+ Meer informatie

Verkiezing van ambtsdragers – enkele details

9 minuten leestijd

Het thema ‘verkiezing ambtsdragers’ komt met regelmaat in AC aan de orde. Toch blijkt dat sommige vragen telkens terugkomen, of dat sommige – laten we zeggen – oneffenheden hardnekkig zijn. Daarom hieronder enkele details.

Vóór de verkiezing

Voorafgaand aan de verkiezing door de gemeente beraadt de kerkenraad zich, nadat de gemeente in de gelegenheid is gesteld om namen in te dienen, over de talstelling. Dat gaat heel verschillend: de ene kerkenraad komt in zijn vergadering tot een kandidatenlijst en informeert daar vervolgens de kandidaten over, voorafgaand aan de zondag waarop e.e.a. aan de gemeente wordt meegedeeld. Andere kerkenraden vinden het raadzaam om eerst nog te ‘polsen’ of de kandidaatstelling zinvol is. Het risico daarbij, zo heeft de praktijk geleerd, is dat er een soort uitholling plaatsvindt. De vraag die de beoogde kandidaat voorgelegd krijgt verschuift van: ‘Zijn er objectieve redenen waarom u een benoeming niet in overweging zou kunnen nemen?’ naar – helemaal aan de andere kant –: ‘zou je daar wel voor voelen?’ Maar dat laatste is niet de vraag die aan de orde is. In de Schrift blijkt meermalen dat een door God aangewezen geestelijk leider (Mozes) of profeet (Jona) helemaal geen zin heeft deze roeping in overweging te nemen, laat staan op te volgen. Niettemin komt de roeping op hen af. Van Godswege!

Het is van groot belang om het geestelijk gehalte van de roeping tot het ambt hoog in het vaandel te houden. Dat geldt trouwens ook voor het beroepingswerk bij predikanten en de voorgesprekken die daarbij plaatsvinden. Het lijkt er op dat sommige kerkenraden pas tot een daadwerkelijk beroep willen overgaan wanneer zij al een positief antwoord van de predikant ‘in de zak hebben’. Maar dat zal echt niet gaan. Laten wij de volle ruimte voor de leiding van de Heilige Geest houden en die Geest – onbedoeld - niet vooruit willen lopen of in de weg willen staan. Juist nadat er een verkiezing en benoeming heeft plaatsgevonden komen er onder de leiding van de Heilige Geest overwegingen in beeld die er vooraf niet konden zijn, eenvoudigweg omdat de benoeming er nog niet was. Een roeping mag klemmen!

Bij dat geestelijk gehalte hoort ook dat de kerkenraad let op benodigde gaven: bij diakenen de gave om in alle zorgvuldigheid betrokken te zijn bij concrete maatschappelijke noden bij gemeenteleden – en de koppeling daarbij aan andere gemeenteleden. Bij ouderlingen op de gave van het luisteren, het gericht doorspreken over beluisterde vragen, kennis van de Bijbel en de gereformeerde belijdenis en zó een gesprek voeren dat de gemeenteleden zich daarbij gekend en serieus genomen weten. Er kan zoveel stuk gaan in een contact… Concrete toerusting op dat gebied is daarbij geen overbodige luxe, het kan benoemde broeders geestelijk helpen! Terecht houden vele kerkenraden vandaag de dag speciale weekenden of dagen waarbij men samen ‘in dok’ gaat. Anderen van binnen of buiten de gemeente kunnen daartoe te hulp geroepen worden. En ook een abonnement op AC levert veel aan toerustingsmateriaal op.

De verkiezing

Over de verkiezing vervolgens: ook hierin is veel variatie. De kerkorde gaat vanouds uit van het stellen van dubbeltallen. Bij de grondige wijziging die onze kerkorde in 2001 onderging, is ook ruimte gemaakt voor meertallen zonder dat dit per se dubbeltallen hoeven te zijn. Bijvoorbeeld 7 kandidaten voor 5 vacatures. Het lukt immers een kerkenraad niet altijd om tot een volledig dubbeltal te komen. Het is dan wel van belang dat de kiesdrempel wordt aangepast. Men vaart veilig als men die als volgt berekent: de kiesdrempel is het eerstvolgende gehele getal boven (het aantal geldige stemmen) : (het aantal kandidaten). Deze rekensom werkt zowel bij dubbeltallen als bij andere meertallen.

Soms lukt het ook niet om tot meertallen te komen. Dan gaat een kerkenraad over tot een enkelvoudige kandidaatstelling. Dat gebeurt ook wel bij speciale functies in de kerkenraad, bijvoorbeeld de scriba of de jeugdouderling. Daarbij moet dan wel vooraf het percentage duidelijk zijn waarbij de kandidaat wordt geacht verkozen te zijn. Iedere kerkenraad is vrij om dat zelf te bepalen, maar het is wel belangrijk dat duidelijk wordt dat de kandidaatstelling in voldoende mate door de gemeente wordt gesteund. Daarom cirkelen de meeste kiesdrempels zo rond de 75%.

Speciale aandacht vergt het volgende: meer en meer valt te lezen dat de kerkenraad een broeder heeft benoemd in zijn vergadering en dat de gemeente tot een bepaalde datum daartegen bezwaar kan maken. Maar daar verschuift iets, namelijk het recht(!) van de gemeente om te kiezen naar het recht van de gemeente om te approberen. Dat laatste gebeurt na de benoeming, via de afkondiging op twee achtereenvolgende zondagen: dan heeft de gemeente het recht om een principieel bezwaar tegen een benoemde te maken, op grond van leer en/of leven. Die procedure treedt te allen tijde in werking wanneer er bijzondere kerkelijke gebeurtenissen zijn: de bevestiging van een huwelijk, toelaten tot het doen van belijdenis van het geloof, een nieuwe dominee, en ook wisseling van ambtsdragers. Het kan immers altijd zijn – hoe verdrietig ook – dat een gemeentelid iets van de betrokkene weet dat belastend is voor die kerkelijke gebeurtenis. De kerkenraad kan niet álles weten. Ik zou er voorbeelden van kunnen geven. De gemeente krijgt dus de gelegenheid om bezwaar te maken; dan moet er natuurlijk wel iets ernstigs aan de hand zijn, waar aan de hand van Schrift, belijdenis en kerkorde de vinger bij gelegd moet worden. En voor alle zekerheid: voordat dit gemeentelid naar de kerkenraad stapt, gaat hij/zij eerst naar degene over wie de moeite gaat.

Maar de gemeente heeft óók op grond van haar mondigheid het recht om te kiezen (zie bijv. Hand. 6:1-7). En de kerkenraad moet haar dat recht ook gunnen. Dat bovenstaande procedure (dus benoemen zonder dat de gemeente gekozen heeft) zo nu en dan in samenwerkingsgemeenten met de Geref. Kerk (vrijgemaakt) voorkomt is nog wel te begrijpen: de kerkorde van de GKv geeft daar namelijk ruimte voor (art. B25.5). Maar wel bij uitzondering – die dus geen regel hoort te zijn. Onze kerkorde geeft die ruimte niet. Daar doet de kerkenraad een enkelvoudige kandidaatstelling en de gemeente stemt daarover.

Men kan met recht zeggen dat de verantwoordelijkheid van de gemeente bij enkelvoudige kandidaatstelling zwaarder weegt dan bij meertallen. Men krijgt immers maar met één persoon voor de vervulling van de vacature te maken. En dan is het voor of tegen. Degene die stemt moet ervoor waken dat hij/zij geen oneigenlijke redenen in het hart toelaat. Zo is het wel eens voorgekomen dat een predikant bij enkelvoudige kandidaatstelling werd ‘weggestemd’, omdat de nee-stemmers tegen de procedure van een enkelvoudige kandidaatstelling waren. Men ‘wilde iets te kiezen hebben’. Afgezien van de vraag of het daarom gaat bij een kerkelijke verkiezing, gaat er iets anders scheef: de persoon wordt afgerekend op de procedure. En van een geestelijk mondig gemeentelid mag verwacht worden dat hij/zij dit niet doet. Een dergelijk bezwaar hoort via een brief op de kerkenraadstafel te komen om daar besproken te worden.

Zo kan men allerlei andere bezwaren hebben wanneer men het stembriefje voor zich heeft., maar ten diepste gaat het maar om één punt: de kerkenraad heeft (vaak mede op grond van ingediende namen door gemeenteleden) bij een broeder gaven gezien voor een bijzonder ambt, en legt die visie nu in handen van de gemeente. Dat alléén dient als regel doorslaggevend te zijn voor het uitbrengen van de stem. Een uitzondering op die regel kan ik eigenlijk alleen verzinnen op het gebied van de weerspiegeling van de geestelijke variatie van de gemeente binnen de kerkenraad. Daar zal de kerkenraad voor staan(!), maar het kán gebeuren dat daar iets mis gaat.

Details bij de meertallen

De samenstelling van de meertallen vergt nog wel bijzondere aandacht. Er zal zo mogelijk rekening gehouden worden met een mix van ervaring en ‘vers bloed’. Kerkenraden die al te lang terugvallen op ervaren broeders, bouwen voor de toekomst een risico in: ervaring moet immers ook overgedragen kunnen worden.

Een ander detail: sommige kerkenraden kennen de mogelijkheid van herkiesbaarheid van een broeder wiens ambtstermijn ten einde loopt (dat moet dan mijns inziens overigens bij voorkeur niet vaker dan voor één nieuwe periode het geval zijn). In die situaties verdient het ernstige overweging om een enkelvoudige kandidaatstelling te doen: het is voor degene die er op een dubbeltal naast komt te staan soms pijnlijk als hij zeer weinig stemmen krijgt. Anders gezegd: dubbeltallen dienen zo veel mogelijk echt evenwichtig te zijn.

En bij ontheffingen?

Wanneer een broeder ontheffing vraagt zal de kerkenraad de redenen ervoor beoordelen. Worden deze gegrond verklaard (en dat is een serieuze aangelegenheid!), dan zal de ontheffing verleend worden. Vervolgens zal voor de nog openstaande vacature een nieuwe talstelling worden gedaan. Daarvoor kan de kerkenraad gebruikmaken van de lijst van de eerste verkiezing. Wanneer daar iemand bij zit die de meerderheid had, maar niet benoemd hoefde te worden (omdat andere broeders meer stemmen hadden en daarmee in eerste instantie de vacatures konden opvullen), kan deze broeder zonder meer benoemd worden: hij was immers al gekozen door de gemeente. Als dit niet het geval is kan men putten uit andere kandidaten die de meerderheid niet behaalden. En de kerkenraad roept in dat geval de gemeente dan wel weer bijeen voor de verkiezing.

Men hoort soms dat dit niet gepast zou zijn: die broeders zijn immers ‘afgevallen’. Maar dat kan toch geen doorslaggevend argument zijn: in vergelijking met de ándere kandidaten haalden zij de meerderheid niet, maar dat hoeft nog niets te zeggen over een volgende verkiezing. Een kerkelijke ambtsdragersverkiezing is geen afvalrace bij Europese voetbalwedstrijden.

Ten slotte en ten hoogste

Dit alles lijkt op nogal menselijke gedachten. Maar laten we niet vergeten dat bij de bevestiging van de ambtsdrager hem wordt gevraagd: ‘Bent u ervan overtuigd dat God zelf u door zijn gemeente tot deze dienst heeft geroepen?’ Door zijn gemeente dus… en daar past dus uiterste zorgvuldigheid bij. Tot meerdere glorie van Hem die op deze manier zijn gemeente wil gebruiken voor de opbouw ervan.

Ds. Quant is emerituspredikant en woont in Houten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.