+ Meer informatie

Joods Pascha: naast Uittocht ook eerste grote oogstfeest

Sedemvond met matses en bittere mierik

12 minuten leestijd

Het christelijke en het joodse Paasfeest (Pascha) vallen soms gedeeltelijk samen, maar niet altijd. Dat laat zien, dat er een breuk ontstaan is tussen kerk en synagoge, die er eigenlijk niet had behoren te zijn als men bedenkt, dat het christelijke Paasfeest toch teruggaat op het hoge feest van Oud-Israël. Pascha of Pèsach is een der drie grote feesten van Israël en het jodendom; de andere zijn het Wekenfeest (Pinksteren) en het Loofhuttenfeest (feest der inzameling, uitlopend op „Simchat Thora", de vreugde over Gods „Wet", Zijn onderwijzing.

Twee van deze feesten heeft de nieuwtestamentische gemeente met gewijzigde betekenis overgenomen: Pasen en Pinksteren, maar voor het Loofhuttenfeest leeft de kerk geen plaats ingeruimd. Pascha was in Israël het eerste en misschien ook belangrijkste der drie grote feesten, het Paasfeest is in een deel der christenheid, de Oosterse Orthodoxe in Oost-Europa, Griekenland, het Midden-Oosten, het hoogste en heerlijkste feest van het kerkelijk jaar.

Paasbeleving
De westerse christenheid kent die Paasbeleving niet zo: vreugde over de Verrijzenis en de overwinning van het helse monster is daar ondergeschikt gemaakt aan het midwinterfeest der knusse gezelligheid, de Kerstdagen. Een wonderlijke zaak eigenlijk; die verschillende waardering der heilsfeiten. Het Kindeke klein en teer spreekt kennelijk meer tot onze verbeelding dan de Man van smarten, de Lijdende Knecht Die na Zijn afdalen in de hel de triomferende Vorst des levens werd op Paaszondag.

We zullen het nu echter niet hebben over Pasen in de Orthodoxie en bij de westerse christenheid, maar over het joodse feest dat aan „ons" Pasen ten grondslag ligt, hoewel door Christus' Optanding het feest een nieuwe, vollere bekenis heeft gekregen.

Op 14 Nisan
Op 19 april begint het christelijke Paaseest, maar ook het joodse feest der ongezuurde broden vangt aan op die dag. Het is dan de joodse maand Abib (of Nisan) en op de veertiende van de maand, naar Exodus 12 de eerste maand van het jaar, moest het feest een aanvang nemen. Het wordt gevierd tot en met 26 april a.s., hoewel heden ten dage verschil van mening kan bestaan over de duur: de orthodoxe Joden houden het feest, dat inzet met Sederavond, acht dagen, maar proressieve en Reformjoden soms een dag korter.

Voor we kijken naar de huidige beleving van dit feest in de joodse familiekring zien we eerst, hoe het is ingesteld en wat het in oudtestamentische tijden heeft betekend. Daarbij ga ik voorbij aan de vele problemen van exegetische en vertaalkundige aard, die de Schriftgegevens opleveren. Eenduidigheid in de verklaring is er bepaald niet. Zo zijn er bijv. nogal wat uitleggers geweest, die van mening waren dat het volk Israels dit Pascha heeft geleend van heidense volkeren rondom, zij het uiteraard door er een geheel andere betekenis aan te geven.

Lentefeest
Het uittocht-motief zou dan a.h.w. pas later aan dit bestaande lentefeest zijn toegevoegd. Ook zou er een onderscheid zijn tussen het eigenlijke Pesach (dat niet alleen „voorbijgang" kan betekenen maar ook zoveel als hinkelen, een reidansuitvoeren enz.) en het feest der "matsôt", de ongedesemde koeken. Deze matses zouden dan een herinnering zijn aan de eerste volle maan van het Israëlitische jaar.

Nu is het op zichzelf niet ondenkbaar, dat Oud-lsraël bekende gebruiken en vierdagen heeft ontleend aan de omliggende wereld, maar die kregen dan zo'n geheel nieuwe invulling, dat de heidense oorsprong ervan er nauwelijks meer toe doet. In zekere zin heeft het christendom immers ook andere feesten overgenomen en ze een nieuwe betekenis gegeven; denk maar aan het Pinksterfeest of Feest der weken, dat de kerk niet meer viert als het oogstfeest van de boeren, maar als een volstrekt nieuw gebeuren: de massale uitstorting van de Heilige Geest, wat de eerste oogst van de Grote Landman door de arbeid van Zijn apostelen mag heten.

Inzetting
Het Paasfeest in Oud-Israël is in elk geval in de Bijbel duidelijk het feest van de herinnering aan de verdrukking in en verlossing uit Egypte's slavendienst. In Exodus 12 en 13 vinden we de inzetting van dit jaarlijkse feest, dat overigens niet altijd en overal elk jaar werd gehouden. De huisvaders in Oud-Israël moesten op 14 Nisan „tussen twee avonden" (dat is: na de zonsondergang vóór de duisternis inviel) een eenjarig mannelijk lam zonder gebrek slachten, dat ze al sinds 10 Nisan hadden afgezonderd.

Het bloed van het geslachte dier werd aan deurposten en bovendorpel gesmeerd. Het vlees werd met ongezuurde broden en bittere kruiden gegeten en men moest het maal reisvaardig nuttigen: geschoeid en met omgorde lendenen. Zeven dagen lang moet het volk ongedesemde broodkoeken eten en de eerste en zevende dag moet een heilige samenkomst worden gehouden: aanvankelijk thuis. Later verplaatst de viering zich naar de tempel in Jeruzalem, waarheen men in groten getale optrok. (Zie maar het verhaal rond Jezus' kruisiging en opstanding: het is boordevol in Jeruzalem en omgeving).

Tijdens het maal op de avond van (inmiddels) de 15e Nisan vroeg de zoon des huizes aan de vader, die als priester optrad: „Wat zijn deze dingen", waarna de vader het verhaal van de slavernij en de uittocht „door een sterke hand" opnieuw vertelde. Viermaal werd de beker wijn geledigd, alles vol diepe symboliek, en daartussendoor zong het gezin uit de Lofzang, het Hallel: de Psalmen 113 tot 118.

Maar hoe is het onder Israël en het jodendom gegaan na de Paasviering die we o.a. in II Kronieken 30 en 35 aantreffen, ten tijde der koningen Hizkia en Josia? De toestand blijkt dan al niet erg rooskleurig te zijn: sommigen houden het pas in de tweede maand (Ziv of Ijar) wat alleen in bepaalde omstandigheden toegestaan was. Bovendien waren de priesters niet heilig genoeg en de boodschappers van de grote viering worden (2 Kron. 30) zelfs bespot en uitgelachen.

Onder Josia wordt (2 Kron. 35 vers 17) ook onderscheid gemaakt tussen het eigenlijke Pascha én het feest der ongezuurde broden, hptgéen op een verschillende ontstaans-achtergrond kan wijzen. Van een feest in de familiekring was het, zoals we zagen, in Jezus' dagen een openbare aangelegenheid geworden in de tempel. Flavius Josephus weet een keer te melden, dat er meer dan twee miljoen personen naar Jeruzalem getogen waren.

Als onze kerstviering
Maar hoe verging het nà de verwoesting van stad en tempel? Het feest kwam weer bij zijn oorsprongen terug: in het gezin. Nog altijd.wordt het volgens de oude riten en door zoveel mogelijk Joden gevierd, ook door hen die allang het geloof der vaderen de rug hebben toegekeerd.

Het lijkt een beetje op onze Kerstvieringen: al ,,doe" je niks meer aan de kerk en het geloof, die kerst(nacht)dienst mag je gewoon niet missen! Pèsach is nu typisch een zeer strikt familiefeest: als niet alle kinderen op Sederavond aanwezig kunnen zijn wordt dat zeer betreurd. Pèsach heeft grote voorrang bij allen, die zich jood naar den bloede weten, al bezoeken ze niet meer trouw de synagogale eredienst op Sabbath.

Het feest ziet er in grote lijnen in elk gezin wel gelijk uit, althans wat Sederavond betreft, de 15e Nisan, de avond van de eerste volle lentemaan. De viering vindt, hoewel er op de eerste en laatste dagen synagogale diensten zijn, haar hoogtepunt aan tafel. Het Paasmaal is niet zo maar een feestelijk etentje! Er komt veel voor kijken. Voor elke Sabbath (Koningin Sabbath in de liturgie) wordt het huis altijd geheel schoongemaakt, maar voor het Paasfeest gebeurt dat in wel vertienvoudigde mate.

Zuurdesem
Niet omdat Hollandse properheid ontwaakt of de voorjaarsschoonmaaktijd aanbreekt, maar omdat heel het huis volledig vrij moet zijn van zuurdesem. Niets mag achterblijven, dat nog dit gistmiddel bevat. Alle wel gedesemde voedingsmiddelen worden ritueel verbrand. Voor de feestdis wordt het kostbaarste serviesgoed uit de kast gehaald, dat nergens anders voor gebruikt is.

Na de synagogedienst schaart het gezin zich rond de tafel, waarbij de vader als „koning" (mèlech) geldt en de moeder als „koningin" (malcha). De vader zit in een met kussens opgevulde zetel, die een troon moet verbeelden. De zithouding van allen herinnert aan het vroeger gebruikelijke aanliggen. Hoofdbestanddeel van het maal zijn de ongezuurde matses (tijd om het deeg te laten rijzen was er in de Uittochtnacht in Egypte niet!) en wijn. Voor ieder is er een beker voor elk der vier rituele dronken.

Komt profeet Elia?
Maar er staat nog een bokaal extra. Die is voor de profeet Elia, wiens wederkomst men verwacht. De Sederschotel („Seder" of „Seider" betekent „orde", „volgorde") Is vaak een prachtig bewerkt bord. Er liggen drie matses op en er staat een aantal schaaltjes op, die alle vol symboliek zitten. Eén ervan bevat een stukje geroosterd been als herinnering aan het vroeger geslachte en gegeten Paaslam.

Een ander bittere kruiden (de mierikswortel), die wijzen op de harde tijd onder Egyptische slavendrijvers. Een derde een mengsel van rozijnen, amandelen, appels, kaneel, suiker en wijn, de Charoset geheten. Dit mengsel heeft de kleur van leem en verwijst naar het tichelstenen-bakken. Er staat ook peterselie, selderie of radijs en een bakje met azijn of zout water om deze verse lentegroenten in te dompelen. Tenslotte is er een gebraden of geroosterd ei, wat wel moet duiden op ontkiemend leven, een nieuw begin.

Brood der ellende
De „koning" spreekt een lofzegging uit, terwijl ieder voor zich een exemplaar heeft liggen van de Haggada (letterlijk: vertelling) waarin de hele liturgie van Pesach met gebeden, lofzeggingen, het Exodusverhaal staat. Daarna wordt het eerste glas leeggedronken: de vrijheidsdronk. Dan breekt de huisvader de middelste der drie matses doormidden, terwijl hij het grootste stuk ervan tijdelijk verstopt. De Sederschotel wordt opgeheven en de spreuk wordt gezegd „Dit is het brood der ellende, dat onze voorouders hebben gegeten in Egypteland".

Andere spreuken volgen, want Pesach is ook het feest van gastvrijheid: „Al wie honger heeft kome en viere met ons het Pascha" en dan de beroemde wensbede: „Nu nog hier, maar volgend jaar in Jeruzalem". Dan stelt de jongste zoon uit het gezelschap in het Hebreeuws de „vier vragen", te beginnen met „Waarom is deze nacht zo anders dan alle andere?" en: „Waarom eten we ongezuurde broden en bittere kruiden en waarom dopen we die kruiden twee keer in zout en waarom leunen we in onze stoelen?"

Dan vertelt de vader, naar Exodus 13 vers 8 en 14, het verhaal van de Uittocht. Ook geeft hij uitleg van de Sederschotel. Men heft Psalm 113 en 114 aan, drinkt de tweede beker wijn en begint het eigenlijke feestmaal, het eten afwisselend met het zingen van vooral lofpsalmen. Als het maal voltooid is wordt het verstopte stuk matse weer voor den dag gehaald en ieder eet er een klein stukje van. Dat is het nagerecht, ziende op het bijbelse offerlam. Na het tafelgebed wordt de derde beker wijn gedronken, waarna Psalm 136 wordt aangeheven. Dan volgt de vierde wijndronk tot slot.

Nacht der bewaring
Na de laatste lofpsalmen wordt even de deur wijd opengezet: wie weet, mocht de profeet Elia nu komen. Bovendien ziet het op de „nacht der bewaring", de nacht, waarop de verderfengel de Egyptenaren sloeg, maar de Joden met hun dorpels vol bloed voorbijging. God Zelf bewaarde hen en het openen van de deur wijst op deze nog bewarende God, op Wie men nog altijd kan vertrouwen.

Daarmee is deze Sederavond, die wel vier tot vijf uur kan duren en die vooral in het teken van het kind en het ontwakende leven staat, ten einde. Het Sedermaal wil een rechtgeaarde Jood niet graag missen, zoals hij ook niet op deze avond de dienst in de synagoge wil verzuimen, de dienst waarin het Hooglied een voorname plaats inneemt wanneer men zingt (2 vers 11 enz.). „Want zie, de winter is voorbij, de plasregen is over, hij is overgegaan; de bloemen worden gezien in het land, de zangtijd nadert en de stem van de tortelduif wordt gehoord in ons land".

En ook deze liturgie in de synagoge wijst erop, dat Pesach niet alleen het Uittochtsverhaal doet herleven, maar evengoed het eerste grote lentefeest is bij het begin van de gersteoogst.

Iemand, die als dichter heel goed de betekenis van de feesten en jaargetijden voor de Joden van onze eeuw heeft bezongen is Jacob Israël de Haan geweest, wiens geboortedag dit jaar een eeuw is geleden. Deze „Dichter van het Joodsche Lied" heeft het ervaren, dat hij vervreemd raakte van het vaderlijk geloof in het orthodoxe milieu van een synagogale voorganger (de chazzan). „Ik was een knaap, die alle Joodsche dagen / Van vasten en van vreugd eerbiedig hield. / Zijn dagen veilig voor angstige vragen, / Al zijn verlangen door vroomheid bezield."

Van alle hoge feesten vond hij het Loofhuttenfeest het allerschoonste: „Waarom? Ons volk werd verdrukt. Met Tien Plagen, / Fel maar gerecht bracht God hen juichend uit. / Voor hen bloeide een land open, zoete buit, / Zóó rijk, zóó drachtig, als geen droomen zagen." Maar de dichter wordt „de verlatene": ,,Want niet één Zoon zegt: 'zegen mij, mijn Vader' / Wanneer ik thuis van den gebede keer. / Omdat ik een verrader werd, een smader, / Wiens droom en daad spotten met recht en leer." 

Maar de bekeerling zingt ook van een thuiskomen: „Thans keer ik weer; mijn God heeft mij vergeven, / En Zijn genade wreekt de wegen niet, / Waarlangs ik zwierf bij spel en ijdel lied, / Zijn liefde doet mijn stervend hart herleven."

Jezus Messias
Dat herinnert aan de verloren zoon, op wie de hemelse Vader met uitgebreide armen wacht. Maar die genade van Christus heeft De Haan, die aanvankelijk als zionist naar Jeruzalem trok, daar een fel tegenstander van de zionisten werd en die in 1924 door een joodse extremist werd vermoord, niet mogen kennen. Dat is bij alle waardering voor de joodse Paasviering de tragiek die hiermee samenhangt.

Pèsach herinnert aan verlossing uit slavernij in een ver verleden en met name voor de Joden in de verstrooiing was en is het „volgend jaar in Jeruzalem" een uiting van hoop, die hen ook onder barre omstandigheden doet leven. Maar in Jezus van Nazareth erkennen zij nog niet de verrezen Messias, Die ook voor hen en hun volk gekomen is.

Daarom is het christelijke Paasfeest een rijker „omduiding" van het oude joodse Uittochtsverhaal: de verlossing van dood en schuld reikt verder dan die van de aardse slavernij; Mozes wordt overschaduwd door de meerdere Mozes, de Messias van Joden en „gojim", de heidenvolkeren die wij waren en opnieuw zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.