+ Meer informatie

De Christinnereis is voor jong en oud

8 minuten leestijd

(54)

Wederom gingen enige dagen voorbij, en toen ontving Neerslachtig ecn boodschap, en wel in de volgendc woorden: „Bevende man; ik kom u verwittigen dat gij tegen de aanstaande dag des Heeren bij uw Koning wordt verwacht. Bij Hem zult gij juichen van vreugde als gij voor eeuwig zult verlost zijn van vrees en twijfel!”. En, zeide de bode, „dit zij u het tcken: de opheffing der stem zal zijn gelijk die ecns sprinkhaans”.

Toen de dochter van Neerslachtig, Zeerbevreesd, gehoord had wat er was voorgevallen, riep zij dat zij zo gaarne met haar vader wilde mee gaan. Nu zeide Neerslachtig tot zijn vrienden: „Gij weet wat mijn dochter en ik zelf hebben doorgemaakt en hoe wij dikwijls de vreugde van anderen hebben verstoord door onze droefgeestigheid. Wij hopen, dat niemand de geest der vreesachtigheid, die ons bezielde, zal erven. Het is een boze geest, die ons vooral de eerste tijd van onze pelgrimstocht het licht in de duistemis deed verkeren”. Toen hun ure was gekomen om te vertrekken, begaven zij zich naar de oever der rivier. De laatste woorden van Neerslachtig waren: „Vaarwel duistemis, welkom eeuwige morgen!” Zijn dochter ging zingende door de rivier, maar de woorden werden door niemand verstaan.

Hier mocht Neerslachtig die veeltijds gebogen ging over de aarde als een bezwaarde van geest, het hoofd opheffen naar boven om eeuwig de Koning te aanschouwen in Zijn schoonheid. En wie had het ooit kunnen denken dat Zeerbevreesd zingende zou gaan door de rivier des doods, als een echte geloofsheldin. O, wat is het deze bezwaarden en bestreden pelgrims toch wonderlijk meegevallcn. De Heere heeft hen vanuit Zijn onveranderlijke trouw niet begeven en niet verlaten. Nu verliep er wederom een geruime tijd en toen kwam de bode, om onderzoek te doen naar de oude Eerlijk. Aan zijn huis gekomen, stclde hij hem de volgende regels ter hand: „Gij moet u gereed houden om binnen een week te verschijnen voor uw Heer in het huis des Vaders! En dit woord zij u een teken: A1 de zangeressen zullen nedergebogen worden”.

Toen riep Eerlijk zijn vrienden en zeide tot hen: „Ik ga sterven, maar ik laat geen testament na; mijn eerlijkheid gaat met mij mee, zcgt dit aan hen, die na mij komen”. Door het geloof heeft deze pelgrim de woorden des eeuwigen levens in een eerlijk en goed hart mogen bewaren, die in volstandigheid vruchten voortbrachten. Als een goede boom bracht hij goede vrucht voort, en daarmee werd hij opgenomen in de eeuwige heerlijkheid.

Toen de dag daar was, mcldde hij zich aan om de rivier over te trekken. De rivier stond aan beide zijden buiten haar oevers, maar nu had Eerlijkheid afgesproken met een zekere Goed-geweten, dat deze hem daar zou ontmoeten. Dit deed hij dan ook en bood hem vriendelijk de hand en zo kwam hij aan de overzijde. Zijn laatste woorden waren: „Genade heerst,” en hiermee scheidde hij van deze wereld. Onder de heerschappij van de genade des Heeren vermocht hij niet te zondigen, maar bekwam hij kracht om met Paulus te zeggen: „En hierin oefen ik mijzelve, om altijd een onergerlijk geweten te hebben bij God en de mensen”. Daarom deerde het hem niet bij het stappen in de rivier, al stond zij aan beide zijden buiten haar oevers.

Weldra werd het gerucht verbreid, dat ook Verdediger der Waarheid door dezelfde bode was opgeroepen, en dat het teken, dat hij ontving, was: „Zijn kruik wordt aan de springader gebroken”. Toen hij deze woorden had verstaan, riep hij zijn vrienden en deelde hun mee wat er op handen was. „En nu,” sprak hij tot hen, „ga ik naar het Huis mijns Vaders, en hoewel ik met velerlei moeite en bezwaren tot hiertoe ben gekomen, berouwt het mij niet door vele verdrukkingen te zijn heengegaan. Ik vermaak mijn zwaard aan hem, die mij zal volgen op de pelgrimstocht. Mijn littekenen bewaar ik tot een getuigenis, dat ik de goede strijd heb gestreden. En daarvoor ga ik nu mijn loon ontvangen”.

Toen zijn ure was gekomen, vergezelden velen hem naar de oever der rivier, en toen hij zijn voet zette in de donkere stroom, riep hij uit:,,Dood, waar is uw prikkel?” En toen hij in de diepte kwam hoorde men hem nog uitroepen: „Graf, waar is uw overwinning?” Zo ging hij over en werd hij met bazuingeschal aan de ingang van de Hemelstad begroet.

Verdediger der Waarheid steunde niet op het genot dat hij in ambtelijke zegeningen had mogen smaken. Het steunpunt van zijn hart lag alleen in Hem, die de dood heeft verslonden tot overwinning.

En nu kwam de roepstem voor Standvastig, degene die zij op zijn knieen vonden liggen op de Betoverde Grond, en de bode stelde hem een geopende brief ter hand, waarvan de inhoud hier op neerkwani, dat hij zich op een grote verandering moest voorberciden, want dat zijn Meester hem niet langer zo ver van Zich verwijderd wilde houden. Hierover stond Standvastig na te denken, toen de bode voortging: „Gij behoeft niet te twijfelen aan de waarheid van mijn woorden, want hier is het zegel: Het rad wordt aan de bornput in stukken gestoten”. Daarop liet hij Stoutmoedig bij zich komen en zeide tot hem: „Mijn vriend, hoewel ik niet het voorrecht heb gehad veel in uw gezelschap te mogen verkeren, in de dagen van mijn pelgrimsreis, toch heb ik zeer veel aan u te danken. Toen ik van huis ging, liet ik een vrouw en vijf jonge kinderen achter; en nu verzoek ik u dringend, wanneer gij tcrugkeert (want ik weet, dat gij zult terugkeren naar het huis van uw Meester, om nog voor vele pelgrims een gids te zijn), dat gij aan de mijnen zult doen weten wat mijn lot geweest is of nog zijn zal. Verhaal hun ook mijn gelukkige aankomst aan deze plaats en welk een heerlijke erfenis mij is geworden. En vertel hun van de Pelgrim en van Christinne, zijn vrouw, en hoe zij met haar kinderen het voetspoor van hun man en vader gevolgd zijn. Ik heb u voor de mijnen weinig of niets mee te geven, niets dan mijn tranen en gebeden!” Een gezegende nalatenschap! Toen Standvastig al zijn zaken geregeld had, kwam voor hem de tijd om zich weg te spoeden, en hij begaf zich naar de oever der rivier. De wateren van de stroom waren op dat ogenblik zeer kalm, en toen Standvastig ongeveer halverwege was gekomen, bleef hij een wijle staan en zeide tot degenen die aan de oever stonden:,,Deze wateren zijn voor velen een verschrikking geweest en de gedachte daaraan vervulde mij ook menigmaal met vrees. Maar nu is alle verschrikking geweken; mijn voeten staan op dezelfde grond, waarop de voeten der priesters stonden die de ark des verbonds droegen, toen de kinderen Israels de Jordaan overtrokken. Het is waar, de wateren zijn bitter voor het gehcmclte en koud voor de maag, maar de gedachte aan de plaats, waar ik hcenga en aan het geleide dat mij wacht aan de overzijde, doet mijn hart in mij branden van vurig verlangen. Ik ben nu aan het einde van de reis, mijn moeitevollc dagen zijn ten einde. Weldra zal ik het Hoofd aanschouwen dat voor mij met doomen gekroond werd; het gelaat, dat om mijnentwil werd bespogen.

Vroeger heb ik geleefd van horen zeggen en door geloof, maar nu zal ik leven in aanschouwen, en ik zal mij verheugen in de gemeenschap met Hem, in Wien al mijn lust is. Ik vertoefde hier gaarne, waar van Hem werd gesproken, en het was mijn lust in Zijn treden mijn voctstappen te zetten. Zijn naam is mij als reukwerk geweest, ja zoetcr dan alle geur van specerijen. Zijn stem was mij enkel liefclijkhcid en het licht van Zijn aangezicht was mij steeds begeerlijker dan het licht van de zon ooit voor iemand heeft kunnen zijn. Zijn woorden waren mijn spijs en mijn verlustiging en een geneesmiddel tegen mijn kwalen. Hij heeft mij gcgrepen en mij gereinigd van mijn ongercchtigheden. Ja, Hij heeft mijn treden Vast gezet in Zijn wegen”.

Terwijl hij deze woorden sprak, veranderde zijn gelaat. De sterke man kromde zich en nadat hij had uitgeroepen: „Grijp mij bij de hand, want ik kom tot U!”, werd hij niet meer gezien.

Maar heerlijk was het te zien hoe de gehele omtrek als vervuld was met paarden en wagens, met trompetten en pijpers, met speellieden met hun verschillende muziekinstrumenten om de pelgrims te verwelkomen, toen deze de een na de ander de schone poorten der stad binnentraden. Wat nu de kinderen van Christinne betreft, haar vier zonen met hun vrouwen en kinderen, ik kon niet toeven tot zij alien over de rivier waren gegaan. Maar ik hoorde zeggen dat zij nog in leven zijn en dat men verwachting mag koesteren, dat zij nog gespaard zullen blijven voor de Kerk in het land hunner inwoning. Mocht ik nog eens die kant uitkomen, dan wil ik gaarne mededelen, wat ik verder omtrent hen alien heb vemomen. Intussen roep ik hiermee de lezer toe: Vaarwel!”

Nijkerk

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.