+ Meer informatie

Naar de CATECHISATIE

8 minuten leestijd

14

HET SABBATSGEBOD (vervolg)

Wij gaan er dus van uit, dathetsabbatsgebod gegrond ligt in Genesis 2 : 2 en 3.

De laatste tijd is deze zaak weer onderwerp van discussie geworden. Men ontkent dit of men trekt het in twijfel. Men zegt: dit staat niet in Gen. 2. Maar ook hierbij geldt het: hoe leest u?

De kroniekschrijver van het „Gereformeerde Weekblad” brengt in het nr. van 23 juli 1966 van dit blad ter sprake één van de artikelen van de hand van Ds. J. H. Velema over „De zondag in het geding”.

Deze artikelen bevatten behartigenswaardige dingen. Ds. Velema bedoelt met ernst de noodzakelijke heiliging van de dag des Heeren voor te staan.

Jammer is echter dat al te zeer de zondag wordt losgemaakt van het vierde gebod. We zijn het daarom geheel eens met de kroniekschrijver van het „Gereformeerd Weekblad” wanneer hij opmerkt:

„Ik wil niet tegenspreken, dat sabbat en zondag niet met elkaar gelijk gesteld kunnen worden, maar wanneer men elk verband tussen deze twee verbreekt, waar komt men dan uit? En toch gebeurt dit in onze tijd maar al te vaak”.

Dan citeert de kroniekschrijver één en ander uit een artikel van Ds. Velema. In dit artikel geeft Ds. Velema een samenvatting over de meningen in de Chr. Ger. Kerken, hoe er in onze kerkelijke kring gedacht wordt over de zondag. Daarbij belicht hij drie elementen uit de artikelen van prof. Kremer, welke ruim 4 jaar geleden in de „Wekker” zijn geschreven. Het eerste element, zo schrijft Ds. Velema, is de gedachte, dat er met de komst van Christus een geheel nieuwe orde van zaken is aangebroken. De allesomvattende betekenis van het nieuwe verbond werkte zodanig door, dat men los kwam van de Joodse sabbat, en overging op de viering van de dag der Opstanding van Jezus Christus als de bijzonder geheiligde dag des Heeren. „Nergens in het N.T. valt echter aan te wijzen, dat men het vieren van de eerste dag zag tegen de achtergrond van het vierde gebod. Men leefde uit de geheel nieuwe orde, waarin alles nieuw was geworden. Wie toch vast wilde houden aan de ordeningen van het oude verbond, wordt ernstig vermaand dit niet te doen”.

Dan wijst Ds. Velema op een opmerking van Prof. Dr. Oosterhoff in zijn artikel „Hermeneutiek van de wet” inhet jaarboek van 1965. De professor zegt dat er niets op wijst — gegeven Ex. 34:21 — dat de twee daar genoemde feesten tijdelijk zijn en de sabbat eeuwig is. De sabbat onder Israël is een verdwijnende en voorbijgaande vorm. Het lijkt prof. Oosterhoff dan ook onjuist om van de sabbat als een scheppingsordonnantie te spreken. „Gen. 2 : 3 behoeft in het geheel niet te betekenen, dat de sabbat bij de schepping is ingesteld, of dat ze in alle eeuwen door alle volken moet onderhouden worden”. Een rechtlijnig beroep op de oud-testamentische sabbatsteksten — b.v. Jes. 58 — met betrekking op onze zondag is dus misplaatst”. De kroniekschrijver van het „Gereformeerd Weekblad” merkt hierbij op:

„Ik kan me toch in deze opvattingen niet vinden, daar dan immers het vierde gebod van de Wet des Heeren geen zin meer heeft voor ons. Dat kunnen we dan beter schrappen wanneer de wet voorgelezen wordt in de kerkdiensten”.

We zijn dit met de kroniekschrijver eens, die zich dan ook beter kan vinden in hetgeen CALVIJN opmerkt bij Genesis 2: 3, waarvan hij enkele gedachten overneemt en wel:

„God nu zegende de zevende dag. Derhalve heiligt God de zevende dag door die te verheffen, opdat hij met een bijzonder recht onder de andere zou uitmunten. Hieruit blijkt ook dat God altijd rekening houdt met de mensen. Boven heb ik gezegd, dat zes dagen besteed zijn aan het scheppen der wereld, niet omdat God de opvolging van tijd nodig had, want voor Hem is een ogenblik gelijk aan duizend jaren, maar om ons te bepalen bij de beschouwing Zijner werken. Hetzelfde doel beoogde Hij met Zijn rust, want Hij bestemde een dag, uit de overige genomen, tot dit bijzonder doel. En daarom is die zegening niets anders dan de plechtige wijding, waarmee God Zich de neigingen en bezigheden der mensen op de zevende dag toeëigent. Wel past ons deze beschouwing gedurende het gehele leven, en hebben wij ons dagelijks te oefenen om de grote goedheid Gods, Zijn rechtvaardigheid, kracht en wijsheid in deze grote schouwplaats van hemel en aarde op te merken. Doch wijl de mensen, soms minder ijverig dan billijk is, daarop zouden letten, is de zevende dag bijzonder uitgekozen om aan te vullen wat aan de voortdurende beschouwing ontbreekt.

Eerst dus heeft God gerust, vervolgens heeft Hij die rust gezegend, opdat ze door alle eeuwen onder de mensen heilig zou zijn, of liever, elke zevende dag heett Hij aan die rust gewijd, opdat Zijn voorbeeld een eeuwigdurende regel zou zijn.....

Kortom, die is de heilige roeping, die de mensen aan de beslommeringen der wereld ontrukt en hen geheel aan God toewijdt. Maar omdat de mensen zo traag zijn om Gods rechtvaardigheid, wijsheid en kracht te roemen en Zijn weldaden te overdenken, dat zij, schoon ernstig vermaand, toch gevoelloos zijn, is door het voorbeeld Gods een sterke prikkel erbij gevoegd en het bevel aangenaam gemaakt. Want God kan ons niet vleiender lokken tot gehoorzaamheid, noch krachtiger opwekken dan doordat Hij ons nodigt en aanspoort om Hem na te volgen. Voorts moet men weten dat deze oefening niet slechts voor een tijd of volk, maar voor het gehele menselijk geslacht is. Later is in de wet een nieuw voorschrift over de sabbat gegeven, dat in ’t bijzonder was voor de Joden en wel voor een tijd, want dit was een wettelijke plechtigheid, de geestelijke rust afschaduwende, waarvan in Christus de werkelijkheid is verschenen..... En daarom, als we horen, dat de sabbat met Christus’ komst is afgeschaft, moet de onderscheiding worden toegepast, wat behoort tot de blijvende regeling van het menselijk leven en wat eigen is aan de oude schaduwen, welker gebruik is afgeschaft toen de vervulling is gekomen. De geestelijke rust is de doding des vieses, zodat de kinderen Gods niet meer zichzelf leven, noch aan eigen wil toegeven. Dat de sabbat deze afschaduwde is tijdelijk geweest, hetgeen echter de mensen van den beginne was bevolen, nl. zich te oefenen in de dienst van God, behoort rechtens tot het einde der wereld te duren”.

Wat bepaalde de Nationale Synode van Dordrecht?

1. In het vierde gebod is iets ceremonieels en iets moreels.

2. Ceremonieel is geweest de rust van de zevende dag.

3. Moreel, dat een zekere, gezette dag de godsdienst zij toegeëigend en daartoe zoveel rust, als de godsdienst en de heilige betrachting daarvan van node is.

4. De christenen moeten de zondag volmaakt heiligen.

5. Deze dag is in de oude katholieke kerk altijd onderhouden geweest.

6. Op die dag moet men rusten van alle slaafse arbeid ( uitgezonderd die de liefde en de noodzakelijkheid vereisen) mitsgaders alle reculatiën, die de godsdienst verhinderen.

Bij het derde punt gaat het dus over de morele waarde van het vierde gebod. Dat is HET BLIJVENDE, voor alle tijden namelijk: dat een zekere, bepaalde dag als rustdag, als sabbatdag worde gevierd. Onze vaderen bedoelden hier heen te wijzen naar de overgang van de zevende naar de EERSTE dag der week, de dag van Christus’ opstanding uit de doden. (Hierover nader in een volgende les).

Ursinus, één van de godvruchtige opstellers van de Heidelbergse Catechismus, keert zich scherp tegen hen, die deze heiliging houden voor JOODSE OVERBLIJFSELEN.

Wat dus het morele, het blijvende is van het vierde gebod, de heiliging van de sabbatdag, rust in de schepping. God „heiligde dezelve” wil zeggen: God verlustigde Zich in Zijn werken. Dit „heiligen” raakt Gods leven zelf. Maar dit betekent ook, dat God Zijn leven stelde ten voorbeeld van de mens, Zijn beelddrager! (zie onze vorige les nr. 13).

In Jeremia 17 lezen we, dat Jeremia het volk moet betuigen: „Gij zult de sabbat heiligen, gelijk Ik uw vaderen geboden heb”. Deze dag (d.i. nu dus de EERSTE dag) moet geheel staan in het teken van „sabbatswerk”, alge-hele toewijding aan de Heere en Zijn dienst (Zondag 38).

Voor velen, en dan denken we vooral aan onze kinderen en aan onze jongeren, is de zondag, de dag des Heeren, een moeilijke dag. Maar dat zit niet in die dag zelf, maar in ons afkerige, boze hart.

O, storte de Heere Zijn liefde uit in ons hart, bewerke Hij ons en onze kinderen tot die hartelijke en oprechte keus, de Heere te kennen en te vrezen, Hem te dienen. Het is de keus van het geloof als bij Mozes, Ruth en vele anderen. Dàn wordt ’s Heeren gebod een LIEFDE-gebod, waarvan Johannes schrijft: „En Zijn geboden zijn niet zwaar”.

Prijzen we die liefde-dienst bij anderen en bij onze kinderen aan! Kent en beleeft u echter zélf het zalig genot van die dienst?

R’dam-West

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.