+ Meer informatie

De leeruitspraken van 1931 (3)

4 minuten leestijd

Ondanks dat de kerkenraad van Dirksland haar bezwaar tegen de kerkordelijke gang van zaken heeft ingetrokken, blijft de predikant van Dirksland, ds. A. de Blois, inhoudelijke bezwaren houden. Een te radicale uitsluiting van de gedachte dat er drie verbonden zouden zijn, valt hem zwaar. Is het wel terecht om de scheiding zo scherp te trekken, temeer daar er altijd al verschil van gevoelen over deze zaken is geweest?

Ds. De Blois en ds. Minderman
De bezwaren van Ds. De Blois worden serieus genomen. Zo krijgt hij bijvoorbeeld op de predikantenconferentie van 27 januari 1931 in Rotterdam ruimschoots gelegenheid om zijn visie op de zaken uiteen te zetten.
Uit de definitieve formulering van de eerste leeruitspraak blijkt dat er een duidelijke welwillendheid was vanuit de vergadering ten opzichte van ds. De Blois. Door in deze uitspraak afzonderlijk te spreken over het verbond der verlossing en het verbond der genade heeft men tegemoet willen komen aan zijn bezwaren. Zo is er toch ruimte gelaten om van enig onderscheid te spreken, hoewel vaststaat dat de verbonden in wezen een zijn.
Een andere bezwaarde onder de predikanten, zo vermelden de notulen, is ds. H.A. Minderman. Zijn bezwaar betreft de derde leeruitspraak.
Hij wil Christus wel als het Hoofd van de gemeente zien, maar niet als het Hoofd van het genadeverbond en beroept zich daarbij op Kolossenzen 1:18 en Efeze 4:15 en 5:23.
Ds. Kersten wijst in een reactie met klem op Romeinen 5:12-19, waar de tweede Adam voortdurend tegenover de eerste Adam wordt gesteld, en stelt van daaruit dat Christus ook het Hoofd van het genadeverbond is, zoals Adam dat van het werkverbond was. Een verbond wordt tenslotte toch altijd met een hoofd gemaakt.
In de notulen staat te lezen dat de derde leeruitspraak in zoverre wordt toegestemd, dat er vrijheid gelaten wordt omtrent de uitspraak: Christus, Hoofd van het Genadeverbond.

Uit het bovengenoemde blijkt dat de zes leeruitspraken op de predikantenconferentie uitvoerig aan de orde zijn geweest. Stuk voor stuk zijn de uitspraken tegen het licht gehouden en besproken. De grondige bespreking op deze conferentie heeft duidelijk voorbereidend gewerkt voor de uiteindelijke synodevergadering. Er was dus sprake van rijp beraad, ook al beweerden latere opponenten het tegendeel.

Generale Synode van 27 mei 1931
Als op 27 mei 1931 de Generale Synode samenkomt, is er een duidelijk waarneembare sfeer van eensgezindheid. Ds. Kersten spreekt in De Saambinder zelfs over een vriendschappelijke sfeer. Het moderamen wordt als volgt samengesteld: ds. G.H. Kersten, preses, ds. J.D. Barth, scriba en ds. J. Fraanje en ds. R. Kok, assessoren.
De bespreking over het verbond der genade verloopt zonder problemen.
Na de bespreking worden alle punten nader uitgewerkt, opnieuw geformuleerd en uiteindelijk met algemene stemmen aanvaard. De leeruitspraken van 1931 zijn een feit. Ds. Kersten schrijft in De Saambinder van 28 mei 1931 dat de gemeenten zich erin mogen verheugen dat de oude, gereformeerde leer inzake het Genadeverbond in haar Synode met eenparigheid is bevestigd.

Rust vanbinnen, kritiek vanbuiten
Met de leeruitspraken van 1931 heeft de Generale Synode de Gereformeerde Gemeenten, wat haar theologische beginselen betreft, duidelijk op de kaart gezet. Het was een signaal naar binnen, maar ook naar buiten. Intern brachten de leeruitspraken een grote mate van stabiliteit in het kerkelijk leven. In een interview in oktober 2004 zegt dr. M. Golverdingen: ‘Tussen 1931 en 1941 is er geen rimpeling van betekenis geweest. Dat was een periode van rust en geestelijke bloei’.

Echter, aan de andere kant van de kerkmuur verliep het anders. Daar hebben de uitspraken heel wat tongen losgemaakt en heel wat pennen in beweging gebracht. Vooral de pen van dr. Woelderink was scherp. Hij noemde het een daad van overmoed.
Dr. Woelderink trok daarbij een parallel met de Gereformeerde Kerken die in 1905 eenentwintig woorden uit artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis tussen haakjes hebben gezet.
Woelderink zegt daarvan het volgende in ”Verbond en bevinding”: ‘Zoals de Gereformeerde Kerken toen geoordeeld hebben, dat zij in zulk een mate de Gereformeerde Kerken van ons vaderland vertegenwoordigden, dat zij gemachtigd waren, afgezien van de Gereformeerde gezindheid buiten de grenzen hunner kerk, die aloude belijdenis dier kerk in een bepaald onderdeel te herzien, zo hebben de Gereformeerde Gemeenten blijkbaar ook geoordeeld, zozeer de Gereformeerde Kerk dezer landen met haar Drie Formulieren van Enigheid te vertegenwoordigen, dat zij gemeend hebben aan die belijdenis enkele verklarende artikelen ten opzichte van een bepaald leerstuk te mogen toevoegen. De vraag is toch gepast, of een dergelijke verklaring, die aan een belijdenisgeschrift gelijk is, niet meer van overmoed dan wel van moed getuigt. In elk geval is het duidelijk dat de leraren der Gereformeerde Gemeenten niet enkel aan de drie oude belijdenisgeschriften gebonden zijn, maar ook instemming moeten betuigen met deze artikelen, die men als een vierde belijdenisgeschrift kan aanmerken. Daardoor is de samenwerking met andere kerkformaties eigenlijk onmogelijk geworden, tenzij deze bereid worden gevonden ook deze artikelen te onderschrijven. De inhoud is van die aard, dat wel geen enkele kerk zich daarvoor lenen zal’.
In een volgend artikel zullen we deze reactie van Dr. Woelderink tegen het licht houden.

(wordt vervolgd)

Sliedrecht, ds. A.T. Huijser

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.