+ Meer informatie

Een nieuwe tekst van onze belijdenisgeschriften

10 minuten leestijd

Waar gaat het over?

Op onze laatste generale synode zijn depu-taten benoemd voor de tekst van de belijdenisgeschriften. Waarom eigenlijk? Als men weet, dat zij moeten rapporteren over een tekst van de belijdenis in hedendaags Nederlands, zou men de vraag kunnen stellen, of dat soms een symptoom van het moderne streven naar verandering en vernieuwing is. Misschien denkt deze of gene al aan een nieuwe belijdenis!

De zaak is deze, dat de taal van de belijdenisgeschriften voor velen moeilijk te verstaan bleek te zijn. Het is het Nederlands van de zestiende en zeventiende eeuw, in woordkeus hier en daar enigszins gemoderniseerd, maar wat zinsbouw betreft niet. Wijf werd vrouw, lijf werd lichaam, ende en. De lange volzinnen van Geloofsbelijdenis, Catechismus en Leerregels bleven intussen even lang. Vooral in het laatste belijdenisgeschrift schemert door, dat het een vertaling uit het Latijn is — de Nederlandse Geloofsbelijdenis is trouwens uit het Frans vertaald en de Heidel-bergse Catechismus uit het Duits

Nu bestaan er wel uitgaven waarin getracht wordt de Catechismus terwille van de catechese wat meer doorzichtig te maken, maar ze worden niet algemeen gebruikt en de kerken dragen er geen verantwoordelijkheid voor. Van de Geloofsbelijdenis kenden we nog wei een nieuwere weergave, maar van de Leerregels tot voor kort niet.

Het ligt niet alleen aan de ontwikkeling van de taal, dat de inhoud van de belijdenisgeschriften, die het stempel van hun ontstaan in het verleden dragen, te weinig bekend is. Het ontbreekt velen ook aan de belangstelling die nodig is om zich er met vrucht in te verdiepen.

Maar het moet mogelijk zijn om hetzelfde duidelijker te zeggen door verouderde woorden te vervangen, bepaalde zinswendingen te vereenvoudigen en verkeerd verstaan te voorkomen.

Het zou diep te betreuren zijn, als men met de belijdenisgeschriften hoe langer hoe min der rekening zou gaan houden, omdat men nauwelijks begrijpt wat erin beleden wordt.

Een tekst in hedendaags Nederlands

Ongeveer een jaar geleden, op 19 maart 1971, is aan de vertegenwoordigers van een drietal kerken — de Nederlandse Hervormde Kerk, de Gereformeerde Kerken in Nederland en de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland — een exemplaar aangeboden van de Nederlandse belijdenisgeschriften in hedendaags Nederlands. Er was door een commissie van theologen en neerlandici aan gewerkt: vier hervormden, vijf gereformeerden en twee christelijke gereformeerden. Prof. dr. W. F. Dankbaar was voorzitter en ds. J. H. Velema secretaris van de commissie.

Het is een initiatief geweest van hervormde zijde. In 1950 ontving de generale synode van de Ned. Herv. Kerk een rapport, opgesteld door prof. dr. J. N. Bakhuizen van den Brink te Leiden, waarin gepleit wordt voor het vaststellen van een authentieke tekst van de belijdenisgeschriften. Niet van elke belijdenis hebben de kerken een authentieke of officiële tekst. Men verwijst naar verschillende tekstuitgaven, b.v. naar die van Rutgers-Bavinck-Kuyper of die van Bakhuizen van den Brink.

Een eerste proeve van een nieuwe tekst van al onze belijdenisgeschriften gaf prof. dr. J. N. Bakhuizen van den Brink in 1957 (de belijdenisgeschriften volgens artikel X van de Kerkorde van de Nederlandse Hervormde Kerk). Maar dit was nog geen kerkelijke uitgave. Tenslotte kreeg de reeds genoemde commissie de opdracht een tekst van de belijdenisgeschriften in hedendaags Nederlands te leveren, zonder de wezenlijke inhoud te wijzigen, en het resultaat van haar arbeid aan de synoden aan te bieden, opdat die een officiële tekst zouden kunnen vaststellen.

De commissie zegt zelf, dat zij er naar gestreefd heeft zoveel mogelijk een hedendaags en begrijpelijk Nederlands taalgebruik toe te passen. „Tegelijk was zij zich ervan bewust, dat een klassiek kerkelijk stuk toch een eigen stijl heeft en dat men bepaalde daarin voorkomende uitdrukkingen van het geloof niet kan moderniseren zonder af te doen aan de oorspronkelijke en diepe betekenis. Dit vergde in menig geval een langdurige discussie over zorgvuldige woordkeuze”.

Modern Nederlands is het daarom niet geworden. De kerk is in de belijdenisgeschriften aan het woord. Zij kan niet zeggen wat zij wil, want zij is in al haar spreken gebonden aan de Bijbel.

Ook kan zomaar geen afstand gedaan worden van termen en begrippen die de kerk vanouds gebruikt heeft om weer te geven wat Gods Woord leert. In de tekst van 1971 staan evenals in de oude tekst woorden als „naturen van Christus”, „genoegdoening”, „erfzonde”, die niet in de Heilige Schrift voorkomen, maar in de confessie van de kerk niet gemist kunnen worden. Al deze begrippen hebben een geschiedenis. Elk van deze woorden heeft betekenis!

Het blijft dus kerkelijke taal, bijbelse taal en hier en daar ook theologische taal. Het boek van de leer is geen gewoon leesboek geworden.

Op verscheidene plaatsen wordt de Heilige Schrift letterlijk geciteerd. Wij zijn gewoon geraakt aan aanhalingen uit de Statenvertaling. Voor de oude tekst maakte men echter gebruik van een nog oudere vertaling van de Bijbel, een vertaling die toen het meest bekend was.

In art. 2 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis luidde het slot van het eerste citaat uit Rom. 1 : 20 op de Dordtse synode en daarvoor: „namelick, zijn eeuwige mogentheyt ende Godheyt”. Na 1637 las men meestal in aansluiting bij de Statenvertaling: „Zijn eeuwige kracht en goddelijkheid”. Daar verandert de belijdenis niet door.

In de tekst van 1971 wordt naar de Nieuwe Vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap verwezen. Voorzover ik heb kunnen nagaan heeft dat nergens tot een wezenlijk verschil geleid.

Voorbeelden

Enkele voorbeelden kunnen wellicht dienen om een indruk te geven van de nieuwe tekst die aan de kerken is aangeboden.

Het begin van art. 33 van de Geloofsbelijdenis luidt: Wij geloven, dat onze goedertieren God, omdat Hij met onze onbevatte-lijkheid en zwakheid rekening houdt, voor ons de sacramenten heeft ingesteld om zijn beloften aan ons te bezegelen en om onderpanden te zijn van zijn goedgunstigheid en genade jegens ons en ook om ons geloof te voeden en in stand te houden.

Er worden voor een. deel andere woorden gebruikt dan in de tekst die in de regel in ons kerkboek staat: „omdat Hij rekening houdt met” in plaats van „acht hebbende op”; „ingesteld” in plaats van „verordend” en „onbevattelijkheid” in plaats van „grovigheid”. Het spreekt vanzelf dat de commissie zich afgevraagd heeft, waarom ze het zo zou formuleren. Hoe moest het begrip grovigheid in de taal van vandaag worden weergegeven? In de oorspronkelijke Franse tekst van de confessie staat „rudesse” en in een oude Nederlandse tekst „plompheid”. De bedoeling van het woord is, dat wij op het zintuigelijk waarneembare zijn ingesteld. Dat is wat anders dan grofheid of ruwheid. Daarom werd het woord onbevattelijkheid gekozen.

Vraag 14 van de Catechismus is ons bekend in deze vorm: Kan ook ergens een bloot schepsel gevonden worden, die voor ons betale? Maar wat betekent de uitdrukking „een bloot schepsel”? Niet lang geleden bemerkte ik, dat er de vreemdste opvattingen over bestaan, omdat bij „bloot” gedacht wordt aan de gewone betekenis van het woord. Het komt hier echter voor in de zin van „alleen maar”, zoals wij het kennen in de uitdrukking „een bloot toeval” (het Duitse „blosz”). Om misverstand te voorkomen is nu vertaald: Kan iemand die enkel schepsel is voor ons genoegdoening geven?

In de Leerregels, III/1V,12 wordt van de wedergeboorte gezegd, dat zij in ons niet teweeggebracht wordt door middel van de uiterlijke predikatie alleen, noch door aanrading. Dat is in de tekst van 1971 geworden: Zij wordt in ons niet tot stand gebracht alleen door de prediking, die van buitenaf tot ons komt.

Vroeger schreef men lange zinnen. Het is dikwijls mogelijk één lange volzin te vervangen door twee, drie of meer kortere zinnen.

Op de vraag naar de enige troost in leven en sterven wordt nu geantwoord: Dat ik met lichaam en ziel zowel in leven als in sterven niet mijzelf toebehoor, maar het eigendom ben van mijn getrouwe Heiland Jezus Christus. Hij heeft met zijn kostbaar bloed voor al mijn zonden volkomen voldaan en mij uit alle heerschappij van de duivel verlost. Hij waakt met zoveel zorg over mi’i dat zonder de wil van mijn hemelse Vader geen haar van mijn hoofd kan vallen, ja zelfs dat alle dingen mij tot mijn heil moeten dienen. Daarom verzekert Hij mij ook door zijn Heilige Geest van het eeuwige leven en maakt mij van harte bereid om voortaan voor Hem te leven.

Er behoefde om dit eerste antwoord van de Catechismus overigens geen nieuwe tekst van de belijdenisgeschriften te komen. In het algemeen geldt, dat dit het minst nodig was voor de klassieke passages en het meest gewenst bij minder bekende en moeilijker te begrijpen gedeelten van het belijden der kerk.

De commissie heeft aan de kerken ook een tekst voorgelegd van de drie oecumenische symbolen. Daarbij kwam zij in aanraking met een probleem: nedergedaald ter helle. Uitgaande van de Griekse tekst van de

Apostolische Geloofsbelijdenis — die de oorspronkelijke is — zeggen de vertalers: Hij is nedergedaald in het rijk van de dood.

Het valt buiten het bestek van dit artikel om daar een toelichting bij te geven. Het is een onderwerp apart waar al eens een dissertatie aan gewijd is. In elk geval is het onkunde of verdachtmaking, als iemand beweert dat de achtergrond hiervan is, dat men het woord hel niet graag meer horen wil of dat men de roomse voorstelling hiermee in het gevlij wil komen. De streng gereformeerde Grote Catechismus van Westminster (1647) verklaart het geloofsartikel ook in deze geest en zegt, dat Christus in de staat van de doden en onder de macht van de dood heeft verkeerd

Het probleem is ook niet zozeer, of de nederdaling ter helle in het Apostolicum te verstaan is als nederdaling in het rijk van de dood of in de staat van de doden, maar hoe de verklaring die onze Catechismus er in Zondag 16 van geeft met het geloofsartikel in deze nieuwe weergave correspondeert. De inhoud van Zondag 16 kon en wilde men niet wijzigen. De vraag luidt daarom ook als vanouds: Waarom volgt daarop: nedergedaald ter helle?

Een bruikbare tekst?

Nu is dan te overwegen, of de tekst van 1971 ook voor kerkelijk gebruik geschikt is. Kan de Apostolische Geloofsbelijdenis of de Geloofsbelijdenis van Nicea-Constan-tinopel in deze versie een element van de liturgie zijn? Mogen wij de Catechismus in deze vorm in de dienst des Woords en op de catechisatie gebruiken?

Onze laatste synode besloot tot de instelling van een deputaatschap, omdat hier in de komende jaren over gedacht zal moeten worden.

Als het om een herziening van de belijdenis te doen was geweest, zouden onze kerken er wel anders tegenover gestaan hebben, want van de noodzakelijkheid daarvan zijn wij niet overtuigd. Dat was de bedoeling echter beslist niet.

Dat zal stellig een teleurstelling zijn voor hen die menen, dat de tijd daarvoor gekomen is en dat wij b.v. met het oog op de ontwikkeling in de Rooms-Katholieke Kerk de mis niet meer een verloochening van het enige offer van Christus en een vervloekte afgoderij mogen noemen. Maar ook dat bleef staan.

Er is een vervreemding van de reformatorische confessie te constateren die ons met zorg vervult. Moeten wij daarom pogingen in het werk stellen om tot een nieuw belijden te komen? Ik dacht het niet.

Dan is het temeer van belang, dat de belijdenis door een nieuwe weergave meer toegankelijk geworden is.

De commissie die er jaren mee bezig was, sprak een wens uit, die het waard is doorgegeven te worden: De bewerking in hedendaags Nederlands moge ertoe bijdragen, dat de gemeente minder vreemd zal staan tegenover deze oude geschriften en dat zij de geestelijke schatten, die erin opgetast liggen, dieper zal verstaan

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.