+ Meer informatie

De brieven van Marx en de fijnenhaat van Engels

8 minuten leestijd

De 19e-eeuwse jood Karl Marx houdt nog steeds de gemoederen bezig. Geen wonder, want hoe men ook oordeelt over zijn ideeën, hij heeft onmiskenbaar een wereldbeweging op gang gebracht. Communisten en radicaal-socialisten van diverse pluimage — hoewel onderling vaak fel verdeeld — beroepen zich nog steeds op hem.

Vandaar dat er in de loop der iaren niet alleen een groot aantal boeken over Marx verschenen zijn, maar dat ook zijn nagelaten geschriften vele malen herdrukt en vertaald zijn.

In de jaren zestig publiceerde de Oostduitse Dietz Verlag in 45 delen de complete werken van Karl Marx. en zijn medestander Friedrich Engels. In totaal zo'n 30.000 à 35.000 pagina's. Bij dezelfde uitgever verscheen trouwens ook het complete — in het Duits vertaalde — werk van Lenin (in 44 delen van gemiddeld zo'n 600 pagina's). En voor wie daaraan nog niet genoeg mocht hebben, heeft Dietz ook nog de geschriften van de Duitse revolutionairen Karl Liebknecht (9 delen à 500 pag.) en Rosa Luxemburg (6 delen à 600 pag.) gepubliceerd.

Van de Dietz-uitgave van de „Marx Engels Werke" zijn niet minder dan 13 banden gevuld met hun (onderlinge) briefwisseling. Een selectie daaruit is onlangs bij de Haarlemse uitgeverij De Haan (Unieboek) in een Nederiandse vertaling verschenen. Onder de titel „De brieven van Marx" zijn 366 brieven die Karl Marx in de loop der jaren geschreven heeft, in twee delen (totaal 539 pag.) gepubliceerd. De prijs is „slechts" 65 gulden voor beide delen, aangezien de uitgave met steun van het Prins Bernhard Fonds tot stand kwam.

Geen telefoon
Voor wie grondig kennis wil maken met de persoon van Karl Marx, heeft deze bronnenpublikatie ongetwijfeld een grote waarde. In de tijd van Marx, toen de telefoon nog niet zijn intrede had gejjaan, waren brieven immers een belangrijk communicatiemiddel. En voorzover die brieven niet vernietigd werden of zoek raakten, kon het nageslacht er bij zijn historisch onderzoek dankbaar gebruik van maken.

Alleriei zeer menselijke dingen komen daarin aan de orde. We vernemen in deze brieven van de steenpuisten waardoor Marx voortdurend gekweld werd. Dat de vrouw van Marx een zeer kwaadaardige aanval van de pokken kreeg te doorstaan, hoewel ze tweemaal was ingeënt. Dat de dienstbode moest bevallen van een onecht kind, dat Marx niet als het zijne wilde erkennen en van wie hij Engels het vaderschap, in de schoenen wilde schuiven. Wij vernemen ook van de talrijke vetes tussen de verschillende revolutionaire ballingenleiders.

Vooral in zijn eerste Londense jaren werd Marx geteisterd door een chronisch geldgebrek. Soms was zijn gezin de hongerdood nabij. Tal van brieven zijn dan ook niet anders dan bedelbrieven. Als medewerker van bepaalde bladen had hij wel af en toe wat inkomsten, maar veel te weinig om er met zijn gezin van te leven.

Voor een belangrijk deel werd hij onderhouden door zijn vriend Engels, die weer in het zakenleven was gegaan. Uit de winsten die Engels maakte (marxistisch gezien door uitbuiting van de arbeiders!) werden Marx en zijn gezin in leven gehouden.

Lion Philips
Vergeefs probeerde Marx ook geld los te krijgen van zijn moeder (de Oude Dame), die toen al lang weduwe was. Had Karell maar kapitaal gemaakt in plaats van er over te schrijven, zo was haar verzuchting.

Door zijn moeder, die in Nijmegen geboren was, had Marx ook connecties met ons land. Verschillende malen vertoefde hij bij zijn oom Lion Philips in Zaltbommel. Die Lion Philips was de grootvader van Anton en Gerard Philips, de stichters van het Philipsconcern. Zij slaagden er wel in om kapitaal te maken.

Uit zijn brieven komt Marx niet naar voren als een sympathieke persoonlijkheid. Maar hi- maakt ook niet per se een onsympathieke indruk. Duidelijk is wel dat hij zichzelf en zijn gezin opofferde aan zijn maatschappelijke idealen, idealen die — in het licht van de Bijbel gezien — niet anders dan als misleidend moeten worden beschouwd.

Met zijn vrouw Jenny von Westphalen (van adellijke afkomst) heeft hij bijna veertig jaar lang lief en leed gedeeld. Van hun zes kinderen stierven er twee op de leeftijd van één jaar en één toen het zeven jaar oud was. Slechts twee kinderen overleefden Marx. Beiden pleegden later zelfmoord!

Entreebiljet
De godsdienst vervult in de hier gepubliceerde brieven van Marx vrijwel geen rol van betekenis. In een brief uit 1842 is er sprake van een artikel over christelijke kunst dat hij zou schrijven. De vertalers vonden het kennelijk het meest passend om de daar aangehaalde bijbelteksten in een antieke statenvertalingsversie weer te geven („Uw woord is eene lamp voor mijnen voet"). Als Marx in 1864 weer eens bij zijn Zaltbommelse oom logeert, schrijft hij aan Engels dat het hem opgevallen is dat de Duitse kritisch-theologische richting in Holland openlijk vanaf de kansel verkondigd wordt.

Toen Karl Marx zes jaar was, ging het gezin over naar de Lutherse kerk en werd ook hij gedoopt. Voor zijn joodse ouders was dat niet zozeer een godsdienstige, als wel een sociale en culturele daad. Het doopbewijs was voor hen — zoals de Duitse dichter Heine het uitdrukte — het entreebiljet voor de Europese cultuur. Het is een bedroevende zaak wanneer het sacrament van de Doop die functie krijgt.

Door de doop bracht de familie Marx tot uitdrukking dat zij niet apart wilden blijven staan als leden van een joodse minderheid die slechts geduld werd, maar dat ze volop deel wilden hebben aan de „verlichte" cultuur en de liberale maatschappij van hun dagen. Hun godsdienst was de natuurlijke en redelijke religie, die ook in de kerk waartoe zij voortaan behoorden, de overhand had. Met de bijbelse boodschap van zonde en genade had dit eigenlijk niets meer te maken.

Friedrich Engels
Geheel anders was dat bij de meest intieme vriend van Karl Marx, Friedrich Engels. Afkomstig uit Elberfeld had hij duidelijk een piëtistisch getinte opvoeding gehad. Maar de jonge Friedrich werd helaas al spoedig bekoord door de „moderne" geest van zijn dagen. Zowel op politiek-maatschappelijk gebied als in godsdienstig opzicht.

Uit zijn nagelaten brieven, die zijn opgenomen in de eerder genoemde Marx Engels Werke, komt naar voren dat hij het Elberfeldse geloof in het gezag en de historische betrouwbaarheid van de bijbel, niet meer kan aanvaarden. „Ik begrijp niet — zo schrijft de 18-jarige Engels aan de theologiestudent Friedrich Gräber, die hij uit zijn gymnasiumtijd kende — hoe men nog kan trachten aan het woordelijk geloof in de Bijbel vast te houden of de onmiddellijke inspiratie van God te verdedigen, daar die toch op geen enkele manier te bewijzen zijn".

Hij verwijt zijn vriend dat hij aan de orthodoxie wil blijven vasthouden, maar toch wel enigszins toegeeft aan het rationalisme, waardoor hij Engels de wapens in handen geeft om hem te bestrijden! Een verwijt dat ook in later tijd met recht tegen tal van half-orthodoxe theologen kan worden aangevoerd.

Fijnenhaat
In dezelfde tijd schreef Engels in het vooruitstrevende literaire tijdschrift „Telegraph für Deutschland" zijn „Briefe aus dem Wuppertal". In twee artikelen, die hij anoniem publiceerde, gaf hij blijk van zijn grote afkeer van de piëtistisch-gereformeerde richting, die in Elberfeld en omgeving sterk vertegenwoordigd was.

In de Gereformeerde gemeente van Elberfeld stonden destijds de Krummachers. Eerst Gottfried Daniel, later in de tijd dat Engels zijn Brieven uit het Wupperdal schreef, Friedrich Wilhelm Krummacher. (Hieruit zou later de gemeente van Kohlbrugge voortkomen).

Engels laat zich zeer honend uit over de Krummachers en hun aanhang. In de kerk zitten zij te schreien wanneer de predikant hen het oordeel der verdoemenis voorhoudt. Zij zijn tegen het lezen, van romans, zelfs al staat er op het titelblad: christelijke roman. Want ds. Krummacher heeft gezegd: romans zijn goddeloze boeken.

In hun leer staat de predestinatie op de voorgrond. Engels kan niet begrijpen hoe een mens iets dergelijks, dat toch in regelrechte strijd is met de rede en de Bijbel, geloven kan. De grondslag van deze leer is de onbekwaamheid van de mens om uit eigen kracht het goede te willen, laat staan te doen. Wie hier eenmaal van doordrongen is — zo moet Engels toegeven — dient de rest ook te accepteren. Maar dat de mens van nature geneigd is tot alle kwaad, is iets waar hij het beslist niet mee eens is.

Dit alles maakt wel duidelijk dat Engels (in tegenstelling tot Marx) de gereformeerde leer van nabij gekend heeft. Maar al op jeugdige leeftijd dreef hij er de spot mee en moest hij er niets meer van hebben.

Sociale ellende
Men hoort wel eens als verklaring en als vergoelijking van het atheïsme van Marx en Engels aanvoeren dat zij door de geweldige sociale ellende in hun tijd tot een radicale breuk met het christendom gekomen zijn. Zodoende is de kerk — die aan die sociale ellende vrijwel voorbij ging — eigenlijk de schuld van het atheïsme van deze revolutionaire maatschappijhervormers.

Echter, Marx en Engels waren eerder atheïst dan communist. De vijandschap van Engels tegen de waarheid van Gods Woord werd niet in de eerste plaats ingegeven door sociale motieven. Ook al verwijt hij dan de piëtistische fabrikanten in Elberfeld dat zij hun arbeiders het allerslechtst behandelen.

De jonge Engels was dermate beïnvloed door het rationalisme van zijn tijd, dat hij radicaal brak met de godsdienst waarin hij was opgevoed. Zijn atheïsme en dat van Marx was in feite de consequentie van het Verlichtingsdenken. Een consequentie die door deze beide denkers echter sneller getrokken werd, dan door velen van hun tijdgenoten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.