+ Meer informatie

Discussie: OP WEG NAAR ELKAAR? of: OP DE PLAATS RUST?

12 minuten leestijd

De gedachtenwisseling over het door prof. Van ’t Spijker ingeleide onderwerp wordt ingezet door eenentwintig vragenstellers die allerlei facetten van de zaak van de eenheid onder de gereformeerde belijders in Nederland aan de orde stellen. Voor de beantwoording van de gestelde vragen heeft het bestuur een aantal ter zake kundigen uit verschillende kerkelijke denominaties van gereformeerde signatuur uitgenodigd om een forum te vormen dat met de inleider zich daarvan zal kwijten, nl. (alfab.) ds. G. van den Brink (emer. predikant Ned.Geref. Kerken), ir. J. van der Graaf (Geref. Bond in Ned.Herv. Kerk), I.A. Kole (Geref. Gemeenten in Nederland), dr. E. Masselink (emer. predikant Geref. Kerken-syn.), prof.dr. C. Trimp (Theol. Universiteit Geref.Kerken-vrijgem.) en ds. J. Westerink (voorz. deputaten eenheid Chr.Geref.Kerken).

Reveil

De voorzitter stelt-samenvattend-de vraag aan de orde of niet allereerst een reveil nodig is voordat het tot een eenheid van de gereformeerde belijders kan komen. Een geestelijke ontwaking is volstrekt een zaak van God en onmisbaar voor alle kerkewerk, antwoordt de inleider. Maar dat mag niet leiden tot passiviteit met betrekking tot dat wat Hij van ons vraagt. De Geest zet in beweging (Ez. 37). Reveil moet uitmonden op reformatie. Dient zo’n reveil niet te beginnen door in de prediking bewuster op de gebrokenheid van Christus' kerk in te gaan? Wordt die betreurd of staat men in feite er onverschillig tegenover? Volgens prof. Trimp heeft men in de GK-v in toenemende mate moeite met die gebrokenheid, zeker vergeleken met een vijftien jaar geleden. Hij acht gemeenschappelijke bidstonden van grote betekenis om dat besef te verlevendigen. Ds. Westerink wijst op de opkomst van vandaag waaruit blijkt dat deze zaak leeft in de CGK, het verlangen naar eenheid, maar ook de ervaring hoe moeilijk het ligt. God vraagt van ons reformatie beginnend met de prediking. In de GB wordt, aldus ir. Van der Graaf, het eenheidsverlangen geblokkeerd door het samen-op-weg-proces, waarbij men vooral te maken heeft met gereformeerden die niet meer weten wat gereformeerd is. Er is een diep verlangen naar eenheid van de gereformeerde gezindte: met de CGK zou de GB het gauw eens zijn, maar de kerkelijke structuren vormen een hindernis. Concreet zal dat verlangen in de plaatselijke gemeenten gestalte kunnen krijgen. Maar als een hervormde kerkeraad van gereformeerde structuur CG K-predikanten zou uitnodigen om te komen preken? Na twee jaren vergaderen daarover zou er nog geen kanselruil plaatsvinden! De heer Kole weet dat in de GGN veel gebeden wordt dat God zal bijeenbrengen wat bijeenhoort, maar in de praktijk krijgt dat bidden weinig concreet gestalte. De prediking raakt de kern van de zaak. Ook als er dan geestelijke banden zijn, dan laten de kerkelijke structuren verstek gaan. Op het grondvlak komt het in dezen aan. Ds. Van den Brink wijst erop dat de scheur die in '68/69 ontstond een gevoel van machteloosheid bij de NGK heeft veroorzaakt, zodat er een soort berusting is ontstaan: elkaar zo vriendelijk mogen bejegenen en verder maar afwachten, dankbaar als eenheid blijkt. Hij herinnert aan de moeizame besprekingen tussen CGK-GKN die door telkens weer wisseling van deputaten iets repeterende krijgen. Zelf heeft hij ervaren dat het elkaar kennen èn verstaan ten zeerste door kanselruil wordt gediend. Er is een federatief verband CGK-GKN voorgesteld, zodat, waar mogelijk, kanselruil kan plaatsvinden. Het is ds. Masselink opgevallen hoe scherp de blik naar binnen is gericht op nog meer eensgezindheid. Maar Joh. 17 spreekt ook over de wereld: ”opdat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt”. De kerken hebben met de wereld te maken, niet om te mijden of te verdoemen, maar terwille van het Evangelie. In de GK-s wordt die uitdaging misschienmeer gezien, al is er het gevaar dat de wereld de kerk de agenda voorschrijft.

Schuldvraag

Vervolgens komt de schuldvraag ter sprake: bij wie ligt de schuld van de kerkelijke verdeeldheid? Moet men zich niet persoonlijk schuldig weten voor God aan de breuk tussen de kerken? Prof. Van ’t Spijker herinnert eraan dat binnen het Contactorgaan van de Geref. Gezindte deze vraag jaren geleden ook aan de orde is geweest. Men denkt dan allereerst aan het verleden: 1834, 1892 enz. Maar hoe concreet is die schuld in het heden? Als we werkelijk kèrk zijn en dat kerk-zijn beleven naar Schrift, belijdenis en kerkorde, hoe is de schuldvraag dan te concretiseren, al is er ongetwijfeld steeds weer veel menselijks in het spel dat voor God en mensen schuldig stelt? Waar dat kerk-zijn beleden en beleefd wordt, daar is er toch een weg naar elkaar? Prof. Trimp stemt toe dat er vaak vreemd vuur op het altaar is geweest. Er is persoonlijke schuld voor een algeheel te kort schieten elkander niet van harte en bestendig lief te hebben (1 Petr. 1). Schuld op zichzelf kan een formeel begrip worden, maar dient concreet voor elkaar te zijn, een zaak van wedergeboorte. Ir. Van der Graaf acht het persoonlijk schuldbelij-den minder moeilijk dan het collectief schuldbelijden, nl. om sámen deernis te hebben over Sions gruis (Ps. 102). Als hervormd-gereformeerden in de NHK is het al moeilijk te lijden aan héél de kerk. En dan schuld belijden met betrekking tot al die andere kerken? De heer Kole attendeert op het feit dat bij een onlangs gepleegd onderzoek bleek dat van de tien jongeren nog slechts twee regelmatig naar de kerk gaan, vier nog af en toe en vier helemaal niet meer. Een groot deel van de jongeren wordt niet meer door de ”religie van de belijdenis” aangesproken. Voortgaande polarisatie met behulp van paradepaardjes zal deze tendens eerder versterken dan afzwakken. Het komt in de jaren ’90 eropaan hen jaloers te maken, elkaar op herkenbare zaken aan te spreken.

Inleveren?

De vraag is gesteld of de kerken bereid zijn iets van de eigenheid in te leveren om tot elkaar te komen, om organisatorische structuren te doorbreken. De inleider vraagt zich af wat dan concreet ingeleverd zou moeten worden. De CGK bijv. zijn in staat de plaats van hun tent wijd te maken (Jes. 54 : 2), zodat allen erin kunnen, links en rechts. Er is ervaring gegroeid om met elkaar om te gaan. Heel veel elementen hebben ze gemeen met de GB. Leeft de GB ”afgescheiden” binnen de NHK, de CGK doet dat buiten de NHK. Wat in te leveren? De kerken gaan sommige zaken samen doen om meer te worden wat ze zï jn, maar dan samen met andere kerken, zich concentreren op die punten die wezenlijk zijn. Ds. Westerink wil alles wel ”inleveren” behalve wat z.i. de kern van het CGK-zijn betekent en wat telkens weer aan de orde komt nl. de vragen rond de toeëigening des heils. Konden Gomarus en Teellinck in één kerk functioneren, de orthodoxie van 1892 en daarna is een andere dan die van Gomarus. Uit de biografieën die Joh. de Haas in zijn boeken opnam van gereformeerde predikanten, blijkt wel dat het bevindelijk element sinds 1920 kennelijk is uitgeroeid. Al gaat dat ook onder ons ontbreken, het is voor de waarachtige eenheid onopgeefbaar. Het gaat om het wezenlijke van de belijdenis, zoals de synode heeft uitgesproken. Ds. Boersma ziet onder de zaken die in te leveren zijn, concreet bijv. een Theologische Hogeschool, of een aantal bijzondere bepalingen die in de loop van de jaren zijn ontstaan, een kerkgebouw, ”middelmatige dingen” (art. 86 KO). Als de CGK zo oecumenisch is, waarom sleept deze zaak zich dan van vergadering tot vergadering voort? Vertrouwen we elkaar voldoende? Juist inzake de toeëigening des heils? Hij wijst dan op publikaties in dezen van prof. Trimp.

Toeëigening des heils

De voorzitter merkt op dat de gesprekken ter zake van de toeëigening des heils eindeloos doorgaan. Wordt deze zaak opgevoerd omdat de problemen niet meer te overzien zijn of niet echt bespreekbaar zijn om maar van de ander af te komen, hem op een afstand te houden? Die indruk leeft hier en daar. Het doorgaan van de samensprekingen, aldus ds. Westerink, is afhankelijk van de synode. Een zekere vermoeidheid, moedeloosheid is soms te constateren in de relatie NGK-CGK. De GK-v willen contact, maar zeker niet tot in het oneindige. Als het over de toeëigening des heils gaat klikt het direct met de GB, maar het stokt bij de kerkstructuur. Inzake de structuur van de kerk is eenheid ook niet in vijf minuten haalbaar. Met de toeëigening des heils wordt bedoeld dat er in de prediking aandacht is voor de vraag hoe men deel krijgt aan het heil; het is het hart van de zaak, het werk van Vader, Zoon en Heilige Geest. De nadruk hierop bedoelt niet af te houden, maar naast elkaar te staan. Hij verwijst naar de verklaring van '74/75. Omdat het om wezenlijke elementen van ons belijden gaat, is er de roeping tot samenspreken en gebed dat de Heilige Geest er plaats voor make. Ds. Otten proeft in een en ander een nieuwe theologie, de bevindingstheologie die als een barricade gaat functioneren. Ook als de zaak van de toeëigening des heils te onderschrijven is, zijn er geen nuanceringen mogelijk? Ds. Van den Brink is van mening dat het nadelig werkt altijd maar weer de ander in staat van beschuldiging te stellen. Wordt in de NGK dan de Christus niet gepredikt? Is het niet beter de confessie te aanvaarden als norm en de kansels voor elkaar open te stellen? Uiteraard met de nodige voorzichtigheid, want de ene gemeente is de andere niet. Ir. Van der Graaf denkt dat er geen hervormd-gereformeerde gemeente is die zomaar congruent is met een vrijgemaakt-gereformeerde; bij de Avondmaalsviering komt dat wellicht nog het duidelijkst uit. Zit het niet vast op het begrip ”religie van de belijdenis” (waarbij wijlen prof. Severijn desgevraagd naar het hart wees)? De gemeente voelt dat intuitief aan. Prof. Van ’t Spijker vreest dat aan de toeëigening des heils een status confessionis wordt toegekend, waaromtrent dan een akkoord tot stand moet komen waarop de eenwording vervolgens te baseren is. De kerk is niet te bouwen op het belijden, maar op de belijdenis. Alleen de Here kent het hart. Wij kunnen alleen afgaan op wat de mond belijdt en het leven niet weerspreekt. Ir. Van der Graaf wil eventueel misverstand voorkomen als zou hij de vrijgemaakt-gereformeerden geen achting toedragen. Hij herkent hun Schriftgetrouwheid, maar voelt zich vreemd onder hun prediking. In dit verband vraagt de voorzitter zich af of er niet te weinig wordt gedaan aan de bouw van onderling vertrouwen. De heer Kole dringt aan vooroordelen te mijden en vooral kennis te nemen van eikaars publikaties. Onopgeefbaar is dat de Geest gekomen is om Christus te verheerlijken. Bij alle verscheidenheid kunnen we dan niet om de toeëigening des heils heen.

Gereformeerd

Op de vraag of de kerk niet breder is dan wat onder gereformeerde gezindte wordt verstaan, antwoordt de inleider dat de naam ”gereformeerd” voor velen als te strak, te intellectueel wordt ervaren, zonder hart en vooral als gearriveerd. Maar wezenlijk is ”gereformeerd”: puur katholiek christenzijn dat door de Reformatie is heengegaan en daarom volop evangelisch is, uit en naar het Evangelie levend. Ietwat gechargeerd gezegd: om mens te blijven moet je christen worden, om christen te blijven gereformeerd en om gereformeerd te blijven, naar zijn overtuiging: christelijk-gereformeerd….. ’t zij met de nodige terughouding gezegd. In elk geval: gereformeerd is oecumenisch bij uitstek.

Onderwijs

Een nog resterende vraag inzake het onderwijs wordt door de heer Kole beantwoord. Hij wijst erop dat heel de verwarring in de theologische wereld van de universiteit op de preekstoel is terechtgekomen en vooral op de scholen. Theologische hobby’s en visies hebben bij het onderwijs de meeste slechtoffers gemaakt. In christelijke scholen, a.h.w. bruggehoofden van Gods Koninkrijk, gaat het om de elementaire zaken van het geloof, om God en mens, zonde en genade enz. De toekomstige generaties hebben onderwijs nodig naar Gods Woord, dat verkondigd èn verteld wordt.

Ten besluite

Alvorens de discussie af te sluiten geeft de voorzitter elk panellid gelegenheid in te gaan op de vraag hoe op het ”grondvlak”, d.i. in de gemeente de zaak van de eenheid tot grotere bewustwording is te brengen.

Prof. Trimp verwacht veel van de ambtelijke leiding opdat we weten hoe groot onze kerkelijke zonde en ellende is, hoe wij daarvan verlost worden en hoe wij voor zo’n verlossing dankbaar zullen zijn. De eendracht van de kerk hoort ook onder het heil, inzonderheid bij de Avondmaalsviering. ’t Zal goed zijn als we elkaar missen.

Ds. Westerink denkt aan twee dingen: Schriftuurlijk-confessionele prediking en volhardend gebed.

Ir. Van der Graaf zegt hierop alleen maar amen.

Ds. Van den Brink herinnert aan het woord: Gij die de Here indachtig maakt, gunt u geen rust. En laat Hem geen rust, totdat Hij Jeruzalem grondvest en het stelt tot een lof op aarde (Jes. 62 : 6v.).

Ds. Masselink moest denken aan Mozes: Doe de schoenen van uw voeten, want de plaats waarop gij staat, is heilige grond (Ex. 3 : 5). En aan: God is licht en in Hem is in het geheel geen duisternis (1 Joh. 1 : 5).

De heer Kole dringt aan als gemeente naar de kinderen goed te spreken van de Here en over elkaar en geen caricaturen over te dragen; hij wil de kerkeraden oproepen eens met elkaar te gaan spreken, gedachtig in de geseculariseerde samenleving aan: die bij ons zijn, zijn meer dan die bij hen zijn (2 Kon. 6 : 16).

Prof. Van ’t Spijker gelooft dat als Ef. 3 : 14-19 beleefd wordt, we een stapje verder zijn inzake de eenheid onder gereformeerde belijders: Om die reden buig ik mijn knieën voor de Vader….. opdat Christus door het geloof in uw harten woning make. Geworteld en gegrond in de liefde, zult gij dan, samen met alle heiligen, in staat zijn te vatten….. en te kennen de liefde van Christus,…..opdat gij vervuld wordt tot alle volheid Gods.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.