+ Meer informatie

TER OVERWEGING

9 minuten leestijd

André P. van de Beld, Moest Jezus sterven? Kanttekeningen bij een cruciale kwestie. Uitg. Kok. Kampen 1998. 108 bl;z. f 19,90.

Over de betekenis van de verzoening door Christus is de laatste jaren veel geschreven. De auteur, gereformeerd predikant te Winterswijk, zet in een prettig leesbaar boek uiteen hoe over de verzoening gesproken is in de klassieke gereformeerde theologie en welke vragen daarbij in het heden worden gesteld. Hij gaat daarbij in op vragen als: waarom moest Christus sterven; was Zijn dood noodzakelijk voor de verzoening met God?

Het is te waarderen dat steeds lijnen worden getrokken naar de betekenis van de verzoening voor de gelovige in het heden. Opvallend afwezig zijn de grotere verbanden waarin de verzoening een plaats heeft: verkiezing en verbond. Een helder zicht op deze samenhang had de schrijver wellicht voorzichtiger gemaakt met zijn conclusies dat noch de dood, noch de godheid van Jezus noodzakelijk waren voor de verzoening der wereld.

Aan het slot van het boek komt het verzet van de hedendaagse mens tegen de klassieke verzoeningsleer ter sprake. Het verloren zijn en verloren gaan zonder verzoening, is de ergernis waartegen velen zich afzetten. De “oplossing” van de auteur luidt, dat wij het niet weten of er mensen verloren gaan en dat we het oordeel maar aan God moeten overlaten. Het getuigenis van de Schrift is op dit punt dieper (Rom. 3) en hóger (2 Kor. 5).

Dr. A. Geense, Het Woord dat u ten leven riep. Overwegingen voor de preek. Uitg. Boekencentrum, Zoetermeer 1999. 169 blz. f 27,50.

Deze bundel bevat een aantal overwegingen voor de preek, posthuum verschenen, van de hand van prof. dr. A. Geense. De auteur was hoogleraar systematische theologie in Genève.

De overwegingen zijn volgens een vast patroon opgebouwd. Een algemene oriëntatie staat voorop. Daarna volgt een exegetisch deel. Tenslotte worden vanuit het tekstgedeelte gedachten voor de prediking aangereikt.

Door de behandeling van veel “technische” vragen rond de tekst, acht ik dit boek niet zo geschikt voor ouderlingen en diakenen. Predikanten krijgen materiaal aangereikt ter overweging. Niet alle overwegingen overtuigen. De passages waarin de auteur de mening van anderen laat rusten en laat zien hoe hij zelf het Woord van God verstaat, hebben mij het meest aangesproken.

Mark Janssens, Onbegrijpelijk! God in het boek Job. Uitg. Boekencentrum, Zoetermeer 1998. 63 blz. f 16,50.

In dit populair geschreven boekje gaat het over God, Job en de vrienden van Job. De schrijver, Ned. Ger. predikant te Baarn/Soest e.o., geeft veel ruimte voor de vragen en de herkenning die het boek Job bij mensen oproept. Voortdurend wordt het betoog onderbroken door vragen aan de lezer(skring). Het geeft het geheel een wat versnipperd karakter. Bovendien begint gaandeweg de vraag boven te komen: wat denkt de schrijver er nu zelf van? Het antwoord is vooral te vinden in het deel over God (p. 37-47). Zondag 10 van de Heidelbergse Catechismus gaat daar op de helling. God als Almachtige of als Machteloze zijn voor de schrijver te menselijk gedacht. Hij komt uit bij een God die verderf en dood vanaf het begin in de schepping een plaats heeft gegeven: God als Onbegrijpelijke. Hier ligt voor mij de grootste moeite, pastoraal en theologisch: aan de betrouwbaarheid van God wordt afbreuk gedaan omdat Hij het kwade vanaf het begin gewild heeft. Hoe kun je dan nog met 1 Joh. 1:5 zeggen dat in God in het geheel geen duisternis is?

Bepaald storend zijn de uitglijders van de populaire stijl die de schrijver hanteert (b.v. over Christus’ waarom-vraag aan het kruis: Hij snapte er geen hout van, p. 28).

Dr. R. Kuiper, Op het breukvlak van twee millennia. Uitg. Willem de Zwijgerstichting, Apeldoorn 1999. 46 blz. f 9,50.

“Het grote jaartal met de drie nullen doet iets met mensen”, schrijft dr. Kuiper in de eerste paragraaf van deze publicatie. In kort bestek doet hij een peiling naar de manier waarop onze samenleving bezig is met de aanstaande overgang naar een nieuw millennium. Ter vergelijking schetst hij hoe men in Europa de wisseling der tijden beleefde rond de jaren 1000 en 1500.

Het blijkt dat de hedendaagse mens zijn vooruitgangsgeloof is verloren en van de hand van God in de geschiedenis niets meer ontdekt.

Kuiper eindigt met een krachtig pleidooi over de hoop voor de toekomst die samengaat met een praktische beleving van het geloof. De komst van het Koninkrijk van God vraagt om duidelijke keuzen: inwendige en uitwendige reformatie.

Temidden van alle ophef over het jaar 2000 is dit boekje een verademing. Begrijpelijk en nuchter tekent het lijnen die de gemeente van nu aanzet, om midden in de wereld zichtbaar te maken wat wij geloven.

Ds. D.M. van de Linde, Lucas (deel 1). Uitg. Voorhoeve, Kampen 1998. 219 blz. f 29,90.

In het EO-programma De Bijbel Open heeft ds. Van de Linde, hervormd predikant te Gorinchem, de eerste acht hoofdstukken van het evangelie naar Lukas behandeld. Deze bijbelstudies zijn nu in boekvorm verschenen. Door de gespreksvragen aan het eind van ieder onderdeel, is dit boek ook geschikt voor bijbelstudiekringen. De bijbelstudies zijn actueel en gedegen van inhoud. Van harte aanbevolen.

Dr. B. Loonstra, De bijbel recht doen. Bezinning op gereformeerde hermeneutiek. Uitg. Boekencentrum, Zoetermeer 1999. 146 blz. f 24,90.

Hoe kunnen mensen van vandaag de boodschap van de bijbel verstaan? De theologische hermeneutiek houdt zich met deze vraag bezig. Mensen van deze tijd luisteren met andere oren naar de bijbel dan honderd jaar geleden. Hoeveel invloed hebben cultuur, wetenschap en techniek op onze omgang met Gods Woord? Heeft de Heilige Geest Zich zo nauw aangesloten bij de belevingswereld van de bijbelschrijvers, dat wij er bij de uitleg van de Schrift rekening mee zouden moeten houden dat bepaalde teksten tijd- en cultuurgebonden kunnen zijn?

Dr. B. Loonstra heeft zich met deze moeilijke vragen bezig gehouden. In 1994 verscheen het boek: De geloofwaardigheid van de bijbel. Naar aanleiding hiervan zijn veel vragen gesteld. In het boek dat nu voor ons ligt, geeft dr. Loonstra - mede naar aanleiding van de reacties die hem bereikt hebben - een nadere verheldering en verantwoording van zijn standpunt.

Als een rode draad loopt door het boek de vraag hoe letterlijk we de bijbel moeten verstaan. Loonstra pleit voor een minder letterlijk verstaan dan in de gereformeerde theologie vanouds gebruikelijk is geweest. De leesregel die hij voorstelt, luidt: probeer bijbelse denkbeeiden die in hun overgeleverde vorm de onze niet meer kunnen zijn, maximaal in onze denkvormen over te zetten, om daarmee te verwoorden wat ze voor ons betekenen. Met verschillende voorbeelden wordt duidelijk gemaakt hoe deze regel in de praktijk kan functioneren.

Het gaat er dr. Loonstra niet om het gezag en de duidelijkheid van de Schrift ter discussie te stellen. De bijbel is het boek van de Heilige Geest. Het werk van de Geest en de gemeente die door de Geest in alle waarheid wordt geleid, worden nadrukkelijk betrokken bij de toepassing van de leesregel die Loonstra voorstelt.

Na het lezen van dit boek heb ik aan de ene kant bewondering voor de worsteling om zowel Gods Woord als de moderne lezers ervan recht te doen, aan de andere kant zijn er vragen. Het maximaal overzetten naar onze tijd uit de leesregel kan verschillend ingevuld worden. De een zal de afstand tussen tijd en cultuur van bepaalde bijbelteksten en onze huidige denkbeelden groter ervaren dan de ander. Hoe kan dan vastgesteld worden welke vorm van maximaal overzetten acceptabel is? Met andere woorden: waar begint en waar eindigt de ruimte van het maximaal overzetten? Daaraan gekoppeld is de vraag in hoeverre onze moderne denk- en belevingswereld sleutels mogen zijn voor het verstaan van de bijbel. Als onze huidige cultuur zo dichtgetimmerd zit voor het Woord van God dat een ingrijpende vertaalslag nodig is geworden om de bijbel te kunnen verstaan, functioneert ons moderne denken dan als verarmend filter of als verrijkende uitlegkundige sleutel ten opzichte van de inhoud van het evangelie? Is de zeggingskracht van het Woord van God opgesloten in een cultuur die de onze niet meer is? Is het Woord door de kracht van de Heilige Geest in staat alle barrières van taal, tijd en cultuur te doorbreken en zichzelf verstaanbaar te maken, of is dat slechts gedeeltelijk het geval? Zijn onze moderne inzichten zonder meer toe te schrijven aan de werking van de Heilige Geest in wetenschap en cultuur, of zullen we de nodige reserves moeten inbouwen bij het gebruik van eigentijdse denkbeeiden en de vertaalslag daar naar toe? Hoe verhoudt zich de feitelijkheid van wat er in de Bijbel beschreven wordt ten opzichte van wat wij tegenwoordig denken dat mogelijk is? Wanneer de een de Schrift meer letterlijk wil verstaan dan de ander, ontstaan er verschillen. Hoe ver kun je daarin gaan zonder elkaar kwijt te raken?

Het lijkt me de moeite waard op deze punten verder door te denken. Het boek van Loonstra biedt veel stof de bezinning op deze vragen op gang te brengen en voort te zetten.

R. Ruard Ganzevoort (red.), De praxis als verhaal. Narrativiteit en praktische theologie. Uitg. Kok, Kampen 1998. 204 blz. f 39,90.

Dit boek is verschenen in de serie Kamper studies (uitgaande van de TU Kampen I). De afgelopen jaren is er in de theologie opnieuw aandacht gekomen voor het verhalend (=narratief) element van de bijbelse boodschap. De narratieve methode in de theologie gaat ervan uit dat een mensenleven gezien kan worden als een verhaal waar elke dag een stukje bij komt. De vraag waar het nu om gaat, is hoe de stukjes van het verhaal van een mensenleven en de boodschap van de bijbel op elkaar betrokken kunnen worden.

R.R. Ganzevoort levert een theoretische onderbouw en een toespitsing voor de praktijk van het pastoraat. Anderen onderzoeken de mogelijkheden voor de praktijk van o.a. prediking en catechese. De verschillende auteurs in deze bundel zitten niet op één lijn. De een ziet meer in de narratieve methode dan de ander. Er zal nog veel werk verzet moeten worden om tot een overtuigende, samenhangende visie te komen.

Er zitten waardevolle elementen in deze methode. Het is bijvoorbeeld een belangrijke vraag hoe de prediking aankomt en verwerkt wordt in het persoonlijk leven. In het pastoraat is leren luisteren naar het levensverhaal van de ander zonder meer nodig. Kritische vragen blijven er ook. Bijvoorbeeld: wordt de bijbel in de narratieve benadering niet teveel gezien als een bundel van elkaar soms tegensprekende “verhalen” waar ieder uit haalt wat hem of haar het beste uitkomt? Kun je de hele bijbel wel als “verhaal” behandelen - er zijn toch ook andere gedeelten dan alleen de verhalende (denk b.v. aan de profetische en apocalyptische teksten)? Wordt wel recht gedaan aan het unieke karakter van de bijbel ten opzichte van allerlei verhalen die in deze wereld rondgaan? Wat maakt de openbaring in de Schrift zo uniek en gezagvol en wat betekent dat voor de bekering en de levensheiliging waartoe mensen in Gods Woord worden opgeroepen? Op deze punten heeft de narratieve methode mij vooralsnog niet kunnen overtuigen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.