+ Meer informatie

KUNNEN PASTORALE MEDEWERKERS EEN VERLICHTING BETEKENEN VOOR DE (VAAK OVERBELASTE) KERKENRAAD?

13 minuten leestijd

Inleiding

Hebben kerkenraden het echt zo druk? In de kop van dit artikel staat tussen haakjes dat kerkenraden vaak overbelast zijn. Is het echt zo erg, of is het allemaal sterk overdreven?

Echt cijferwerk heb ik niet om op grond daarvan iets te zeggen over de belasting van kerkenraden. Maar het is algemeen bekend dat het in ons kerkelijke leven niet makkelijk is om nieuwe ambtsdragers te kiezen om anderen af te lossen die hun ambtsperiode vol hebben gemaakt. Onder andere heeft dat te maken met de hoeveelheid werk die van een ambtsdrager verwacht mag worden. Je kunt in het kerkelijk leven serieuze broeders tegenkomen die van harte hun Heiland willen dienen, maar die toch laten weten dat zij in verband met hun dagelijks werk geen mogelijkheden (meer) zien om het kerkenraadswerk er nog bij te doen.

Een andere globale indicatie is de veel gehoorde klacht dat kerkenraadsvergaderingen zo lang duren. Dat heeft niet alleen te maken met vergadertechniek. Ook met de beste vergadertechniek is er zoveel te bespreken dat het snel laat wordt, of dat er extra vergaderingen ingelast moeten worden.

In gemeenten waar het al niet eenvoudig is om voldoende ambtsdragers te vinden voor het werk in de gemeente, wordt toch de bestaande hoeveelheid ambtelijk werk verdeeld over de bevestigde broeders. Kortom: veel werk wordt verdeeld over weinig schouders. Dan moet de belasting doorlopend wel erg groot zijn.

Verleden

Er is een tijd geweest dat huisbezoeken werden afgelezen bij de mededelingen vanaf de kansel. Ik weet uit eigen herinnering nog dat het zo gebeurde. Oudere gemeenteleden hebben me er meer bijzonderheden van verteld. Het ging ongeveer als volgt. De kerkenraad maakte op zondag bekend bij wie hij die week op huisbezoek zou komen. Zonder enige vorm van overleg vooraf, werd eenvoudigweg meegedeeld op welke dag en hoe laat men huisbezoek kon verwachten. Alleen wegens bijzondere omstandigheden werden de ‘afspraken’ verzet. Tegenwoordig is zo’n manier van doen ondenkbaar. Ongeveer een halve eeuw geleden kon dat nog.

Kennelijk kon de kerkenraad ervan uitgaan dat de meeste mensen op elke willekeurige avond huisbezoek konden ontvangen. Misschien dat er enige moeite voor gedaan moest worden, maar men kon praktisch op elke avond van de week thuis zijn. Je had er bij wijze van spreken niet eens een agenda voor nodig om je afspraken bij te houden. Mensen hadden minder verplichtingen. Het algemene levenstempo lag niet zo hoog als nu.

Drastisch veranderd

Ten opzichte van enkele tientallen jaren geleden is de levenssituatie van vandaag drastisch veranderd. Gemeenteleden en ambtsdragers hebben daar allemaal mee te maken. Zonder er meteen waardeoordelen over uit te spreken, noem ik een paar dingen op. Deeltijdarbeid, tweeverdienerschap, de noodzaak om bij te blijven qua kennis en vaardigheden, verdere scholing. Tal van andere ontwikkelingen in kerk en maatschappij laat ik maar rusten. De druk om te presteren is groot. Om de stress voor te blijven is het goed om wat te doen aan sport en ontspannende bezigheden. En dat kost natuurlijk ook weer tijd. Kortom: in het kerkelijk leven kunnen we er niet meer zoals vroeger met een zekere vanzelfsprekendheid van uitgaan, dat men behoorlijk wat tijd beschikbaar heeft voor kerkelijke contacten en activiteiten. Dat hoeft geen teken te zijn van onwil of ongeïnteresseerdheid, maar het geeft aan dat we in een drukke tijd leven waarin we veel meer dan vroeger heel bewust onze tijd moeten verdelen over allerlei nodige, nuttige en aangename bezigheden.

De beschikbare tijd is veel meer afgepast en moet gepland worden in een agenda waar al heel veel afspraken in staan. Dat maakt het moeilijker om elkaar te ontmoeten. Je merkt het aan de moeite die ouderlingen soms moeten doen om een afspraak te maken voor huisbezoek. Alleen al het vinden van een geschikte avond kan een probleem zijn. Kerkenraden zijn maar wat blij met broeders die ook overdag bezoeken kunnen afleggen.

Bezoekwerk

Er is nog een factor waar ik op wil wijzen. Dat is de verwachting die we tegenwoordig met elkaar hebben over het bezoekwerk. In de kerkorde lezen we dat de ouderlingen zowel voor als na het heilig avondmaal huisbezoek doen (art. 23). Het gaat mij nu niet om de vraag hoe we deze bepaling uit de kerkorde moeten doorvertalen naar onze huidige kerkelijke praktijk. Ik merk alleen op dat vanouds het werk van ouderlingen nauw verbonden is met het avondmaal en met huisbezoek. Maar van een kerkenraad worden tegenwoordig heel wat meer bezoeken verwacht. Naast huisbezoeken zijn er kennismakingsbezoeken, ziekenbezoeken, bezoeken aan ouderen, bezoeken aan mensen met levensmoeilijkheden, bezoeken aan jongeren, bezoeken wegens een jubileum, geboorte, verjaardag enz., bezoeken zonder speciale aanleiding om het contact te onderhouden, en niet te vergeten bezoeken in verband met geestelijke vragen, zorgen en noden. De lijst is bedoeld als voorbeeld. Vast en zeker kunnen er nog veel meer bezoeken aan toegevoegd worden. Veel van deze bezoeken keren met een zekere regelmaat terug. Vaak wordt meer dan een bezoek verwacht. Bijvoorbeeld: voor een operatie, tijdens de ziekenhuis-periode en na de thuiskomst. In toenemende mate krijgen kerkenraden ook te maken met crisis-pastoraat. Op korte termijn moet er dan gereageerd worden op een noodsignaal. Maar daarna volgt doorgaans een lang traject van pastorale begeleiding. Wanneer er ook nog afzonderlijk diaconaal huisbezoek plaatsvindt, krijgen ook de diakenen een behoorlijke portie bezoekwerk te doen.

Voor al dit bezoekwerk wordt bijna als vanzelfsprekend naar de kerkenraad gekeken. Maar kunnen kerkenraden dat wel opbrengen? Of een meer principiële vraag: hoort dat allemaal wel bij de kerkenraad thuis? Of is veel van het bezoekwerk in de loop der jaren ‘aangegroeid’ aan het huisbezoek, zonder achterliggende bezinning op de taak van de kerkenraad?

Toerusten tot

In Ef. 4:11–12 wordt gezegd dat Christus heeft gegeven aan Zijn gemeente: apostelen en profeten, evangelisten, herders en leraars, om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon, tot opbouw van het lichaam van Christus. Dit schriftgedeelte is (samen met nog een paar andere plaatsen uit het Nieuwe Testament) heel belangrijk voor de ambtsleer van de Reformatoren. Terecht werd de nadruk gelegd op de roeping tot het ambt door Christus. Wie tot het ambt geroepen wordt, mag weten dat Christus ook alles wil schenken om met zegen deze roeping te volgen. Centraal staat bij de Reformatoren het gegeven dat Christus zijn gemeente van de ambten voorziet. Christus regeert zijn Kerk als Koning. Bij die regering maakt Hij gebruik van mensen in zijn dienst.

Nu er bijna 500 jaar verstreken zijn sinds het begin van de Reformatie, kan de vraag gesteld worden of wij tegenwoordig nog genoeg recht doen aan het doel waartoe Christus de ambtsdragers heeft gegeven aan de gemeente: om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon (Ef. 4:12), opdat de gemeente als lichaam van Christus zichzelf opbouwt in de liefde (Ef. 4:16). Vanuit dit schriftgedeelte is het duidelijk niet de bedoeling dat de kerkenraad alles alleen doet en de gemeente niets. Het gaat er juist om dat gemeente en ambtsdragers ieder op hun eigen plaats bezig zullen zijn met het geloof en van daaruit met de opbouw van het lichaam van Christus. Een gemeente is nog geen pastorale gemeente omdat de dominee en de ouderlingen pastorale zorg en aandacht geven. Het gaat er juist om dat de hele gemeente oog heeft voor elkaar. De gemeente is nog lang niet klaar met haar diaconale roeping als de diakenen hun werk goed doen. In de diaconale gemeente hebben alle gemeenteleden oog voor diaconale noden en mogelijkheden dichtbij en verder weg.

Werk in de gemeente wordt niet pas waardevol als het door ambtsdragers gedaan wordt. Alle gelovigen afzonderlijk hebben genadegaven (charismata) ontvangen van de Heilige Geest om daarmee het geheel van de gemeente te dienen (Rom. 12:5–8; Ef. 4:7). leder lidmaat van Christus mag met zijn eigen mogelijkheden en beperkingen ingeschakeld worden bij de opbouw van de gemeente in het geloof en in de liefde.

Pastorale medewerkers

Nadenken over de mogelijkheden van pastorale medewerkers in de gemeente gebeurt dus niet alleen wegens de grote werkdruk op de kerkenraden. Het heeft ook te maken met een stukje bezinning op de plaats en de taak van ambtsdragers en van de gemeente zelf.

Overigens gaat het mij in dit artikel niet om ‘professionele’ pastorale werkers. Ook in onze kerken komt het wel voor dat een kerkenraad een pastorale werker in dienst neemt. Het gaat dan vaak om een grote gemeente. De pastorale werker heeft een vaste betrekking met een gepaste financiële vergoeding. Waar het mij om gaat zijn pastorale medewerkers die, net als bijvoorbeeld wijkdames, zonder financiële vergoeding een bepaalde taak vervullen in de gemeente.

Is het nodig?

Misschien dat niet iedere kerkenraad het nodig vindt om pastorale medewerkers aan te stellen. Als alles goed gaat in de gemeente, waarom zou je er dan aan beginnen? Er zijn ook kerkenraden die trouw en met grote inzet alles eraan doen wat in hun vermogen ligt om de gemeente pastoraal te bearbeiden, en toch het gevoel houden dat bepaalde gemeenteleden niet genoeg aandacht ontvangen. Soms komt dat door heel praktische oorzaken. Denk bijvoorbeeld aan een ouderling die overdag zijn gewone werk doet en gemeenteleden (vooral ouderen) die al vroeg in de avond liever geen bezoek meer ontvangen. Of denk aan gemeenteleden die meer pastorale begeleiding nodig hebben dan mogelijk is in een bezoek per twee of drie maanden. Er kunnen ook zieken zijn of ouderen die uit hun familie weinig bezoek (kunnen) krijgen en daardoor het gevaar lopen te vereenzamen. Dan is er behoefte aan pastorale zorg en aandacht. Er kunnen zich ook situaties voordoen waarin gemeenteleden aangeven dat ze naast een ambtsdrager ook graag zouden willen praten met een vrouw. Ik denk bijvoorbeeld aan de begeleiding van incest-slachtoffers of bezoek aan gemeenteleden (dat kunnen ook kinderen zijn!) met een langdurige psychische ziekte. Vrouwen vol van wijsheid en geloof kunnen daarin heel zinvol bezig zijn (denk aan het werk van de ‘klaagvrouwen’ dat de laatste jaren bekendheid heeft gekregen).

Nu zijn kerkenraden erg blij met het bezoekwerk van bijvoorbeeld de wijkdames. Ook zijn er gemeenteleden die spontaan bij anderen op bezoek gaan. Dat is heel belangrijk voor de onderlinge band in de gemeente. Al deze bezoeken kunnen geestelijk en pastoraal van toon zijn, maar dat is lang niet altijd het geval. Dat hoeft ook niet, want het werk van de wijkdames en de onderlinge aandacht in de gemeente voor elkaar is niet allereerst gericht op pastorale zorg.

Zijn er mogelijkheden?

Wanneer de behoefte wordt gevoeld aan meer pastorale aandacht dan de kerkenraad kan geven, zijn er dan mogelijkheden om daaraan tegemoet te komen? In het register van de kerkorde (uitgave 1999) is wel wat te vinden over pastoraat in de gezondheidszorg en pastorale arbeid die in verband staat met scholen en het bedrijfsleven, maar de pastorale medewerker in de gemeente komt er niet in voor.

Wie op zoek gaat in de kerkgeschiedenis komt voorbeelden tegen van gemeenteleden die geen ambt bekleden en toch betrokken waren bij de pastorale zorg in de gemeente. Zo waren er bijvoorbeeld ziekentroosters en diaconessen. O.a. G. Voetius (een zeventiende eeuwse Nederlandse theoloog) schrijft over het werk van ziekentroosters. Zij gingen bij zieken op bezoek en gebruikten daarbij de ‘ziekentroost’ (in veel kerkboeken nog achterin te vinden). Zij lazen stukken uit de bijbel voor en deden een gebed.

Diaconessen waren er al heel vroeg in de eerste eeuwen van de kerkgeschiedenis. In de tijd van de Reformatie keren ze weer terug. Ze maken dan geen deel uit van de kerkenraad, maar verrichten wel allerlei werk om in de meest brede zin van het woord te dienen in de gemeente.

Met het voorbeeld van de vroegere ziekentroosters en diaconessen voor ogen, zouden tegenwoordig ook gemeenteleden onder verantwoordelijkheid van de kerkenraad ingezet kunnen worden bij de pastorale bearbeiding van de gemeente.

Aanzetten in de richting van de praktijk

Om pastorale medewerkers of -werksters in de gemeente te kunnen inzetten, moeten een aantal zaken wel goed geregeld worden. Zulke afspraken kunnen in een reglement opgeschreven worden, zodat de gemeente, de kerkenraad en de pastorale werk(st)ers zelf goed weten waar ze aan toe zijn.

Ik zou ervoor willen pleiten om in zo’n reglement in ieder geval op te nemen:

- aan welke eisen iemand moet voldoen om benoemd te kunnen worden (belijdend lidmaat, in staat om een pastoraal gesprek te voeren, bereid om uit de bijbel te lezen en voor te gaan in gebed);

- wie de benoeming doet en voor hoelang;

- wie benadert de pastorale werk(st)er voor een bezoek? de gemeenteleden zelf, de wijkouderling of de predikant?

- aan wie wordt het werk gerapporteerd;

- het is een goede zaak om ook een zwijgplicht af te spreken voor de pastorale medewerk(st)ers, want pastorale gesprekken kunnen een zeer vertrouwelijk karakter hebben;

- hoe is de vergoeding van eventuele onkosten geregeld?

Aanvulling, geen vervanging

Het is niet de bedoeling dat na het aanstellen van pastorale medewerk(st)ers wijkouderlingen opeens helemaal geen bezoeken meer doen buiten het huisbezoek. Pastorale medewerk(st)ers zijn er niet om alles op af te schuiven. Zij doen werk waar wijkouderlingen niet aan toe komen. Het is een aanvulling op en niet een vervanging van het ambtelijk werk (w.o. huisbezoek) in de gemeente. Daarom dienen ze nauw samen te werken met de wijkouderlingen en eventueel de wijkteams.

Er is nog een reden om het werk van pastorale medewerk(st)ers te zien als aanvulling en niet als vervanging van het werk van ambtsdragers. Dat heeft te maken met het ambtelijk karakter van het werk van kerkenraadsleden. Bij dat ambtelijke hoort — zoals eerder in dit artikel gezegd — het toerusten van de gemeente. Maar daar is niet alles mee gezegd. Bij het ambt hoort ook het spreken met gezag uit naam van Christus. Ambtsdragers zijn immers door Hem geroepen (zie de eerste vraag uit het formulier voor de bevestiging van ambtsdragers). Zij handelen niet op eigen gezag, maar in opdracht van Christus: ‘wie u ontvangt, ontvangt Mij, en wie Mij ontvangt, ontvangt Hem die Mij gezonden heeft’ (Mat. 10:40; vgl. Joh. 13:20). Volmacht en gezag van het ambt staan daarom niet op zichzelf, maar zijn nauw verbonden met de regering van Christus door zijn Geest en Woord: wat ambtsdragers tot heil van de gemeente mòeten en mogen zeggen op grond van Gods Woord, heeft gezag in de kerk. Er kunnen pastorale situaties voorkomen, waarin vermaand of gecorrigeerd moet worden. Zulke omstandigheden zijn er een voorbeeld van dat ambtelijke volmacht en gezag in de gemeente een eigensoortig gewicht hebben dat niet vervangen kan worden door het werk van pastorale werk(st)ers.

Zinvol

Wanneer de aanstelling en het werk van pastorale medewerk(st)ers goed geregeld wordt, kan het een zinvolle aanvulling zijn op het werk dat vanuit de kerkenraad in de gemeente gebeurt. Daarbij houdt de kerkenraad ten volle zijn eigen ambtelijke verantwoordelijkheid en de gemeente wordt meer ingeschakeld om werkelijk pastorale gemeente te zijn, waar allen samen oog hebben voor elkaar.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.