+ Meer informatie

Wat verwacht u van uw kinderen?

Soms valt de appel wèl van de stam...

9 minuten leestijd

„Wat een druk kind", zucht Els. Ze is nu zeven maanden in verwachting en voelt haar baby bewegen. Vooral als Els gaat zitten of liggen, begint de babu zich te roeren. „Zo heb ik het nooit gehad hoor! 't Is vast een heel actief kind. Daar zal ik later wat mee te stellen hebben!" Zo begint al vóór de geboorte de beeldvorming van moeder en vader. Zo stellen ze zich hun kind voor. „Dat drukke, dat actieve heeft hij of zij in ieder geval niet van mij", glimlacht Gert. Hij is de rust zelve! „Nee Els, je zult zien, dat ons kind veel op jou lijkt..." Verwachting: hoe zal ons kind zijn?

Ouders hebben bepaalde verwachtingen van hun kinderen. Ze vermoeden dat hun kind een bepaald uiterlijk kenmerk zal hebben. Ze verwachten ook dat de persoonlijkheidseigenschappen die ze zelf hebben, in hun kinderen herkenbaar zullen zijn. De een zegt: „O, o, die koppigheid! Zo was ik vroeger ook!" De ander wijst op de verlegenheid. „Daar had ik in mijn jeugd zelf ook zo'n moeite mee." Al die eigenschappen beschouwen we dus eigenlijk als erfelijke eigenschappen, als kenmerken die niet te veranderen zijn. 't Zijn aardige of minder aardige trekjes -net als bij vader of moeder- die er wel nooit uit zullen gaan. „Is dat waar?", vroeg een onderzoeker, dr. A.A.N. Cruts, zich af Is alles wat ouders als erfelijke eigenschappen beschouwen, ook werkelijk erfelijk? Cruts nam er de tijd voor om dat eens te bekijken. Hij vroeg aan ouders op drie verschillende tijdstippen vragenlijsten in te vullen. De eerste keer gebeurde dat vlak vóór de bevalling. „Hoe denkt u, dat uw kind zal zijn. Welke verwachting hebt u van uw nog ongeboren kind? Welke eigenschappen zal hij of zij hebben? Hoe zal het kind reageren als er visite is?", waren zo enkele vragen. Over dertien eigenschappen (zoals koppigheid, eenkennigheid, spontaniteit) in veertien verschillende situaties (zoals in bad, bij de dokter, bij 't slapen gaan) moesten de ouders iets schrijven. Hoe verwachten ze dat hun kind zal reageren? En zouden die eigenschappen na twee maanden af- of toenemen? Na de bevalling moesten deze zelfde ouders weer een vragenlijst invullen. Nu vroeg de onderzoeker naar de indruk, die de ouders hadden over hun kind. En weer kregen ze de dertien eigenschappen in veertien verschillende situaties te beschrijven. Nu konden ze dat doen door het kind goed te bekijken, te observeren. En wat dachten de ouders: zouden deze eigenschappen toe- of afnemen?

Eenkennig
De laatste keer, geruime tijd na de bevalling, herhaalde zich dezelfde procedure. Toen kon Cruts aan de slag. Hij verwerkte alle gegevens en kwam tot de conclusie, dat voor negentig procent van de gezinnen de verwachting die ze hadden over die versterking of verzwakking van een eigenschap voor tenminste één van de dertien eigenschappen uitkwam. Ook bleek dat er meer verwachtingen van de vaders dan van de moeders uitkwamen! Het gaat hierbij niet zomaar om een soort voorspelling. Het ging hier om verwachtingen die uitkwamen doordat de ouders die verwachting hadden. Het waren -volgens Cruts- "zelfvervullende profetieën". Omdat ouders dit of dat van hun kind verwachten, kwam dat ook zo uit. Ik verwacht, dat mijn kind erg eenkennig zal zijn en... het gebeurt. Komt dat, omdat dat een erfelijke eigenschap zou zijn? Of wordt het kind meer eenkennig dan een ander, omdat moeder dat (onbewust) "bewerkt?"

Musicus
Ouders hebben subjectieve indrukken van hun kind, en dat stuurt zijn of haar leven! Het is dan ook begrijpelijk dat ouders juist die kenmerken, die ze als erfelijk beschouwen, heel sterk bij hun kinderen terug zien komen. Soms zullen ze daar een hekel aan hebben. Ze denken dan terug aan vroeger, toen ze zelf zo'n last hadden van die eigenschap. 

Jan en Marijke staan samen als blijde ouders bij de wieg. Na een drukke en gezellige kraamtijdzijn ze nu samen met hun zoontje Karel. „ Wat zal er uit dit mensje groeien?", denkt Jan hardop. „Misschien wel een musicus. Zo iemand als Mozart", fantaseert Marijke. „Dan moet hij daar wel de aanleg voor hebben", reageert Jan. „Is dat zo ? Ik heb wel een ergens gelezen, dat een kind alles kan worden wat de ouders maar willen, als die hun kinderen de juiste training geven." „ Denk je dat dat echt zo is ? ", vraagt Jan verbaasd. „ Volgens mij kunnen kinderen alleen maar worden waarvoor ze in de wieg gelegd zijn."
(Uit: Met vallen en opstaan - dr. J. Stolk).


Hooggespannen verwachtingen
Ja, wat zal er worden van dit kind? Het is een vraag die we allemaal wel eens stellen. Welke invloed gaat er van ons, ouders, uit? Wat zal dit baby'tje later kunnen bereiken? Wat is zijn aanleg, wat zijn zijn eigenschappen? Zoals de ouden zongen, piepen de jongen, zegt het spreekwoord. De kinderen doen de ouders na. Ouders hebben een grote invloed op hun kinderen. Hun voorbeeld wordt nagevolgd. En dat is waar. Maar die invloed is niet onbeperkt. Onze eigenschappen die maatschappelijk gezien zo goed zijn, komen niet vanzelfsprekend terug in onze kinderen. Al hebben wij nog zo'n goed verstand, dat zegt nog niets over de intelligentie van onze kinderen. Niet alles is erfelijk! Er zijn verwachtingen die uitkomen, er zijn echter ook verwachtingen die helemaal niet vervuld zullen worden. Er is immers ook nog een andere kant aan de zaak. Hóe verwachten we iets van onze kinderen? Welke toekomstdromen hebben we? Zien we ze in gedachten al als lieve, voorbeeldige kinderen door het leven gaan? Of, als we veel waarde hechten aan een titel: dromen we al van onze kinderen als toekomstige medici, professoren, ingenieurs? Is het reëel wat wij verwachten? Het kan zijn dat wij als vader, moeder in onze jeugd niet mochten of konden studeren. Nu zijn er voor onze kinderen die mogelijkheden wel. En zij moeten nu maar gaan doen wat wij hebben gemist. Ze moeten bereiken wat ons niet is gelukt. Daar zullen we voor vechten. Daar zullen we onze kinderen toe dwingen.

Omgeving
Het kan ook zijn dat de buurkinderen zo aardig allerlei instrumenten bespelen. En daarom moet Bart -met tegenzinop orgelles, en Clara moet dwarsfluit spelen. Of de kinderen talenten hebben in die richting is van minder belang, vinden de ouders. Met oefening en dwang kom je er ook wel. En dat vriendinnetje dan -nog maar net in groep 3- dat al zo goed lezen kan? „Dat moet jij toch ook kunnen, Cora!", vindt moeder, en het kind moet zodra de school uit is, thuiskomen om het lezen te oefenen. Een zinnetje als: „Gaat Peter naar de mavo? O, onze Kees gaat naar het vwo!" kan grote gevolgen hebben voor Peter. Vader en moeder vinden het toch "beter" dat Peter ook naar het vwo gaat. Waarom? Geleid door afgunst, door jaloezie worden kinderen zo gedwongen gaven en talenten te ontwikkelen die ze niet bezitten! Ondertussen verwachten de ouders dat hun kinderen nu zullen bereiken, wat ze van leeftijdsgenootjes in hun omgeving zagen. Maar wat kan dat een teleurstelling worden! En wat kan die hooggespannen verwachting een berg ellende in het kinderleven brengen!

Gericht op onszelf
Wat verwachten we van onze kinderen? Als we daarover nadenken, moeten we erkennen dat we eigenschappen, karaktertrekken, uiterlijkheden, resultaten verwachten waarmee wij eer kunnen behalen. Of, als dat ons te sterk is uitgedrukt, waarmee onze kinderen onze naam hooghouden, waarvoor we ons niet behoeven te schamen. Al die verwachtingen zijn op onszelf, op mijzelf gericht. De verwachtingen die ik koester ten aanzien van mijn kinderen bepalen voor een groot deel mijn doen en laten met mijn kinderen. Daarom worden sommige verwachtingen ook "zelfvervullende profetieën", zoals we in het begin zagen. Hebben we dan in al ons stimuleren en dwingen niet tegelijkertijd het goede voor onze kinderen voor ogen? Dat is maar de vraag!

Teleurstelling
De hooggespannen verwachtingen kunnen soms zeepbellen zijn.
De werkelijkheid is anders dan vader en moeder gedacht hadden. Een jongen die geen opvolger van zijn vader wil worden; een kind dat niet goed kan leren; een jongen die geen "echte" stoere jongen blijkt te zijn; een meisje met een stug karakter en een slungelig figuur... Wat een teleurstelling, een gevoel van mislukt-zijn, van machteloosheid geeft het, als je moet erkennen: dit kind is niet, doet niet, geeft niet wat ik als vader of als moeder zo graag zou zien! Veel problemen ontstaan juist als hooggespannen verwachtingen niet verwerkelijkt worden. Vader en moeder waren in hun opvoeding gericht op eigen wensen en verwachtingen. Ze hadden zich een rooskleurig beeld van de toekomst van hun kinderen geschapen. Maar... het beeld klopt niet. En dan? Heel vaak reageren wij onze gekrenkte trots, onze irritatie, onze teleurstelling af op onze kinderen. We worden bij voorbeeld erg kritisch, veeleisend en streng, om zo nog te redden wat er te redden valt. Maar innerlijk wijzen we eigenlijk ons kind, ons lelijk eendje, af De relatie tussen ouders en kinderen wordt dan ook heel kwetsbaar. En als er dan conflicten, spanningen zijn, speelt dat gevoel van teleurstelling mee. Kinderen -de een meer, de ander minder- voelen aan, dat ze "mislukkelingen' zijn, dat ze "afgewezen" worden. Als er dan bovendien nog broers of zussen zijn die wèl aan de verwachtingen voldoen, die wèl geprezen en geaccepteerd worden, die wèl bewonderd, voorgetrokken en verwend worden, is er stof genoeg voor diepgaande problemen.

Uit de hand des Heeren
Als de Heere ons de kinderzegen heeft willen geven, dan betekent dat, dat wij uit de hand des Heeren kinderen mochten ontvangen. Die kinderen geeft de Heere niet om aan allerlei persoonlijke wensen en wereldse verwachtingen van ons te voldoen. Alles moet immers dienen tot Zijn eer. Daarom mogen wij onze kinderen niet opvoeden naar ons eigen beeld en naar onze eigen verwachtingen. De christelijke opvoeding heeft niet tot doel onze kinderen zo goed mogelijk in de maatschappij te laten functioneren, om daarna onszelf een schouderklopje te geven! Waar zijn wij in de opvoeding op gericht? Zien wij hoe kwetsbaar onze kinderen zijn? Hebben we oog voor hun angsten en onzekerheden, of staren we ons blind op onszelf? „Van ons wordt gevraagd dat wij onze kinderen opvoeden en verzorgen, niet omdat zij aan onze wensen en verwachtingen voldoen, niet om wat zij zijn, zeggen, doen of presteren, maar omdat wij van onze kinderen houden met een liefde, die "zichzelve niet zoekt". Heb ik mijn kinderen zó lief? Kan ik mijn kinderen zo liefhebben? Nee, dat kan ik niet, tenzij ik in mijn ouderschap aan mezelf ben ontdekt en ook in de opvoeding mijn verwachtingen op de Heere Jezus Christus heb leren stellen."
(Uit: Rond de geboorte, dr. J. Stolk).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.