk aan het andere. Elk geval heeft zoveel aspecten, zoveel karakters, zoveel gebeurtenissen, zoveel woorden, zoveel kinderen, zoveel familieleden, zoveel roddels, zoveel gebeden, zoveel geestelijk gepraat, zoveel stil verdriet, zoveel bitter onrecht, zoveel machteloosheid, dat een kerkeraad ieder geval op zich heeft te beoordelen.

De gevaren die de kerkeraad belagen

a. Het eerste gevaar is dat de kerkeraad zich laat leiden door de geruchten. Juist in deze zaken komt het aan op het geestelijk gehalte van een kerkeraad. Waar er random deze zaken ontzettend veel gekletst wordt, soms door het betrokken echtpaar, vaak door de gemeente en helaas vaak ook door kerkeraadsleden en hun echtgenotes, bestaat het immense gevaar dat de kerkeraad zich bij de beoordeling van een kwestie laat leiden door wat men zegt of door wat die en die onlangs nog heeft gehoord. Daarbij speien familie- en vriendschapsbanden tussen kerkeraadsleden en betrokken echtelieden soms een dubieuze rol. Het zal een kerkeraad veel inspanning kosten een zaak juist te taxeren. Het is mede daarom zaak dat er een nauwkeurige verslaggeving plaatsvindt van de gebeurtenissen.

b.Een ander gevaar is dat ambtsdragers zich laten verleiden - en met de beste bedoelingen - tot uitvoerders en bewakers van regelingen tussen echtelieden. Talloos zijn de voorbeelden van ouderlingen of diakenen die om de haverklap gebeld worden door br. Van Epscheuten omdat zijn vrouw weigert de klok van z’n oma af te geven. Wie van mening is dat je als ambtsdrager in zo’n situatie niet kunt zeggen: dat zoek je zelf maar verder uit, en meent er dan toch maar wat aan te moeten doen, loopt niet alleen het risico de klok van oma naar het hoofd te krijgen, maar vooral bevestigd te worden in de mening dat er met die vrouw van Van Epscheuten inderdaad niet te leven valt en zij dus de schuldige wel zal zijn.

c. Het grootste gevaar is dat bij deze onverkwikkelijke zaken het geestelijke element ondergesneeuwd raakt. Belangrijker dan het zoeken naar een schuldige - een volgens mij bijna onmogelijke taak - is het peilen van schuldbesef. lemand kan hoofdschuldige zijn, maar kan gaandeweg tot besef van schuld en berouw komen, terwijl tegelijkertijd de minder schuldige zich is gaan vastzetten in eigen onschuld en zo geen schuldbesef nodig meent te hebben. De kerkeraad moet niet de plaats van de burgerlijke rechter in gaan nemen. De rechter zit op een verhoging, de echtelieden staan in het bankje, maar ambtsdragers zitten allereerst naast de mensen. Probeer dus naast hen te gaan staan, probeer zelfs begrip voor hun teleurstelling, woede en frustratie te hebben, maar probeer beiden voor het aangezicht van God te brengen. Met recht satanisch is het te merken hoe ongeestelijk het in deze problematiek toegaat en hoe Gods grote tegenstander het zovaak voor elkaar lijkt te krijgen dat mensen elkaar niet in gebed en geloof weten terug te vinden.

Aspecten van tuchtoefening

Vanzelfsprekend zal een kerkeraad aan mensen die met een echtscheiding bezig zijn, adviseren zich van het Avondmaal te onthouden. In hoeverre inderdaad de weg van tuchtoefening opgegaan moet worden blijft een heel moeilijke vraag. Er zijn situaties waarin mensen moedwillig het leven van hun man of vrouw en van hun kinderen kapot maken door op de weg van de echtscheiding voort te gaan. Er zijn echter ook situaties waarin geen sprake is van onwil, maar wel van onmacht en waar de ontbinding van het huwelijk heilzamer kan zijn dan instandhouding daarvan. Wanneer er heel evident een schuldige is, dan zal het voor een kerkeraad niet zo moeilijk zijn de juiste tuchtmaatregelen te vinden, maar in veel situaties is het allemaal niet zo duidelijk.

Essentieel is het onderscheid tussen ontrading, stille censuur en de trappen van tucht. Ontrading zal plaats kunnen vinden als de huwelijksstoornis bekend wordt en er gesprekken gaande zijn. Stille censuur, dat wil zeggen afhouding van het Avondmaal, zou kunnen worden toegepast wanneer er sprake is van verharding en er toch een echtscheiding in gang wordt gezet. Stille censuur betekent niet dat de trappen van tucht (art. 77 KO) moeten volgen. Een kerkeraad zal zich heel goed bewust moeten zijn wat ze doet als ze de weg van de ban wel opgaat, omdat het eindpunt van deze weg kan zijn dat iemand buiten het Koninkrijk Gods geplaatst wordt.

Belangrijk is de vraag naar de duur van de ontrading of de afhouding van het Avondmaal. Wanneer er gesprekken met het echtpaar gaande zijn en enige vooruitgang wordt geboekt, kan het wijs zijn om juist weer tot Avondmaalsgang te stimuleren, waar het sacrament bedoelt het geloof te versterken. Gaat het echter slechter in de wederzijdse verhoudingen of is er zelfs een echtscheidingsprocedure in gang gezet dan zal de ontrading blijven gelden. Wanneer de echtscheiding een feit is en wanneer er duidelijk sprake is van berouw over het mislukken van het huwelijk en de daarmee samenhangende schuld, kan de ontrading worden opgeheven.

Het tweede huwelijk

Wat moet je als kerkeraad doen als je ineens de vraag krijgt of het nieuwe huwelijk van een gemeentelid, dat een aantal jaren gescheiden is op onschriftuurlijke gronden, kerkelijk bevestigd kan worden. Ook hier is de kerkorde duidelijk over, namelijk dat er in zo’n situatie geen medewerking kan worden verleend, zolang de vorige echtgenoot nog leeft en nog niet is hertrouwd. Deze formulering is op z’n zachtst gezegd wat merkwaardig, want fundamenteel voor de afkeuring is de onschriftuurlijke echtscheiding. Hoe kan er dan wel een bevestiging plaatsvinden als de vorige echtgenote overleden is of hertrouwd. Waf er met die echtgenoot gebeurt, verandert toch niets aan het foute van de echtscheiding. Wellicht speelt hier de gedachte mee, dat bij een onschriftuurlijke echtscheiding de huwelijksband voor God blijft bestaan en die band dus pas bij overlijden of weer trouwen van de andere partner ophoudt te bestaan. In ieder geval zijn er situaties denkbaar waarin een kerkeraad toch instemt met huwelijksbevestiging, maar dan slechts onder zeer strikte voorwaarden. Allereerst dient vast te staan dat de betrokken huwelijkskandidaat oprecht berouw heeft over de verbreking van zijn huwelijk. Vervolgens zal gepeild moeten worden hoe zijn ex-vrouw en zijn kinderen tegenover deze zaak staan.

Op dit moment wil ik een element in onze discussie brengen dat tot nu toe niet genoemd is: de kerkelijke verdeeldheid. Ondanks onze vele gebeden en inspanningen voor kerkelijke eenheid geloof ik dat velen nog best dankbaar zijn voor de grote verdeeldheid onder christelijk Nederland. Er zijn immers best situaties waarin het aangenamer is je niet te voegen bij de gemeente van je eigen kerkverband, maar bij die van een ander ook wel confessionele kerk. Echtscheidingssituaties horen daar zeker ook bij. Wie kent niet het geval van bijvoorbeeld de gevallen cgk-broeder, die na scheiding kennis krijgt aan een gereformeerd-vrijgemaakte vrouw en aldaar in het huwelijk treedt. Veel pastoraat en tucht wordt gefrustreerd door de kerkelijke verdeeldheid. Zouden kerken daar zelf niet veel aan kunnen doen door in zulke gevallen met elkaar in contact te treden en elkaars tuchtmaatregelen te respecteren of in ieder geval zorgvuldig te overwegen? Juist wanneer wij voor ogen houden dat tucht niet als strafmaatregel maar als medicijn bedoeld is, zullen we beseffen dat er niemand gebaat is bij een overgang naar een andere kerk als aan de houding van de betrokkene niets veranderd is.

Nazorg

Over nazorg spreken wij doorgaans alleen als het gaat over rouw. Juist daarom hoort er intensieve nazorg te zijn na een echtscheiding. Er is rouw, er is heel veel onherstelbaar kapot gegaan, er zijn diepe gevoelens van verdriet en diepe gevoelens van schuld en schaamte. Hebben wij daar oog voor, broeders? Er is onder gescheiden zusters met name heel wat te regelen, durven wij daar als diakenen op af te stappen? Is er zorg voor de kinderen? Weet u of er in uw wijk ouders zijn van wie de kinderen gescheiden zijn en kent u hun gevoelens van verdriet, schuld en schaamte? Maar ook al veel eerder dienen we ons op deze dingen te bezinnen. Wat betekent het voor de kinderen als de ouderling en de dominee zo vaak op bezoek komen om met papa en mama te praten? Hoe kun je als kerk wat extra aandacht geven aan de kinderen als je weet wat kinderen in zulke situaties te verduren hebben? Ik weet dat dit allemaal heel moeilijk ligt, maar toch wil ik een oproep doen voor deze slachtoffertjes te zorgen.

Dweilen met de kraan open

Hopelijk is het overbodig te zeggen, maar toch moeten we erop letten dat we niet al onze tijd en aandacht besteden aan huwelijksproblematiek. De vraag moet gesteld worden hoe het komt dat deze dingen zoveel voorkomen en wat wij daaraan kunnen doen. Als we ons niet bezinnen op de oorzaken van de moeiten dan blijft het dweilen met de kraan open. In het kader van deze inleiding zijn er slechts enkele zaken aan te tippen. Een algemeen probleem is het gebrek aan offervaardigheid. De moeite om ambtsdragers te krijgen ligt qua oorzaak op eenzelfde niveau als de echtscheidingsproblematiek. Het is de kwestie van gebrek aan bereidheid om offers te brengen. Jezelf opofferen in het belang van je gezin, het offer brengen van inspanning een huwelijk te redden. In onze verkondiging Staat juist het offer zo centraal. Weten wij dat niet voldoende concreet te maken? Zijn onze preken tijdloos, zo gericht op de rechtvaardiging van de goddeloze, dat de heiliging van de gerechtvaardigde niet aan bod komt? Weten de mannen nog wel wat er van hen gevraagd wordt in het huwelijk? Dat zij degene zijn die voor hun vrouw tot in de dood moeten gaan? Worden de jonge mensen die gaan trouwen, voldoende in huwelijkszaken onderwezen of is de kerkeraad allang blij dat ze niet samengewoond hebben of moesten trouwen? Krijgen echtparen niet ook te veel ideale huwelijken voorgeschoteld? Ik bedoeld huwelijken zoals ze in sommige christelijke boekjes beschreven worden en waarin nauwelijks conflicten voorkomen en waarin het abnormaal geestelijk toegaat. En als je huwelijk niet zo is, zou je dan niet denken dat je geen goed huwelijk hebt? Wat is er mis in een huwelijk als er eens met de deur geknald wordt? Er is in christelijk Nederland behoefte aan een portie nuchterheid. Zo zou er nog meer te noemen zijn, maar we zijn hier niet gekomen om oorzaken op te sporen.

De kerkeraad

Tot slot nog dit. Er komt steeds meer op onze kerkeraadsagenda’s, ook heel veel wat helemaal niet op een kerkelijke agenda thuishoort. Het zal goed zijn als we als kerkeraden wat professioneler te werk zouden gaan, efficiënt met onze tijd omgaan opdat waar wij werkelijk voor bij elkaar komen, niet lijdt onder bijvoorbeeld vele ingekomen stukken die op een kerkeraadsvergadering niets te zoeken hebben. De tijd van kerkeraadsleden is zeer beperkt en er komt op de broeders veel meer af dan zeg twintig jaar geleden. Behalve deze huwelijkskwesties hebben we ook nog incestproblemen, gok, drank en druksverslaving, homofilie, psychische problemen en daarbij hebben we ook nog veel tijd te besteden aan de noodzakelijke gesprekken met andere kerken van gereformeerde signatuur. Daarbij zitten veel broeders met bijscholing, overwerk en de zorg die je aan je gezin moet besteden. Je mag blij zijn dat je na vier jaar kerkeraad zelf nog een redelijk huwelijk hebt. Het is niet gemakkelijk om vandaag ambtsdrager te zijn en je werk goed te willen doen; van harte hoop ik dat deze dag voor u toch een beetje een Stimulans en een bemoediging zal zijn, want het is en blijft een voorrecht om in het ambt te mogen dienen. Ik dank u voor uw aandacht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.