+ Meer informatie

Besprekingen van de Heilige Oorlog

6 minuten leestijd

52.

Vleselijke Gerustheid zeide: „Ik twijfel of gij geen slaap nodig hebt. Belieft het u, neem een poosje rust, ondertussen zullen wij nog eens echt vrolijk zijn.” Juist, op het bed van zorgeloosheid heeft Vleselijke Gerustheid de overhand verkregen. Als Vreze Gods dat nu ook doet dan kon hij ons begrijpen en met ons vrolijk zijn.

Maar Vreze Gods liet zich niet betoveren, sprak aldus: „Zo gij niet ontbloot waart van een vroom hart, gij zoudt niet doen wat gij gedaan hebt en nog doet. Ik bid u, breek mijn rede niet af. ’t Is waar, de stad Mensziel was sterk en in zekere zin onoverwinlijk. Maar gij hebt de ingezetenen verzwakt en nu ligt ze open voor de vijanden.

Terwijl ’t nu geen tijd is om te zwijgen of te vleien, hebt gij Vleselijke Gerustheid u bereid getoond om de stad van hare heerlijkheid te beroven en die weg te drijven. Gij hebt haar torens als nedergeworpen, haar poorten gebroken, haar sloten en grendelen vernietigd.

Om mij nader te verklaren, van die tijd af dat de heren van Mensziel en gij zo groot geworden zijt met elkander, van die tijd is de Sterkte’van Mensziel beledigd geworden en nu is zij opgerezen en weggegaan.

Wil iemand de waarheid van mijn zeggen in twijfel trekken, ik zal hem allen deze vraag stellen: „Waar is prins Immanuël? Wanneer heeft iemand uwer Hem gezien? Wanneer hebt gij van Hem gehoord of Zijn lekkernijen gesmaakt? Gij houdt nu feesten met dat monster Diabolus, maar hij is uw echte en wettige prins niet, want de dag waarop gij Hem hebt afgezworen is door Immanuël aangetekend in de kronieken.

Daarom zeg ik, schoon gij zorg hebt gedragen dat uw vijanden van buiten u niet als roof voerden, zo zijn nochtans sedert gij tegen uw Vorst gezondigd hebt, uw vijanden van binnen uit u te machtig geworden. Als een vorstin waart gij met heerlijkheid bekleed en nu is u cijnsbaar geworden, gij hebt uw vrijheid verkocht.”

Mijnheer Vleselijke Gerustheid dit horende, zeide: „Foei, foei, Vreze Gods! zult gij dan uw blohartigheid nooit overwinnen? Zijt gij dan vervaard als een mus u beschadigen wil? Wie beledigt u? Ik niet, want ik ben aan uw zijde. Dit alleen is de zaak: gij houdt van twijfelen en ik van verzekerd te zijn. Maar behalve dit, is ’t nu een tijd om zo droevig te wezen? Waarom spreekt gij dan nu tot uw eigen schande en tot onze ontrusting zulk een zwaarmoedige taal, terwijl gij gelijk als wij moest eten en drinken en vrolijk zijn?”

„Met recht,” zo antwoordde Vreze Gods, „mag ik droevig wezen, want Immanuël is van Mensziel geweken. Hij is, zeg ik weggegaan en gij zijt het die Hem heeft weggedreven. Ja, Hij is zo heengegaan, dat Hij aan de edelen van Mensziel van Zijn vertrek geen kennis heeft gegeven. Oordeel, is dat geen teken van Zijn gramschap? Ik heb kennis genoeg van Zijn Goddelijkheid om daarover te oordelen.”

En gij, mijn heren en edelen, tot u richt ik nu mijn redenen. Dat gij zo trapsgewijze van Hem vervreemd zijt, heeft Hem gedrongen bij trappen van u te gaan. Of gij mogelijk daardoor tot nadenken mocht komen en ge u zoudt verootmoedigen. Maar ziende, dat gij daarop geen acht kwaamt te slaan daar de tekenen van Zijn ongenoegen u niet tot smart waren zo heeft de Vorst deze plaats verlaten. En zou het hart dat de vreze Gods kent dan niet beven met de vraag: „Wat moet er nu van Mensziel terecht komen?” „Is het nu nog niet duidelijk voor u dat de heer Vleselijke Gerustheid uit de verdorvenheid van ons bestaan is voortgekomen om, was het mogelijk, de stad weer terug te brengen tot de staat der ellende waaruit zij door tekenen en wonderen verlost werd?

Dus is, terwijl gij zo roemt in uw genot, uw sterkte vergaan en zijt gij als de man wien de haarlokken, die tevoren op zijn schouders golfden, waren afgesneden. Gij moogt met de heer van uw maaltijd u zelve bewegen en denken dat gij zult heengaan als in vorige tijden, maar dewijl gij zonder Hem niets doen kunt en Hij van u geweken is, zo verandert spoedig uw feesten in zuchten en uw vreugde in klaagliederen.”

De onderleraar, mijnheer Consciëntie, die door de ernstige vermaningen van Vreze Gods werd geraakt, begon hem aldus te helpen en te ondersteunen: „Inderdaad, mijn broeders, ik ben er van overtuigd dat Vreze Gods ons de waarheid gezegd heeft. Mensziel verkeert in een hele slechte conditie. Deze ernstige ziekte is een bode van grote verschrikkingen. Alles is ziek, dodelijk ziek of verlamd in de stad Mensziel. Een gezond geestelijk leven wordt er niet meer gevonden. Daar is geen gevoel meer van de ellende waarin men door zijn zorgeloosheid gekomen is. „Zo, dan,” zegt de Heere, „omdat gij lauw zijt, en noch koud noch heet, Ik zal u uit Mijn mond spuwen.” En toch waren de burgers ten gevolge van een godsdienstige verbeeldingsziekte rijk en verrijkt, hadden geen ding gebrek, ’t Is toch erg als men niet meer weet ellendig te zijn en jammerlijk en arm, blind en naakt.

„Ik voor mij,”zei mijnheer Consciëntie met smart in zijn hart, „ik heb mijn Prins in lang niet gezien. Ik kan mij de dag niet herinneren Zijn stem gehoord te hebben. Ik kan op Zijn vragen naar de oorzaak waarom wij Hem kwamen te verlaten, alleen maar spreken van liefdeloosheid, biddeloosheid en zorgeloosheid. Ja, ik vrees dat al het goede door Immanuël in Mensziel tot stand gebracht, verdorven is. Het geloofsleven is door vleselijke gerustheid met machteloosheid geslagen, het gebedsleven kwijnt daar men zijn hulpbehoevendheid en onwaardigheid niet beseft. De Heere heeft met Zijn licht, met Zijn liefde en met Zijn vrede de stad verlaten.”

Vreze Gods voegde aan het spreken van de heer Consciëntie nog deze bestraffing toe: „Gij kunt er verzekerd van zijn dat gij in de stad uw Prins niet zult vinden. Hij heeft Zich van u gescheiden, is weggetogen, ja weggegaan om het misdrijf der oudsten. De rijkdom van Zijn genade door Hem ten toon gespreid in al de zegeningen waarmede Hij Mensziel kwam te begiftigen, werd door de stad in een ondragelijke geringschatting gesteld. Daar de dure prijs van Zijn borgtochtelijk sterven die er voor opgebracht moest worden, niet in aanmerking genomen werd.

Komt men zich niet te verdiepen in de verzoening door voldoening, dan wordt het door ons oppervlakkig denken eindelijk slechts een geringe zaak. Het hart wordt er niet meer door opgewekt tot erkentelijkheid in heiligmaking en goede werken. Men gaat leven bij het genot der zaak, zodat het opwassen in de genade en kennis van de Heere niet gezocht wordt. Schaamte moet ons aangezicht in deze liefdeloosheid bedekken, daar de Heere Zijn genade kwam te verheerlijken opdat wij heilig en onberispelijk voor Hem zouden zijn in de liefde.

Nijkerk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.