+ Meer informatie

Woorden rond het huwelijk vaak van verrassende afkomst

16 minuten leestijd

De woorden bruiloft en bruid zijn niet erg doorzichtig; het is voor een leek onmogelijk te zien waar ze van afgeleid kunnen zijn en ook de taalgeleerden zijn het er niet over eens. Men moet daarmee eens "trouwerij" vergelijken. Hoe familiaar die term ook is, hij is heel zinvol en houdt verband met „trouwen" en vooral met de „trouw" die er wordt beloofd. Maar met welk woord (of oude woordstam) bruiloft en bruid te maken kunnen hebben, daarover zullen ook de taalgeleerden het wel oneens blijven. De laatste lettergreep van de bruidegom ziet er ook wat vreemd uit.

Bruiloft lijkt wel een „alleenstaand" woord te zijn, evenals „huwelijk". Het oude Nederlandse woord voor bruid is bruud of bruut geweest. Deze echte Germaanse benaming had niets te maken met ons modern woord bruut en een bruid heeft waarlijk ook niets van doen met iets „bruuts". Maar waar „bruut" van afgeleid zou moeten worden is niet erg duidelijk. Volgens sommige geleerden houdt het verband met een oud woord, met brutis, d.w.z. dochter.

Het is ook moeilijk na te gaan wat het woord precies betekend heeft. Want als men de ontwikkeling in de diverse Germaanse talen nagaat, is ,,bruid" de naam geweest voor bijna iedere huwbare vrouw in bijna iedere relatie. Een van de beste woordenboeken geeft: verloofde, jonggehuwde vrouw, bijzit, jonge vrouw, echtgenote, dochter, speciaal gehuwde dochter en schoondochter, en ondertrouwde vrouw. En elders vinden we nog de ons vertrouwde betekenis jonge vrouw tijdens de huwelijksplechtigheden".

Napoleon of Luther
Het schijnt dat men voor de oudste betekenis in het Germaans uit moet gaan van ,,jonggehuwde vrouw", na de bruiloft dus. Tegenwoordig spreekt men echter in het Nederlands alleen maar tijdens en voor de bruiloft van een bruid en dan nog maar alleen tijdens de ondertrouw. Die zeer beperkte betekenis heeft het woord te danken aan..... Napoleon! Althans volgens het etymologisch Woordenboek van ..anck - Van Wijk. Men kan zich afvragen hoe dit toch in vredesnaam bij Napoleon vandaan kon komen, maar men moet bedenken dat die niet alleen keizer en veroveraar is geweest, maar ook wetgever. Het grotendeels aan hem te danken Burgerlijk Wetboek, met veel bepalingen over het huwelijk, is in ons land lang van kracht geweest.

J. de Vries denkt echter liever aan Maarten Luther, die o.a. door zijn Bijbel-vertaling het woord een bepaalde inhoud heeft gegeven. Doordat Luther in het Duits schreef kan dit alleen maar een indirecte beïnvloeding zijn geweest, maar toch, Luther of Napoleon, het is beide mogelijk.

Maar nu het woord bruiloft; dat is natuurlijk een samenstelling met bruid, over de tweede lettergreep daarvan, loft, bestaat meer zekerheid. Die komt heel gewoon van (snelle) loop en bruiloft wil dus zeggen bruid-loop. Bij de oude Germanen was het namelijk zo dat bruid door haar bruidegom vanuit het ouderlijk huis naar het huis van haar man gevoerd (of gedragen?) werd. Dat is het beslissende ogenblik en het was eigenlijk even zinvol als het jawoord dat ons gegeven moet worden. Het was alleen jammer dat die loop in snelle vaart moest geschieden teneinde boze geesten geen kans te geven, omdat de mensen toen nog zo diep in het bijgeloof lagen verzonken.

Verloven
Ver-zonken, het laatste woord van deze zin herhaal ik. Dat komt ons mooi te pas voor een andere term op ons gebied, ver-loofde. Ver-zonken betekent helemaal weggezonken; ver-scheurd betekent totaal kapotgescheurd en verwonnen wil zeggen helemaal overwonnen. Zo betekent ver-loven ook. helemaal beloven. (Ver-loven houdt verband met be-loft en ge-lofte.) Aan het woord kan men zien dat een ver-loving niet zomaar als een vrijblijvend proeftijdje beschouwd werd. Trouw aan die totale belofte was tijdens de verloving al vereist.

Dat gold voor beiden, voor haar en voor hem. Maar hoe komt de laatste aan de naam bruide-gom? Dat betekent bruids-man, want „gom", een woord dat in geen enkele andere combinatie meer voorkomt, is een van de oudste woorden uit ons taalverleden. Het betekende man. Er zijn zelfs taalgeleerden die het in verband brengen met het Latijnse homo - mens.

Huwelijk

Na de bruid-loop waren man en vrouw dus in het huwelijk, in de echt, verbonden. ,,Huwelijk" is ook alweer een waar kryptogram. De beste verklaring die men ervoor heeft geopperd is dat huwelijk verband houdt met twee woorden uit Oudduitse dialecten. Dat zijn hiwa - echtgenoot; en laika - spel of sprong. Huwelijk zou dus doen denken aan ,,een echtgenoot die springt of speelt". Men denkt hierbij wel aan een feestelijke, religieuze dans die onlosmakelijk aan de huwelijkssluiting verbonden was.

Heel wat makkelijker is het woord „echt", van echtvereniging. Het zelfstandige naamwoord echt (= huwelijk) is etymologisch hetzelfde woord als het bijvoeglijk naamwoord echt (= wettig). Dit laatste echt is het tegengestelde van vals, denkt u maar aan echte munten en valse munten. Wanneer een huwelijk dus betiteld werd met de naam echt, legde men de nadruk op de wettigheid ervan.

Na de echtvereniging kan men dus gaan spreken van de echte-lieden (wat een prachtig ouderwets woord!). Dan is het meisje geen verloofde meer, ook geen bruid, dan is zij "vrouw".

Het Nederlands is betrekkelijk arm aan woorden die het begrip vrouw tot uitdrukking brengen. We hebben een synoniem met eeiv gunstige gevoelswaarde (dame) en één met een ongunstige (wijf). Maar het is niet zo dat er woordpaar bestaat zoals in het Engels: woman (vrouw als persoon) tegenover wife (vrouw als echtgenote). Een dergelijk verschil bestaat ook in het Italiaans (donna tegenover moglie) en in het Latijn (muiier tegenover uxor). Bovendien kende het Latijn nog een derde term (femina), als zuivere geslachtsaanduiding.

Doolhof
Wanneer men dan bedenkt dat in de regel dè grenzen tussen deze begrippen vloeiend zijn en zich in de loop van de geschiedenis verplaatsen, dan staat men er versteld van dat de menselijke taal zoveel verschillende woorden heeft voor de verschillende aspecten van de ,,vrouwelijkheid". Vooral het Engels en het Italiaans hebben in dit opzicht een reeks van historische verschuivingen gekend; het is gewoon een doolhof! De „bundel" van betekenissen waar wij aan denken bij het woord „vrouw" valt dus lang niet gelijk met die in andere talen.

Wie zich met de geschiedenis van zijn eigen (Nederlandse) taal zelf bezig houdt, kan dat trouwens al gauw merken. ,,Wijf", dat nu zo verachtelijk is, was vroeger een heel keurig woord. Het kon dan ook heel goed in de Statenvertaling gebruikt worden, zelfs in figuurlijke betekenis: „De bruid, het wijf des Lams".

Om er sterk de nadruk op te leggen dat men het heeft over een gehuwde vrouw heeft (of had) het Nederlands wel enkele speciale woofden: echtgenote, eega(de), gade, gemahn en huisvrouw.

Men heeft weleens verteld dat eegade af zou komen van eed-gade of ede-gade, ziende op de eed van trouw. Dit is echter niet juist: ee komt van echt. Anderen willen het terugvoeren op het Duitse Ehe, dan zou het een ontlening zijn. In ieder geval betekent eegade dus echtgenoot, want in theorie kan het, evenals „gade" trouwens, ook de mannelijke echtgenoot aanduiden. Gade, dat zowel alleen gebruikt kan worden als in eegade, schijnt samen te hangen met ver-gade-ren, ge-gadig-de en goed-eren. De echtgenoten moeten namelijk samen goederen vergaderen. Dan hadden zij beiden recht op het vruchtgebruik ervan, oftewel het genot. Dit genot vinden we terug in ,,echt-genoot".

Hiermee is het verhaal over de bruid en de bruiloft ten einde. Maar na de bruiloft komt het bleven in de familie. Ook daarvoor bestaan heel mooie namen; die komen in het tweede gedeelte van dit artikel.

De namen van familieleden

Voor me ligt een heel oud woordenboekje, Kramers Woordentolk, 12e druk, 575 pagina's, verschenen in 1896. Het heeft het formaat, de dikte en de (zwarte) kleur van een ouderwets psalmboekje met Nieuw Testament; er staan alleen maar vreemde woorden in, waarvan de betekenis kort wordt aangegeven.

Eén van de „vreemde" woorden is, tante. Dit betekent volgens de Woordentolk ,,moei, vaders of moeders zuster". Dat is een heel merkwaardige definitie. Want tegenwoordig wordt het woord moei in het Nederlands vrijwel nooit meer gebruikt (overeenkomstige vormen zoals meu uit dialecten laat ik hier buiten beschouwing). Het woord moei is zelfs zo sterk in het vergeetboek geraakt dat tal van lezers een beetje toelichting nodig zullen hebben bij de tekst uit de Bijbel: ,,En Amram nam Jochebed, zijn moei, zich tot een huisvrouw". Maar al zijn wij dit moei zo ongeveer vergeten, honderd jaar geleden kon men het in gewone Nederlandse boeken vrij veel tegenkomen.

Tante is inderdaad een vreemd woord; het komt van het Franse „tante". En dit tante moet weer ontstaan zijn uit ta ante: je lieve. En dit (ta) ante gaat weer terug op het Latijnse werkwoord amare - liefhebben. Het is dus wel een uitgesproken niet-Germaans woord. Want het Duitse Tante komt eveneens uit het Frans. En het Engelse auntook,maardaarista weggelaten.

Deftigheid

Hoe komt het dat we nu zo'n goed woord (moei) dat vroeger ieder kind kende, door een vreemd woord (tante) zo radicaal hebben vervangen dat moei in het vergeetboek is geraakt? Daar behoeven we niet lang naar te zoeken. Bij de aanduiding van familieleden is er een voortdurende tendens om de gewone woorden, die men soms wat al te ordinair vindt klinken, door andere termen te vervangen. Het Etymologisch Woordenboek van De Vries maakt een leuke opmerking hierover: ,,Dit Franse woord (tante) heeft de oude Nederland' se naam moei verdrongen als een gevolg van de neiging, die er in de hogere Franssprekende kringen bestond, om terwille van een zekere deftigheid de familienaam met Franse of naar het Frans gevormde woorden te versieren".

Misschien denkt u dat De Vries wel wat doordraaft om, naar aanleiding van één zo'n woord, zo ironisch te gaan spreken over „een zekere deftigheid" en over het „versieren" van familienamen met vreemde woordeiT. Maar De Vries overdrijft helemaal niet, de invloed van de modezucht, soms tot in het kinderachtige toe, is nu eenmaal zeer sterk in onze taal (en trouwens in de menselijke taal in het algemeen).

De Vries geeft nog meer voorbeelden om deze neiging die zich vroeger speciaal in de hogere, Franssprekende kringen voordeed, te illustreren: ,,zo termen als grootvader, schoonouders e.d."

Bestevaer

Een grootvader heette vroeger in het Nederlands „bestevaer" (let u hierin ook op de korte vorm vaer). Maar het Nederlands nam vroeger ontzettend veel woorden over uit het Frans. En om' dat in het Frans een vaders- of moedersvader grand-père wordt genoemd, „vertaalden" de Nederlanders dit woord heel netjes in grootvader. Op dezelfde wijze werd het Franse grahdmère vertaald met grootmoeder; voordien was dat een „bestemoe(de)r" geweest. (Daarvan hebben we nog bes(t)je overgehouden).

De namen grootvader en grootmoeder zijn veel ouder dan tante; ze moeten omstreeks het jaar 1500 ingeburgerd zijn. Uit diezelfde tijd dateren ook schoonvader, schoonmoeder, schoonzoon en schoonzuster. Ook die zijn naar Frans model gevormd, naar beau-père. En al ontgaat het ons waarom die schoon of mooi genoemd worden, dat is historisch wel degelijk te verklaren. Ook hierover kan men weer een mooi verhaal lezen in De Vries (bij schoonbroeder). Daar leest men dat in de Franse hoftaal de mode opgekomen was dat mannen elkaar aanspraken met beau frère (schone broeder). Eigenlijk bedoelden ze daar gewoon mee „beste man", maar het klonk wel erg deftig. Langzamerhand drong dit ,,beau frère" in lagere kringen door en men ging er speciaal zijn zwager mee aanspreken en aanduiden. Tenslotte gingen de Nederlanders ook dit weer nadoen, ze vertaalden de stukjes ervan en kregen zodoende schoonbroeder.

Nu heeft schoonbroeder in het Nederlands niet veel succes gehad; het overoude zwager heeft zich noch door schoonbroeder noch door gehuwdbroeder laten verdringen. Maar „zwagerin" (in de Statenvertaling vinden we nog Orpa de zwagerin van Ruth) bestaat praktisch niet meer. Dat is schoonzus geworden, soeur'. navolging van belle

Vader en moeder

Maar nu onze allernaaste familieleden, onze vader en moeder. Hoe onze woorden pa en ma ontstaan zijn, is een heel ingewikkeld probleem. Ze berusten op de Latijnse woorden pater (vader) en mater (moeder). In het Latijn werd daar voor de kleuters papa en mama van gemaakt, waarin de klemtoon op de eerste lettergreep viel. Via hét Franse papa en mama (met de klemtoon op de tweede lettergreep) zijn die in het Nederlands overgenomen als papé en mama, die later weer verhollandst zijn tot papa en mama en waaruit ook de verkorte vormen pa en ma zijn voortgekomen. Helemaal gelijktijdig is het ontleningsproces van papa en mama, pa en ma niet verlopen; dat kunnen we trouwens op het ogenblik nog zien want pa is veel algemener dan ma, vermoedelijk doordat er zo'n mooi woord moe bestaat.

De woorden vader en moeder zelf behoren tot de alleroudste van onze taal. Toch is ook hiermee iets bijzonders aan de hand, want volgens de zogenaamde klankwetten hadden we vaar en moer moeten zeggen (net zoals broeder brper geworden is). Maar omdat vaar en moer verschrikkelijk plat klinken, hebben we de lange vormen van vader en moeder bewaard; vaar en moer blijven beperkt tot plat taalgebruik, dialecten en zegswijzen zoals: hij heeft een aardje naar zijn vaartje.

Ook voor het aanspreken van onze vader en moeder gaat de creatie van nieuwe woorden, die meestal in hogere kringen begint, nog steeds voort. Denkt u maar aan pap, paps en pappie; mam, mams en mammie. Deze ontwikkelingen in de kindertaal zijn minstens even interessant als die welke zich voltrekken in de ambtenarentaal; misschien is de kindertaal zelfs nog interessanter.

Baby

Ik kan me voorstellen dat sommige lezers bij de bovenstaande lijst gedacht hebben: „Wat waren onze voorouders toch dwaas dat ze zoveel woorden voor de allereenvoudigste familierelaties uit het Frans overgenomen hebben". Dwaas waren ze inderdaad, maar u moet niet denken dat wij wijzer zijn. Als er ergens een kind geboren wordt, dan heet dat schaap van het eerste ogenblik na de geboorte al een baby. Vroeger had het Nederlands mooie woorden zoals „zuigeling, knechtje, jongske en meisje". (Een meisje was toen alleen maar een heel jong meisje; als ze iets ouder werd, heette ze maagd, meid of jonge dochter). Maar nu heet alles een baby, zelfs de baby's gaan met de tijd mee en dragen een Engelse naam!

Baby staat ook al in de bovengenoemde Woordentolk uit 1896; het is een „klein kind dat nog op den arm gedragen wordt". Het wordt dus al een eeuw of nog langer door ons volk gebruikt. Toch is de spelling geen bebie geworden of zoiets, maar puur Engels gebleven. Dat kan men ook bij andere aan het Engels ontleende woorden constateren. Niemand trekt er zich wat van aan dat die spelling „wetenschappelijk niet verantwoord" is, integendeel, door de grilUge Engelse spelling trouw na te bootsen, willen Nederlanders graag laten zien dat ze (veel of weinig) Engels kennen.

Babbelen

Maar nog belangwekkender voor ons doel is de Woordentolk van Kolsteren. Want die vertelt erbij waar het woord baby vandiaan komt, uit het Engels, en schrijft: „klein kind (dat nog niet praten kan, maar „babbelt" (to babble - babbelen)". Dit Engelse woord babble is een klanknabootsing, waarbij men als het ware een klein kind de lipjes op elkaar ziet klemmen om al de b's uit te spreken. To babble komt in vorm en betekenis overeen met het Nederlandse babbelen, het Duitse babbeln of pappeln, het Franse babiller, het Italiaanse baboUare en het Russische balabolit (ook de I's in al deze vormen zijn karakteristiek).

Maar hiermee houdt dè lijst van baby's familieleden nog lang niet op. Dudens Herkunftswörterbuch vermeldt (bij de woorden Barbar en brav) dat al deze woorden weer verband houden met het Griekse barbaros (d.w.z. vreemdeling). De oude Grieken waren namelijk dikwijls zeer chauvinistisch denkende mensen die het mensdom in twee klassen verdeelden: Grieken en (hele of halve) wilden. Die „wilden" werden door hen samengevat onder de naam barbaroi, dat wil zoveel zeggen als b(r)abbelaars of stamelaars. Het^voornaamste gebrek van die vreemdelingen was namelijk dat ze „niet goed praten konden", d.w.z. dat ze geen Grieks kenden! Daar herinnert ons woord barbaar nog aan. Via het Latijn werd dit barbaros overgenomen door de Spanjaarden die het verbasterden tot bravo (woest, wild). Zo komt het dat thans het toeristenoord in het noordoosten van Spanje Costa Brava heet (letterlijk Woeste Kust). Via het Italiaans en het Frans is dit'bravo toen doorgedrongen in het Nederlands (braaf) en het Duits (brav). In al die talen heeft het woord meestal nog iets van het idee „woest, moedig, mooi" gehouden; alleen in het Nederlands kreeg braaf vooral de gezapige betekenis die .we kennen uit De Brave Hendrik.

Boef

Wanneer we verder op zoek gaan naar „familieleden" van onze baby, vinden we het Franse bébé (= baby). Dit is ook een zogenaamd stamelwoord, maar het is beslist niet een verbastering van baby. Eerst schreven de Fransen het met een hoofdletter, Bébé dus, omdat het in de achttiende eeuw de bijnaam was van een hofnar van de Poolse koning. (In die tijd werd er aan alle Europese hoven Frans gesproken, dus bébé kon gemakkelijk in Frankrijk doordringen).

Als laatste familielid van onze baby krijgen we dan de boef. In het overeenkomstige Duitse woord Bube (jongen, •boef) kunnen we de gelijkenis met baby nog veel later bespeuren. Ook hier geeft het woordenboek van Duden mooie bijzonderheden. Bube komt volgens hem waarschijnlijk uit de laltaal van kinderen. Hij vergelijkt het met het Engelse baby, het Nederlandse boef en het Zuidduitse Bub (knaap). Dan blijft echter nog de vraag waarom Bube in het moderne Duits ook schurk is gaan betekenen. Duden schrijft dit toe aan de invloed van Luthers bijbelvertaling, waarin sprake is van „die bösen Buben". Dat deze betekenisontwikkelin^ van ,,knaap" tot „schurk" niet zo vreemd is, demonstreert Duden aan de hand van het Engels: in het Oudengels bestond cnafa (knaap), in modern Engels knave: schurk* soms jongen. Tenslotte vermeldt Duden nog dat „Bube" een schertsende bijnaam is voor een "stoute jongen".

Wie met dit alles nog niet tevreden is, kan kijken in Kolsteren bij het woord boy; dit staat waarschijnlijk in verband met baby en boef.

Men ziet hoeveel talen er in onze woordenboeken geciteerd worden. En wanneer dus nu een moeder glimlachend haar kind een „boefje" noemt, dan is dit eigenlijk helemaal niet vreemd. Want als men, uitsluitend op de woordafleiding let dan is een baby en een boef eigenlijk hetzelfde. Het zijn prachtige verhalen die men kan peuren uit etymologische woordenboeken!

Versieringen

Nog even wilde ik teruggrijpen op wat ik zei over vreemde namen voor onze familieleden. De „versieringen" die we dan aanbrengen zijn heel dikwijls vreemde woorden. En dit verschijnsel is niet beperkt tot het Nederlands en zelfs niet tot de Germaanse talen, ook in het Frans komt het voor, en daarvan heb ik een heel leuk voorbeeld in dit verband.

Het oude Germaanse woord bruud (ons bruid) betekende o.a. schoondochter en is op een gegeven ogenblik in Frankrijk doorgedrongen. En op het ogenblik is het nog zo dat er twee Franse woorden voor schoondochter in omloop zijn: belle-fille en bru. Hoe bellefille ontstaan is (evenals beau-fils) is hierboven uitvoerig besproken. Bru is dus een ontlening aan het Germaans.

Maar behalve het Frans biedt ook het Engels hiervan mooie voorbeelden. Daarom kom ik weer op onze tante terug. De Engelse vorm daarvan is namelijk aunt. Nu heeft het Engels nog veel meer woorden uit het Frans overgenomen dan wij. Daarom heet een oom in het Eiigels geen eam meer zoals heel vroeger; het is een uncle geworden, een verbastering van het Franse oncle. Ook dit is ongetwijfeld weer gebeurd om terwille van de deftigheid de familienaam met Franse woorden te versieren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.