+ Meer informatie

Diakenenconferentie 1964: werd goed-bezochte studie- en werkdag

5 minuten leestijd

Meer dan driehonderd zijn er in ieder geval geweest. Hoeveel precies weet niemand, maar vast staat, dat de Diakenenconferentie 1964 een manifestatie is geworden van grote bereidheid, in ruime kring, om als Christelijke gereformeerde kerken bewust en actueel te leven in een veranderende wereld. Zou immers die bereidheid niet worden gevonden, dan had het Landelijk Comité ter voorbereiding van ouderlingen- en diakenenconferentie nimmer een zo groot aantal deelnemers gevonden voor deze studie- en werkdag, waartoe de jaarlijkse toog-dag der diakenen ditmaal is uitgegroeid.

De diakenen hadden een verblijdend aantal predikanten, ouderlingen en leden van het nieuwe „Ontmoetings- en bezinningscentrum voor het maatschappelijk werk” als hun gasten. En samen heeft men zich gebogen over de Algemene Bijstandswet, die per 1 januari 1965 in werking zal treden. Er is eerst geluisterd naar een inleidende samenvatting en beoordeling door ds. T. Brienen. En daarna ging men zelf aan het werk. In twaalf secties, die zoveel gespreksstof ontdekten in dit veelzijdige onderwerp, dat algemeen werd betreurd, dat er maar een dag beschikbaar was voor deze zozeer nodige bezinning. Om die ene dag zoveel mogelijk uit te buiten liet men zich zelfs een deel van de lunchpauze, overigens voortreffelijk voorbereid door de zusters en broeders van Apeldoorn, ontgaan.

Wanneer we terugzien op deze 16de april en pogen hetgeen daar aan de orde is geweest in een verslag samen te vatten hebben we zwart op wit het referaat van ds. Brienen. Op veler verzoek wordt dit in ditzelfde nummer afzonderlijk opgenomen. Verder beschikken we over een samenvatting van de besprekingen, die hieronder wordt opgenomen. Van datgene, wat naar ons oordeel het belangrijkste is geweest, kunnen onmogelijk verslagen worden opgenomen. Dat zijn de discussies in de secties, waaraan door nagenoeg alle aanwezigen persoonlijk is deelgenomen. Dat was de echte benadering, de worsteling met het onderwerp of liever nog met de vraag, hoe het diakonaat in de kerk behoort te leven.

Eigenlijk raakt de verschijning van de Algemene Bijstandswet maar één aspect van het diakonaat, namelijk dat van de financiele hulpverlening. Dat het optreden van de overheid in deze sector zoveel vragen met betrekking tot het diakonaat oproept is vanuit dit gezichtspunt alleen maar beschamend. Was de diakonia werkelijk voor zovelen al volledig verschraald tot het manupuleren met wat centen voor de „armen”? Dan moet de Algemene Bijstandwet wel een heel grote steen zijn in hun uitgedroogde diakonale vijvertje.

In de secties is vooral naar het wezen van het diakonaat, liever nog naar het wezen van het ambtsdrager-zijn en het kerk-zijn in de wereld getast. Dat was vooral belangrijk en we hopen, dat de discussies, die in Apeldoorn om der wille van de tijd soms abrupt moesten worden beeindigd, in de kerkeraadsvergaderingen zullen worden voortgezet, maar vooral ook in de bijeenkomsten der gemeente zullen doorklinken.

Ter animering van het gesprek dan hier nog de samenvatting:

1. Het uitgangspunt van de bespreking is de feitelijke situatie, dat de Algemene Bijstandswet (A.B.W.) door de Staten-Generaal is aanvaard en op i januari 1965 in werking zal treden. Overweging van de achtergrond van deze wet doet zien, hoezeer algemene leuzen van deze tijd aan haar ontstaan meewerkten en moet het oog openen voor het gevaar van toenemende vermaterialisering van het leven bij de uitvoering ervan.

De wijze waarop de A.B.W. door de plaatselijke overheden zal worden uitgevoerd, dient nauwlettend en critisch in het oog gehouden te worden.

2. De invoering van de A.B.W. behoeft principieel geen functieverlies van het diaconaat mee te brengen. De opdracht tot diakonia (= dienst) blijft, ook al zal het karakter van de noden zich wijzigen.

De diakenen zullen naar verwachting minder in persoonlijke financiële noden behoeven te voorzien. Echter zal de materiële hulpverlening niet geheel verdwijnen.

3. Meer dan tot nu toe zullen de diakenen aandacht moeten besteden aan de dienstverlening. Dit vraagt een omschakeling van de diaken, maar evenzeer het gemeentelid, dat de diaken niet meer moet zien als iemand, die hier en daar wat geld uitdeelt, maar als zijn sociaal raadsman en vertrouwensman. De diaken moet zijn een adviseur, een helper en een verwijzer.

4. In verband hiermede is meer nog dan voorheen overleg nodig tussen diakenen en deskundigen op sociaal terrein en stichtingen voor maatschappelijk werk. In plaatsen waar nog geen Christelijke stichtingen voor maatschappelijk werk zijn, moet de oprichting ervan worden bevorderd.

Ook de deskundigheid van de diakenen zal moeten worden verhoogd.

5. Het gestelde in punt 4 is ook gewenst met het oog op het contact tussen diaconie en ambtenaren die de A.B.W. uitvoeren. Deze Iaatsten immers moeten, ingevolge artikel 2 van de wet, aan degenen die bijstand ontvangen, voorlichting geven ten aanzien van de moeilijkheden van dienstverlening en verlenen desgewenst bemiddeling tot het verkrijgen van dienstverlening door kerkelijke instellingen.

6. Het hangt van de plaatselijke omstandigheden af, of onze diaconieën, in overleg met de daartoe geëigende instanties, zullen moeten aandringen op de instelling van een College voor de verlening van bijstand en/of een Commissie van Advies. Alle diaconieën dienen na te gaan, hoe de situatie plaatselijk is. Belangrijker wordt geacht de totstandkoming van een persoonlijk contact tussen de diakenen en de ambtenaren, die bij de bijstandsverlening betrokken zijn de bijstand verlenen. Tussen dezen moet een wederzijds vertrouwen worden gekweekt.

7. Ook na de inwerkingtreding van de A.B.W. blijft er voor de diaconie een breed werkterrein bestaan. Dit werk houdt deels verband met de A.B.W. en staat deels los van de A.B.W.

8. Een nauwe samenwerking en een diepgaand overleg inzake diaconale aangelegenheden tussen predikant, ouderling en diaken is noodzakelijk. De diakenen zullen er voorts op uit moeten zijn om zoveel mogelijk gemeenteleden in het diaconale werk te betrekken. Bij kandidering van diakenen zal mede op (potentiële) deskundigheid moeten worden gelet.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.