+ Meer informatie

HOE ‘ONBERISPELIJK’ MOET EEN AMBTSDRAGER ZIJN?

8 minuten leestijd

MANNEN VAN GOEDE GETUIGENIS

Wanneer er bevestiging van ambtsdragers plaatsvindt in de gemeente, klinken in het dankgebed onder andere de woorden: ‘Wij danken U, dat Gij ons geschonken hebt mannen van goede getuigenis, die gaven van Uw Heilige Geest hebben ontvangen’.

‘Mannen van goede getuigenis…’ Juist daarbij kunnen wel eens vragen opkomen. Bij een bevestigde broeder: ‘Ben ik dat wel?’ Wanneer wij door Gods Geest onszelf als zondaar voor God hebben leren kennen, zullen we onszelf geen veer op de hoed zetten. Integendeel, we zullen de vraag van Paulus kennen: ‘Wie is tot deze dingen bekwaam?’ (2 Kor. 2 :16b).

Vragen kunnen er ook in de gemeente leven. ‘Die man zit nu wel vooraan in ’t bankje, maar als je hem door de week ziet…’ Kan zo’n vraag terecht zijn?

Ook bij de kandidering binnen de kerkenraad kan het een punt van bespreking zijn. Het is wel eens gebeurd dat, toen we voorafgaand aan de vaststelling van de groslijst 1 Tim. 3 lazen en daarover doorspraken, een van de broeders de verzuchting slaakte: ‘Als ik dit lees, kunnen we allemaal wel naar huis gaan’.

Maar het staat er dan toch maar: ‘een opziener moet onberispelijk zijn’ (1 Tim. 3:2; Titus 1:7). Wat houdt dat dan in? En hoe moeten we daar vandaag concreet mee omgaan?

Voordat ik daar nader op inga, nog een opmerking vooraf: we gaan in dit artikel niet in detail alle trekken van het Bijbelse profiel van de ambtsdrager bespreken – daarvoor ontbreekt de ruimte. U kunt daarvoor terecht in de boeken ‘Uit liefde tot Christus en Zijn gemeente – een handreiking aan de ouderling’ en ‘Zichtbare liefde van Christus – het diaconaat in de gemeente’. Het gaat mij om enkele kenmerkende trekken van de eis tot onberispelijkheid, waarover vandaag nogal eens vragen leven.

ONBERISPELIJKHEID: IN HET ALGEMEEN

Wat mogen we op grond van Gods Woord van een ambtsdrager verwachten? In de eerste plaats, dat hij zelf door een levend geloof aan Christus verbonden is; dat hij zelf door genade deel heeft aan de dingen waarover hij met anderen spreekt. In het bevestigingsformulier voor dienaren van het Woord staat dat prachtige zinnetje: ‘Heb Christus lief.

Nu, als die liefde van en tot Christus in het hart leeft, zal dat in heel de levenswandel van de ambtsdrager merkbaar worden. Hij is daar zelfs op aanspreekbaar. Hij mag immers Christus, de Herder en Opziener van de zielen, representeren. Dat kan hij alleen doen wanneer hij ‘gezond in het geloof is (Titus 2:2). De beleving van zonde en genade zal hem niet vreemd zijn. De strijd van het geloof zal hij persoonlijk kennen, in het dagelijkse gevecht tegen satan, wereld en eigen vlees. In 1 Tim. 3 en Titus 1 worden tal van dingen genoemd die een ambtsdrager dienen te sieren (ik laat het onderscheid tussen de ambten nu maar even buiten beschouwing; 1 Tim. 3 spreekt over ouderlingen en diakenen, Titus 1 alleen over ouderlingen).

Wanneer wij de voorwaarden die aan de ambtsdragers gesteld worden nagaan, blijkt het overgrote deel te gaan om dingen die van elke christen mogen worden verwacht. Alleen de eis tot bekwaamheid om te onderwijzen (1 Tim. 3:2, Titus 1:9) springt eruit. Kort gezegd: hij hoeft geen ‘superheilige’ te zijn, maar moet wel een waarachtig gelovige zijn.

Maar waarom wordt dan toch van de ambtsdrager gezegd dat hij onberispelijk en onbesproken dient te zijn? Omdat juist zij die geestelijke leiding geven geen enkele aanleiding mogen vormen tot verzet tegen de boodschap van het Evangelie, in de gemeente niet en daarbuiten niet. Het gaat hier dus om de levensopenbaring, het gedrag. Dan mag de ambtsdrager met het oog op zijn verantwoordelijke positie in de gemeente wel dubbel bidden wat elke christen moet vragen: ‘Geef…. dat wij heel ons leven en al onze gedachten, woorden en werken zó schikken en richten, dat Uw Naam om ons niet gelasterd, maar geëerd en geprezen wordt’ (HC zondag 47).

Zo wordt van de opziener gevraagd dat hij wakker/nuchter zal zijn. Dat betekent hier: sober. Het geeft geen pas wanneer we als dienaren van Christus een protserige, overdadige levensstijl hebben. We moeten niet zomaar onze zinnen zetten op alles wat zich aan onze ogen voordoet. Is matigheid ook niet een vrucht van de Geest? En zou dat ook iets te maken kunnen hebben met de inrichting van ons huis en de auto die we rijden?

Ook eerbaarheid wordt genoemd: iemand dwingt respect af door zijn levenshouding. Nòg kom je het tegen in de gemeente: dat er met grote achting gesproken wordt over reeds overleden ambtsdragers. ‘Aan die man kon je het zien!’ Zijn we daar vandaag niet dringend om verlegen? Zou dat ook jongeren niet heilig jaloers kunnen maken, die vaak kritisch en met een sterk ontwikkeld gevoel voor ‘echtheid’ naar ambtsdragers kijken? Ontdekken ze in ons identificatiefiguren die Christus reflecteren?

Er wordt ook gezegd dat iemand die geestelijk leiding geeft ‘niet aan de wijn verslaafd’ mag zijn. In de Schrift wordt regelmatig gewaarschuwd tegen dronkenschap (bijv. Gal. 5:21, Ef. 5:18). Zo’n levenshouding kan zeker niet samengaan met het bekleden van een ambt. In artikel 80 KO wordt drankmisbruik dan ook genoemd als een van de grove zonden die met schorsing of afzetting behoren gestraft te worden.

Verslaving is een vorm van gebondenheid. Dan laat je in eigen leven niet de bevrijdende kracht van het Evangelie zien. Immers: ‘Indien de Zoon u vrijgemaakt zal hebben, zult gij waarlijk vrij zijn’ (Joh. 8:36).

ONBERISPELIJKHEID: NOG EEN PAAR CONCRETISERINGEN

Hoe in dat verband te denken over een rokende ambtsdrager? Het is bekend dat bij tal van christenen in het buitenland roken ‘not-done’ is. Ze begrijpen niet dat christenen in ons land het roken goed kunnen praten. Mijn vraag is: houden ze ons daarin niet de spiegel voor? En is het niet veelzeggend dat er van overheidswege op de verpakking staat: ‘Roken is dodelijk’? Geven we dan als ambtsdragers een voorbeeld naar de gemeente toe, als we er dan toch maar weer eentje opsteken? Kunnen we dat verantwoorden in het licht van 1 Cor. 6 : 19 en 20?

Ik vraag maar…. Nooit vergeet ik hoe in de gemeente waartoe ik als jongen behoorde een ‘rokende’ ouderling longkanker kreeg. Op zijn sterfbed beleed hij aan God en mensen zijn roken als schuld. Hij had daarmee de Naam van zijn God afbreuk gedaan.

Wanneer het gaat over onberispelijkheid van de ambtsdrager noem ik ook het punt van de kerkelijke trouw. Van een ambtsdrager mag zonder meer verwacht worden dat hij twee keer per zondag de eredienst bezoekt. Naar mijn overtuiging kan iemand die dat welbewust niet doet, niet gekandideerd worden. Hoe kan een ouderling op huisbezoek ontrouwe gemeenteleden vermanen (= erbij roepen!) om de onderlinge bijeenkomst niet na te laten (Hebr. 10:25), als hij zelf in dit opzicht niet in het spoor loopt? Hoe leeft de dienst van de hemelse Koning dan in zijn eigen hart?

Onberispelijk. Dat is niet: zonder zonde. Wie geestelijke zelfkennis krijgt, ontdekt van binnen zoveel waarvoor hij zich schaamt. Het is wel: een mens uit één stuk, die Christus van harte en over heel de linie dient.

ONBERISPELIJKHEID: IN HUWELIJK EN GEZIN

Van een ouderling of diaken wordt gezegd dat hij ‘de man van één vrouw’ moet zijn. Een meervoudige relatie, op welke manier dan ook, is uit den boze.

Het gaat hier overigens niet om de situatie van een tweede huwelijk na het overlijden van de eerste vrouw – dat is immers iets waar de Bijbel ruimte voor biedt (Rom. 7:1-3; 1 Tim. 5:14).

Wat we hier ook niet in moeten lezen, is dat een ongehuwde man geen ambtsdrager zou kunnen zijn – denk aan Paulus zelf. De apostel beklemtoont alleen maar dat het huwelijk van de ambtsdrager een voorbeeldfunctie heeft. Hij kan niet trouw zijn aan de bruid van Christus, Zijn gemeente, als hij zijn eigen vrouw ontrouw is.

Ook de gezinssituatie als geheel is van belang. Als het gezin ‘een kerkje in de kerk’ is, geldt dat zeker het gezin van de ambtsdrager. Hij moet zijn eigen huis op een goede manier regeren (1 Tim. 3:4,5). Volgens Titus 1 moet de ouderling zelfs gelovige kinderen hebben, die niet van overdaad of ongehoorzaamheid te beschuldigen zijn. In de NBG-vertaling ’51 komt uit dat er soms kinderen zijn die van geen tucht willen weten, ondanks het feit dat de vader-ouderling het probeerde.

Een goed functioneren als ouderling kan dus belemmerd worden op twee manieren:

a. de ouderling zelf is er debet aan dat het in zijn gezin er ordeloos aan toegaat; of:

b. buiten de schuld van de ouderling om gaat het kind/gaan de kinderen in een verkeerd spoor.

Het is echter de vraag of in het laatste geval iemand geen ambtsdrager kan zijn, zeker wanneer het overduidelijk een keus van het kind zelf betreft. Maar het komt nogal eens voor dat broeders op dit punt zich aangevochten weten. Wat is het dan nodig om als broeders om elkaar heen te staan en ‘herder voor de herder’ te zijn, om samen voor Gods aangezicht hierin een weg te vinden.

ONBERISPELIJKHEID: IN DE SAMENLEVING

Een ambtsdrager moet ook goed bekend staan bij de ‘buitenwacht’ (1 Tim. 3:7). Dus niet: ze moeten niets verkeerds van hem kunnen zeggen, maar positief: er gaat een goed gerucht van hem uit.

De bedoeling mag duidelijk zijn: zijn levenswandel mag geen struikelblok vormen voor de doorwerking van het Evangelie, maar moet er juist ruim baan voor maken, opdat onder Gods zegen ook buitenstaanders getrokken worden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.