+ Meer informatie

PREEK EN HUISBEZOEK OP DE AGENDA VAN DE KERKERAAD

9 minuten leestijd

De redactie werd attent gemaakt op de wenselijkheid aan bovengenoemd onderwerp een artikel te wijden. Het komt nu zo uit, dat in dit najaar nogal wat aandacht wordt gegeven aan de relatie kerkeraad en predikant. Het nu te behandelen onderwerp is breder. Het betreft ook het verslag dat ouderlingen doen over de afgelegde huisbezoeken. Laat ik met dit laatste mogen beginnen. Dit verslag is geen formaliteit. Het bestaat ook niet enkel in de vermelding van het feit dat er bij die en die gemeenteleden huisbezoek is gedaan. Zou het verslag niet meer zijn dan alleen deze mededeling, dan zouden de broeders kunnen volstaan met de invulling van de datum op een daarvoor bestemde lijst, voorzien van hun paraaf.

Wat is de bedoeling van „het verslag-huisbezoek”? In de eerste plaats een indruk te geven van het desbetreffende gezin of gemeentelid. De broeders die het bezoek brachten, moeten bij monde van een van hen eigen indruk samenvatten. Daarbij zal betrokkenheid bij de kerkdiensten en het gemeentelijke leven voorop staan. Zo mogelijk ook iets over gezinsomstandigheden, en bijzonderheden van het ogenblik. Als er geen bijzondere dingen te melden zijn, kan met een kort verslag worden volstaan; daarbij kan herinnerd worden aan wat in verband met een vorig bezoek is gezegd. Belangrijk is wel dat over geestelijke groei of achteruitgang of stilstand iets wordt gezegd!

Terwijl ik dit zo neerschrijf, overvalt mij de gedachte, dat sommige lezers, vooral wel niet-kerkeraadsleden, dit een onsympathieke manier van doen vinden. Zo sta je er dan op bij de kerkeraad. Zo wordt je dan getypeerd of geportretteerd. Zo wordt er over je gepraat, zou de conclusie kunnen zijn.

Met opzet noem ik dit bezwaar. Het zou ook bij ouderlingen zelf kunnen leven. Het zou hen ertoe kunnen brengen om uiterst summier en formeel te rapporteren. Ik zou dat betreuren en onjuist achten. De ouderlingen zijn belast met de zorg voor de zielen, om deze oude uitdrukking maar even te gebruiken. Die zorg geldt wel heel in het bijzonder de gemeenteleden uit de eigen wijk. Er is echter ook een gemeenschappelijke zorg en verantwoordelijkheid. Men moet die zorg ook met elkaar delen en samen dragen.

Ik vind deze weergave van indrukken (in dit verband wellicht een betere term dan: rapportage of verslaggeving) ook belangrijk met het oog op de eigen predikant. Hij komt - mogen we aannemen - regelmatig in de gezinnen, maar kan toch niet zelf elk jaar overal huisbezoek doen. Hij moet - ook met het oog op de prediking - weten wat er in de gemeente leeft. Hij moet bovendien tijdig gewaarschuwd worden, als er zich situaties (gaan) voordoen, waarin zijn hulp nodig is. De predikant moet van het gesprek over de afgelegde huisbezoeken in het bijzonder kennis nemen. Hij moet, indien nodig, iets verder vragen, aantekeningen maken, en - in overleg met de wijkouderling - zelf aan de betreffende gemeenteleden een bezoek brengen.

Moet de ouderling aantekeningen maken? Dat hangt sterk van de persoon af. De een onthoudt gemakkelijker dan de ander. Soms verloopt er een lange tijd tussen het afleggen en het op de kerkeraadsvergadering bespreken van het huisbezoek. Met name in het laatste geval, maar ook wel zonder die lange tussentijd, lijkt het mij goed om enkele punten, trefwoorden, karakteriseringen op te schrijven. Deze zijn dan een soort geheugensteuntje voor de ouderling. Het gaat uiteraard niet om uitvoerige aantekeningen, ook niet om een overzicht van het verloop van het gesprek. Het gaat om wat wezenlijk verteld of gemeld moet worden.

Als het bezoek door twee broeders gebracht wordt, moet afgesproken worden wie het verslag ter kerkeraadsvergadering doet. Het kan goed zijn de indrukken met elkaar te vergelijken en af te spreken wat er in hoofdlijnen zal worden gezegd.

Klinkt dit alles niet erg formeel? Dat hoeft niet het geval te zijn! De tegenstelling van het hier voorgestelde is naar mijn gedachte: dilettantisme. Dat is niet bevorderlijk voor de gemeente noch voor het werk. Daarom zou ik zeggen: liever wat meer punctueel en formeel, dan slordig of nonchalant in de weergave van wat besproken is.

Dit alles luistert nog nauwer als het om kritiek gaat die via de ouderlingen naar de kerkeraad wordt gebracht. Als ambtsdragers beloven deze kritiek over te brengen, moeten ze dat ook doen. Zijn ze dat niet van plan, dan moeten ze dat zeggen en geen toezegging doen. Wat voor indruk krijgen gemeenteleden, als blijkt dat hun vragen, bezwaren of wensen niet naar de kerkeraad zijn overgebracht, terwijl wel beloofd was dat te doen! Dan zit de zaak slecht in elkaar en werkt het niet goed. Dat wekt desinteresse! Gemeenteleden moeten er zeker van zijn dat wat ze de kerkeraad willen laten weten, ook overgebracht en besproken wordt, zelfs als het gaat om minder aangename onderwerpen of punten. Terwille van de neteligheid van het onderwerp of het precaire (bijvoorbeeld voor de predikant) moeten de zaken niet verzwegen of „vergeten” worden. De ambtsdragers kunnen wel zeggen: „Het ligt op uw weg om dit zèlf te gaan bespreken. Dat is niet onze taak.” Dan weet het gemeentelid ook waar hij of zij aan toe is. Maar een belofte om het over te brengen, moet ingelost worden!

Het kan ook zijn dat het om uiterst vertrouwelijke dingen gaat. In dat geval moet met de mensen zelf besproken worden, wat er aan de kerkeraad meegedeeld wordt en wat niet! Hierover moet een duidelijke afspraak gemaakt worden, opdat noch de gemeenteleden noch de ambtsdragers voor onaangename verrassingen of feiten komen te staan. Openheid impliceert ook overleg over wat wel of niet gezegd zal worden. Juist bij zulke neteligheden is het goed dat er twee ambtsdragers bij het gesprek zijn. Zij kunnen elkaar helpen en ook, indien nodig, laten bevestigen, wat er besproken of afgesproken is. Mochten mensen bepaalde dingen beslist niet aan de kerkeraad verteld of gemeld willen hebben, tenzij ze de ambtsdragers bezwaren, dan is het mogelijk de predikant, of bij zijn afwezigheid die broeder die hem als voorzitter vervangt, erin te betrekken. Dat moet niet gebeuren zonder medeweten van het gemeentelid. De ambtsdrager kan enige druk op dat lid uitoefenen om met de voorzitter van de kerkeraad op zijn minst te delen wat hem bezwaart.

Uiteraard hebben kerkeraadsleden het recht nadere informatie te vragen, als de huisbezoeken verslagen worden. De kerkeraad moet een zo duidelijk mogelijk beeld hebben van gezin of gemeentelid. De predikant moet een deel van zijn informatie mede uit deze berichtgeving verkrijgen! Laat hij vooral luisteren, vragen en zich voornemen zelf een gesprek te voeren, indien dit nodig blijkt.

Dit alles valt onder het ambtsgeheim; aantekeningen vallen onder diezelfde regel. Ze moeten zo bewaard worden dat niemand ze onder ogen krijgt. Ze moeten na gebruik of na beëindiging van de ambtsperiode vernietigd worden. Ze horen niet thuis in een soort persoonlijk archief. Tot het aanleggen van zo’n verslagarchief is een ambtsdrager niet gerechtigd. Wat vastgelegd moet worden dient in het notulenboek van de kerkeraad een plaats te krijgen, niet in een particulier archief. De aantekeningen zijn een hulpmiddel met het oog op de weergave ter kerkeraadsvergadering. Ik kan me voorstellen dat ze bewaard worden zolang de ouderling in die bepaalde periode en in die wijk dienst doet. Als dat afgelopen is, heeft hij niet het recht de aantekeningen voor zichzelf, als een soort privé-verslag, te bewaren!

Hierna wil ik iets zeggen over het gesprek van de kerkeraad met de predikant over de prediking. Reeds eerder heb ik voorgesteld dit onderwerp regelmatig op de agenda van de kerkeraad te zetten. Dat moet niet gebeuren om te kritiseren of bij wijze van inspectie. Bedoeling is de predikant te helpen en, zo mogelijk en indien nodig, te steunen. Men kan onder verschillende gezichtspunten over de preek praten. Daar is in de eerste plaats de moeilijkheidsgraad van de preken: zijn ze te vol om verwerkt te kunnen worden? Zijn ze te simpel om echt te kunnen stichten? Dan is er de vraag naar het praktisch karakter van de prediking. Staan de dominee en zijn preken dicht genoeg bij de mensen? Of is er een afstand, waardoor zij niet echt begrepen worden en zij ook niet echt inwerken op de mensen? Belangrijk is ook of zowel ouderen als jongeren (onder wie opgroeiende kinderen) hem begrijpen. Dan is er de vraag naar de geestelijke diepgang en de geestelijke leiding. Men bedenke wat professor Kremer daarover heeft geschreven in zijn bundel „Priesterlijke prediking”. Alle studenten moeten voor hun kandidaatsexamen dat boek lezen en de inhoud zich eigen maken. Een hoofdstuk uit dat boek zou een aanknopingspunt kunnen zijn voor een gesprek over geestelijke leiding in de prediking. Het is goed om reacties van dankbaarheid en erkentelijkheid aan de dominee door te geven. Datzelfde moet ook gebeuren, als het om andere, minder prettige reacties gaat. De predikant moetervan afweten en erop in willen gaan. Laat de dominee zelf ook iets vertellen van zijn moeiten en van zijn inspanning om een preek te maken. Dat wekt begrip. Wij behoeven ons als ambtsdragers voor elkaar niet groot te houden. Eikaars zorgen moeten we delen in plaats van vermeerderen.

Preekbespreking moet een vast punt zijn op de agenda. Dat voorkomt dat de broeders erover willen praten, als er spanningen zijn of als er kritiek is. Juist als het een vast punt is, heeft het gesprek iets ongedwongens! Het staat niet onder druk.

Het is niet de bedoeling dat elke ouderling de preek krijgt waar hij het meest op gesteld is, of dat de predikant gaat preken zoals de favoriet van de betreffende ouderling het doet. Iedere predikant heeft zijn eigen gaven. Men mag niet vragen of verwachten wat de predikant niet heeft.

IJver, inspanning, en bereidheid om te luisteren en kritiek te verwerken mogen wel verwacht worden. Ik moge wat dit laatste betreft met instemming verwijzen naar het artikel „Kerkeraad en predikant” van mijn broer, K.J. Velema (AC 1986, blz. 664-666). Om de heldere en evenwichte wijze waarop daar de wederzijdse verplichting onder woorden is gebracht, ga ik er nu niet verder op in.

Als laatste punt wil ik noemen het feit dat ook een predikant zijn geestelijke inzinkingen kan hebben. Wat is het belangrijk dat hij dan opgevangen wordt, doordat ambtsdragers dat probleem herkennen. Zij moeten dan hun predikant met woorden en gebed steunen! Het is voor een predikant een zegen te merken dat er geluisterd wordt door de ambtsdragers; niet alleen om zelf iets te ontvangen, maar ook om de predikant te helpen. Daar moet de dominee dan wel van gediend zijn!

Als het er echt om te doen is samen de gemeente te dienen, kunnen gesprekken over de prediking heilzaam en stimulerend zijn! Daarnaar streve men in evangelische coöperatie.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.