+ Meer informatie

GEMEENTELEDEN DIE MEEWERKEN IN HET PASTORAAT

4 minuten leestijd

In het februarinummer (40/2) schreef dr. J.W. van Pelt over de mogelijkheid dat gemeenteleden een taak krijgen als niet- professionele ‘Onbezoldigde’ pastorale medewerk(st)ers, ter verlichting voor de kerkenraad. Naast (vooral) instemming riep dit artikel ook enkele vragen op bij de tweede ondergetekende van het stuk dat u nu leest. Het is het resultaat van een broederlijke gedachtewisseling tussen ons beiden over die vragen. Om welke vragen het ging is af te leiden uit de tussenkopjes in het onderstaande.

Een aanvullende taak

In de laatste alinea van het artikel werd het werk van pastorale medewerk(st)ers getypeerd als een ‘zinvolle aanvulling’ op, en geen vervanging van het werk vanuit de kerkenraad. Uit het gehele artikel kan blijken hoe dat bedoeld is. Alle diensten in de gemeente, ambtelijke en niet-ambtelijke, vullen elkaar aan zoals de hand en de voet elkaar aanvullen, zonder dat de een de ander overbodig maakt (1 Cor. 12:15–18). De taak van gemeenteleden is dus niet ‘slechts’ aanvullend terwijl de kerkenraad het eigenlijke werk doet, of zelfs: eigenlijk het werk zou moeten doen. Toch zijn dergelijke gedachten nog niet uitgestorven. Daarom kan het geen kwaad nog eens te onderstrepen dat het aanstellen van pastorale medewerk(st)ers niet een maatregel is die (je zou bijna zeggen: helaas) nodig is omdat de kerkenraad, die het werk zou moeten doen, het niet aankan. De grote werkdruk op de kerkenraden laat juist de noodzaak zien (zoals het artikel ook aangeeft) van nieuwe bezinning, vanuit het Nieuwe Testament, op plaats en taak van de ambtsdragers én van de gemeente zelf met alle haar geschonken gaven (charismata). Het ambt is middel en geen doel. In toegespitste formulering kan gezegd worden: niet het charisma is gericht op het ambt, maar omgekeerd: het ambt op het charisma, om het functioneren daarvan te stimuleren, te coördineren en te leiden. Vergelijk: dr. J.R Versteeg, Kijk op de kerk, p. 43.

Ambtelijk en niet-ambtelijk gezag

Van meer belang nog is de kwestie van het gezag. Daarvan is in het artikel gezegd dat tot het ambtelijk karakter van het kerkenraadswerk niet alleen behoort het toerusten van de gemeente, maar ook het spreken met gezag uit naam van Christus. Daarbij moet wel bedacht worden dat het gezag van ambtsdragers niet ligt in ‘het ambt’ op zichzelf. Het ligt daarin, dat ze spreken (althans: geroepen zijn om te spreken) op zo’n manier dat het Woord van Christus zijn gezag kan laten gelden. Echter: dat Woord heeft evenzeer gezag wanneer het wordt doorgegeven door een niet-ambtsdrager krachtens de hem of haar geschonken gaven en een hem of haar door de kerkenraad gegeven opdracht!

Kenmerkend voor de dienst van ambtsdragers is, dat hun de leiding (regering) over de gemeente is toevertrouwd. Zij zijn samen, als raad, verantwoordelijk voor en moeten ook beslissingen nemen over de voortgang van het gemeenteleven naar Christus’ bedoeling, in Woordbediening, catechese, pastoraat (inclusief tuchtoefening), diakonaat en evangelisatie. In dit leiding geven dienen ze door de gemeente erkend te worden.

Ook aan gemeenteleden die krachtens hun gaven (charismata) de gemeente dienen kan een taak worden toevertrouwd waarbij ze aan een deel van het gemeenteleven leiding geven, de gemeente richtlijnen geven of haar instrueren; denk aan het werk van een evangelisatiecommissie of commissie van beheer. De uiteindelijke beslissingsbevoegdheid en verantwoordelijkheid ligt dan bij de kerkenraad.

In dat licht is ook het verschil te zien tussen het spreken met ambtelijk dan wel nietambtelijk gezag! Waar gesproken wordt vanuit het Woord geldt het gezag van dat Woord. Maar bij de ambtsdragers, verenigd in de kerkenraad, is het gezagsvol spreken verbonden met de totale verantwoordelijkheid van hun ambt. Het onderling vermaan bijvoorbeeld is niet strikt voorbehouden aan ‘het ambt’. Alle gemeenteleden worden geroepen om waar dat nodig is elkaar te vermanen en aan te vuren (1 Thess. 5: 11; Hebr. 10: 24)! Daarbij zal de inhoud van het vermaan of de aansporing ook niet verschillend behoeven te zijn van dat van ambtsdragers.

Wel kan het vermaan door ambtsdragers z’n eigen consequenties hebben bijvoorbeeld in tuchtoefening, of in de formulering van een attestatie.

Of neem het voorbeeld van de catechese. Deze kan in opdracht van de kerkenraad gegeven worden door een niet-amtsdrager die daarvoor de gaven heeft. Maar de verantwoordelijkheid voor dat onderwijs, en ook de beslissing over toelating tot het belijdenis-doen ligt bij de kerkenraad.

Dat laat echter onverlet dat wanneer een gemeentelid, al dan niet in het kader van een door de kerkenraad gegeven taak, vertroostend, vermanend, lerend of bemoedigend spreekt overeenkomstig het Woord, het een spreken is namens Christus.

Een spreken waarin Hij iets te zeggen heeft tot en over degenen die aangesproken worden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.