+ Meer informatie

EEN AFSCHEIDSFORMULIER

3 minuten leestijd

Als je als predikant de overtuiging hebt gekregen dat je een beroep naar een andere gemeente moet aannemen, breekt een hectische tijd aan. En tussen de bedrijven door zoek je naar gaatjes om de dingen te verwerken. Als gezin. Maar ook heel persoonlijk. Onvermijdelijk komt het ook tot een evaluatie van de achterliggende jaren. Een stuk van je persoonlijk leven en je ambtelijke loopbaan komt tot een einde.

Merkwaardig eigenlijk: terwijl het begin ervan wél gemarkeerd werd door het voorlezen en beantwoorden van een kerkelijk formulier, is de beëindiging ervan veel minder formeel. Een afscheidsdienst natuurlijk, één of meerdere toespraken, toezingen, en de laatste keer als eigen herder en leraar de zegen op de gemeente leggen. Maar dat is eigenlijk wat we er samen in de loop van de jaren van gemaakt hebben. Een officieel kerkelijk afscheid is er niet, of je zou daarvoor moeten wijzen naar de attesten die de kerkenraad naar de ontvangende gemeente en classis opstuurt.

HARDOP DENKEN

Nee, u weet het wel, ik ben niet zo van de categorie die proefballonnetjes oplaat om nieuwigheden in de kerk te introduceren. Maar laat me toch even hardop denken. Als onderdeel van de evaluatie, zullen we maar zeggen. Stel dat een Generale Synode ooit in haar wijsheid zou besluiten tot het opstellen van een ‘afscheidsformulier’ – hetzij voor predikanten óf andere ambtsdragers die ‘aftredend’ zijn – wat zou daar dan in moeten staan?

‘NIET ONS, O HEER…’

Ik denk dat je om te beginnen niet heen kunt om een tekst als Lukas 17 vers 10. ‘Alzo ook gij, wanneer gij zult gedaan hebben al hetgeen u bevolen is, zo zegt: Wij zijn onnutte dienstknechten; want wij heb ben maar gedaan, hetgeen wij schuldig waren te doen’. Hoogstwaarschijnlijk zal alleen al het voorlezen van zo’n tekst een heilzame uitwerking hebben op de toonzetting van de toespraken die nog zullen volgen. Al zou je inderdaad gedaan hebben ‘al hetgeen u bevolen is’ – en wie kan dat zeggen? – dan is er nóg geen reden om te roemen in een mens… ‘Wie roemt, roeme in den Heere’, zou Paulus zeggen!

‘Uw NAAM ALLEEN…’

Dat lijkt mij vervolgens ook een onmisbaar element in het formulier: gemeente én ambtsdrager blikken terug, kijken naar binnen en zien vervolgens op naar de hemel. Om te erkennen en te belijden: ‘Toen wij ontrouw waren, bleef Hij getrouw; Hij kon en kan Zichzelf immers niet verloochenen’ (vrij naar II Timotheüs 2 : 13). Opnieuw: wat zal zo’n gezamenlijk besef met de toonzetting van de toespraken doen? Dan klinkt het al veel éérder dan in het gebruikelijke slotversje: ‘Zijn Naam moet eeuwig eer ontvangen’!

‘ALL’ EER EN ROEM GEGEVEN…’

In de derde plaats mag er ook verwachting in doorklinken. De ene mens mag planten, de ander natmaken, maar het is God, Die de wasdom geeft. En dat zál Hij ook doen. Niet dankzij, maar heel vaak ondanks ons. Maar die verwachting mag dan niet onuitgesproken blijven. Al was het met de woorden van Psalm 126: ‘Die hier bedrukt met tranen zaait, zal juichen als hij vruchten maait (…) en met gejuich ter goeder uur zijn schoven dragen in de schuur’. Gods werk gaat door, ook bij het aftreden of verplaatsen van Zijn knechten. En omdat het Zijn werk is, komt het ook af. Laat daarom nu en altijd gelden: ‘Al wat Gij wrocht, zal juichen tot Uw eer’!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.